De toestand van het klimaat in Nederland 2008
Deze oplopende temperaturen in Nederland liggen in de lijn der verwachtingen die in de vorige KNMIklimaatrapportages zijn beschreven. Inmiddels zijn de opwarming en de gevolgen ervan voor de natuur goed merkbaar. Klimaatverandering is de afgelopen vijf jaar dan ook een belangrijk thema geworden. Uiteraard hebben Al Gore’s film An Inconvenient Truth en de rapportages van het IPCC hier aan bijgedragen.

Neerslag en wind vertonen van 2003 tot 2007 net als in andere periodes een grote variabiliteit. In de afgelopen vijf jaar zijn 2004 en 2007 nat geweest terwijl 2003 een droog jaar was, 2005 en 2006 waren gemiddeld. Extreme windsituaties hebben zich nauwelijks voorgedaan. Een uitschieter is de storm van 18 januari 2007. Die is met zijn windkracht 10 de enige zware storm in vijf jaar geweest.

Temperatuurstijging
Alle jaren van 2003 tot 2008 zijn ruim warmer geweest dan het langjarige gemiddelde van 9,8 °C. Drie ervan staan hoog in de lijst van warmste jaren sinds het begin van de regelmatige metingen in 1706 (tabel 1.1).
Tabel 1.1: Hoogste jaartemperatuur vanaf 1706 in De Bilt. De jaartemperatuur in De Bilt is representatief voor Nederland. Van 1706 tot 1900 zijn de gegevens herleid uit metingen in Zwanenburg en Utrecht.

Tabel 1.1: Hoogste jaartemperatuur vanaf 1706 in De Bilt. De jaartemperatuur in De Bilt is representatief voor Nederland. Van 1706 tot 1900 zijn de gegevens herleid uit metingen in Zwanenburg en Utrecht.

JaarTemperatuur (°C)
2007, 200611,2
2000, 1999, 199010,9
200210,8
2005, 1989, 177910,7
199410,6
2001, 1998, 199510,4
Als we de recente warmte in perspectief zetten (zie figuur 1.1), dan blijkt dat de gemiddelde temperaturen in Nederland in 2006 en 2007 vergelijkbaar zijn met het klimaat in midden-Frankrijk tegen het eind van de vorige eeuw. Dat gebied ligt ongeveer 600-800 kilometer zuidelijk van ons land.
Wereldwijd behoren de afgelopen vijf jaren bij de warmste in ruim een eeuw (tabel 1.2). Het decennium 1998-2007 was het warmste sinds tenminste 1850.

Tabel 1.2: Hoogste wereldgemiddelde jaartemperatuur vanaf 1901. Bron: Climate Research Unit, Universiteit van East Anglia.

JaarTemperatuurafwijking (°C) tov gemiddelde 1961-1990
19980,6
2005, 2003, 20020,5
2007, 2006, 20040,4
2001, 1997, 19950,4

Figuur 1.1: De jaargemiddelde temperatuur zoals die op Nederlandse stations in 2006 en 2007 werd geregistreerd was gelijk aan het langjarig gemiddelde (1961-1990) van de temperatuur van steden in Frankrijk, op een afstand van 600 tot 800 km zuidelijk van ons land.
Figuur 1.1: De jaargemiddelde temperatuur zoals die op Nederlandse stations in 2006 en 2007 werd geregistreerd was gelijk aan het langjarig gemiddelde (1961-1990) van de temperatuur van steden in Frankrijk, op een afstand van 600 tot 800 km zuidelijk van ons land.


box 1.1 Opvallende seizoenen
2006/2007: Record zachte winter
Met een gemiddelde temperatuur van 6,5 °C tegen een langjarig gemiddelde van 3,3 °C was deze winter de zachtste sinds het begin van de waarnemingen in 1706. Vooral het uitzonderlijk zachte karakter van januari viel op. Met een gemiddelde temperatuur van 7,1 °C tegen 2,8 °C normaal bleek ook deze maand de zachtste sinds 1706. IJsdagen kwamen in een groot deel van het land helemaal niet voor, het langjarige gemiddelde bedraagt acht. Het aantal vorstdagen kwam in De Bilt uit op vijftien tegen normaal 38. Vaak ging het slechts om een enkel graadje vorst. Regelmatig steeg de temperatuur tot 10 °C of hoger, in De Bilt op maar liefst 42 van de 90 winterdagen. Dat was niet eerder voorgekomen.
2007: Zachtste lente in tenminste drie eeuwen
Met in De Bilt een gemiddelde temperatuur van 11,7 °C tegen 8,9 °C normaal was de lente veruit de zachtste sinds tenminste het begin van de regelmatige waarnemingen in 1706. Vooral de uitzonderlijke warmte in april viel op, deze maand was met 13,1 °C vijf graden warmer dan normaal. De maand telde veertien warme en zeven zomerse dagen, beiden nieuwe records.
2003 en 2006: Zomers bij de warmste in 100 jaar


De zomer van 2003 voert samen met die van 1947 de lijst aan van warmste zomers sinds 1901. 2003 had een gemiddelde temperatuur van 18,6 °C, 1947 18,7 °C. De warmte hield lang aan. Dit komt tot uiting in het record aantal warme dagen dat werd opgetekend: 83. Daarnaast werden 40 zomerse en elf tropische dagen gemeten. Zelden heeft een zomer zo’n twee totaal verschillende gezichten laten zien als die van 2006. Juni en juli waren zeer zonnig, zeer droog en warm. Augustus echter was koel, zeer somber en record nat. Juli was de warmste kalendermaand in de complete meetreeks vanaf 1706. De warmte kwam in twee hittegolven. De tweede duurde maar liefst zestien dagen, waarmee deze hittegolf bij de langstdurende hittegolven na 1901 hoort (zie figuur 1.5). In totaal werden in De Bilt in juli de recordaantallen van 31 warme, 26 zomerse en 11 tropische dagen genoteerd. Uiteindelijk eindigde de zomer van 2006 op de derde plaats van warmste zomers in ruim een eeuw met een gemiddelde temperatuur van 18,5 °C.
2005 en 2006: Twee opeenvolgende herfstseizoenen uitzonderlijk zacht


De gemiddelde temperatuur over de herfst in 2005 was 12,0 °C tegen normaal 10,2 °C, de hoogste waarde sinds 1706. In 2007 werd dit record alweer gebroken, de herfst eindigde toen met een gemiddelde temperatuur van 13,6 °C. In 2005 werd het van 27 tot en met 31 oktober, plaatselijk in het noorden en midden van het land, nog twintig graden of meer. In 2006 werden tot laat in november maxima van boven de 15 °C gemeten. Dit zijn uitzonderlijke waarden voor de tijd van het jaar.


Verschillen per seizoen.
Figuur 1.2: Afwijking van de seizoens_ en jaargemiddelde temperatuur in De Bilt.
Figuur 1.2: Afwijking van de seizoens_ en jaargemiddelde temperatuur in De Bilt.
Om een goed beeld van de temperatuurontwikkeling in Nederland te krijgen, worden de seizoenen van voorbijgaande jaren met elkaar vergeleken. In figuur 1.2 wordt de temperatuurontwikkeling over de periode 1901-2007 geïllustreerd aan de hand van een kleurcodering. De seizoenen zijn ingedeeld in vijf klassen: veel kouder dan normaal, kouder dan normaal, normaal, warmer dan normaal, veel warmer dan normaal. Voor ieder jaar en elk seizoen zijn op deze manier de afwijkingen weergegeven ten opzichte van het langjarig gemiddelde in het tijdvak 1961-1990.


Met uitzondering van de winter van 2003 en 2006 en de herfst van 2003 en 2007 zijn alle seizoenen de afgelopen vijf jaar warmer dan normaal verlopen. De herfstseizoenen van 2005 en 2006, de winter en de lente van 2007 waren de warmste sinds tenminste 1706, het begin van de regelmatige waarnemingen in ons land. De zomer van 2003 was de warmste sinds 1947; die van 2006 eindigde op de derde plaats.

Het ligt voor de hand om te denken dat al deze warmte te maken heeft met het — door de mens veroorzaakte — versterkte broeikaseffect. Maar is dat ook zo? Passen deze warme episodes in Nederland bij het beeld dat de klimaatonderzoekers hebben van de mondiale opwarming? In het volgende hoofdstuk van deze rapportage kijken we daar naar en verdiepen we ons in de achtergronden van deze uitzonderlijke reeks van warme seizoenen.

box 1.2 Nationaal hitteplan
Aanhoudende hitte vormt een gezondheidsrisico voor bepaalde groepen zoals ouderen, chronisch zieken en mensen met overgewicht. Ze kunnen gezondheidsproblemen krijgen door de warmte, en de kwaliteit van hun leven gaat sterk achteruit.

Het nationaal hitteplan is er op gericht dit zoveel mogelijk te voorkomen en te verminderen. Het hitteplan is opgesteld in samenwerking tussen het Ministerie van VWS, het RIVM, het Nederlandse Rode Kruis, GGD-Nederland en het KNMI.

Het plan bevat een waaier van maatregelen die gericht zijn op de goede voorbereiding op en adequaat handelen tijdens een periode van aanhoudende hitte. Het KNMI waarschuwt het RIVM als er een tijdvak van vijf of meer dagen met een maximumtemperatuur van 27 °C of hoger wordt verwacht. Op basis van deze informatie kan het RIVM een alarmering in gang zetten. Er gaat een waarschuwing uit naar het publiek indien de kans op aanhoudende hitte meer dan 90% bedraagt. Er volgen daarna gedragsadviezen, gericht op de doelgroepen. Hierbij zijn veel spelers betrokken zoals GGD’s, huisartsen en de thuiszorg.

In het hitteplan wordt aangegeven dat in het kader van de klimaatverandering de komende jaren gekeken moet worden naar de mogelijkheden voor lange termijn maatregelen, zoals hittebestendig bouwen, klimaatbeheersing in zorginstellingen en de stedelijke inrichting.

Figuur 1.3: Het temperatuursverloop tijdens de hittegolf van 15 tot en met 30 juli 2006. Tijdens de nachten daalde de temperatuur op verschillende dagen slechts kort tot onder de 20 °C. De Vierdaagse van Nijmegen werd gehouden maar moest op 19 juli worden afgebroken. Het besluit volgde op de dood van twee wandelaars door de hitte. In totaal werden meer dan driehonderd mensen onwel. In vijf gevallen moest er worden gereanimeerd. Het Rode Kruis sprak van een ramp.
Figuur 1.3: Het temperatuursverloop tijdens de hittegolf van 15 tot en met 30 juli 2006. Tijdens de nachten daalde de temperatuur op verschillende dagen slechts kort tot onder de 20 °C. De Vierdaagse van Nijmegen werd gehouden maar moest op 19 juli worden afgebroken. Het besluit volgde op de dood van twee wandelaars door de hitte. In totaal werden meer dan driehonderd mensen onwel. In vijf gevallen moest er worden gereanimeerd. Het Rode Kruis sprak van een ramp.


Opwarming merkbaar
De bijzonder hoge temperaturen door het jaar heen hebben de afgelopen jaren geleid tot voor Nederland a-typische verschijnselen zoals stranddagen in april en terrasbezoek in februari. De opwarming is het meest tastbaar tijdens extreme gebeurtenissen, bijvoorbeeld tijdens een hittegolf (zie box 1.2). De periode van opwarming van Nederland is te kort om verschuivingen in extreme weersomstandigheden onomstotelijk te kunnen vaststellen. Om toch een indruk te krijgen kan worden gekeken naar de frequentie waarmee bijzonder maar niet extreem warme en koude dagen voorkomen - figuur 1.4. De opwarming gaat gepaard met een sterke toename van het aantal warme dagen en een afname van het aantal koude dagen. De rond 1975 ingezette stijging van het aantal warme dagen heeft zich over de afgelopen vijf jaar voortgezet. Vooral het extreem warme jaar 2006 scoort met 103 dagen bijzonder hoog.


Figuur 1.4: Het aantal warme en koude dagen per jaar in De Bilt, vanaf 1901. De rode en blauwe lijn geven het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar. Als grens voor warm en koud is voor elke kalenderdag gekozen voor de temperatuur die maar op 10% van die kalenderdag tussen 1961 en 1990 werd gepasseerd.
Figuur 1.4: Het aantal warme en koude dagen per jaar in De Bilt, vanaf 1901. De rode en blauwe lijn geven het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar. Als grens voor warm en koud is voor elke kalenderdag gekozen voor de temperatuur die maar op 10% van die kalenderdag tussen 1961 en 1990 werd gepasseerd.





De afname in het aantal graaddagen, als maat voor de behoefte aan huisverwarming, heeft zich de afgelopen vijf jaar ook onverminderd doorgezet (figuur 1.5). Het aantal graaddagen in 2007, met de extreem zachte winter, was met 2205 record laag.




Figuur 1.5: Het aantal graaddagen sinds 1901, De Bilt. De rode lijn is het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar. Om het aantal graaddagen vast te stellen wordt voor alle dagen waarop de gemiddelde temperatuur lager was dan 17 °C bekeken hoeveel graden de temperatuur lager was. Die afwijkingen worden bij elkaar opgeteld. Achterliggende gedachte is dat de verwarming pas wordt aangezet bij een temperatuur beneden de 17 °C en dat er meer moet worden gestookt bij een lagere temperatuur.
Figuur 1.5: Het aantal graaddagen sinds 1901, De Bilt. De rode lijn is het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar. Om het aantal graaddagen vast te stellen wordt voor alle dagen waarop de gemiddelde temperatuur lager was dan 17 °C bekeken hoeveel graden de temperatuur lager was. Die afwijkingen worden bij elkaar opgeteld. Achterliggende gedachte is dat de verwarming pas wordt aangezet bij een temperatuur beneden de 17 °C en dat er meer moet worden gestookt bij een lagere temperatuur.


box 1.3 Tropische en ijsdagen
Figuur 1.6+1.7: In de publieksvoorlichting wordt tijdens de winter vaak gesproken over ‘vorst- en ijsdagen’, en tijdens de zomer over ‘zomerse en tropische dagen’ (zie box meteorologisch taalgebruik). Uit de figuren wordt duidelijk dat zowel het aantal hoogzomerse als winterse dagen een grote variatie kennen van jaar tot jaar die samenhangt met de grilligheid van ons klimaat. De zomerse en winterse dagen laten een geleidelijke stijging, c.q. daling zien die significant is en ook samenhangt met de mondiale opwarming. [Data fig.1.6][Data fig.1.7]



Figuur 1.6 en 1.7: In de publieksvoorlichting wordt tijdens de winter vaak gesproken over ‘vorst- en ijsdagen’, en tijdens de zomer over ‘zomerse en tropische dagen’.
Figuur 1.6 en 1.7: In de publieksvoorlichting wordt tijdens de winter vaak gesproken over ‘vorst- en ijsdagen’, en tijdens de zomer over ‘zomerse en tropische dagen’.



Figuur: 1.7
Figuur: 1.7



Neerslag
De jaarlijkse hoeveelheid neerslag (figuur 1.8) is in Nederland de afgelopen eeuw toegenomen met achttien procent. Maar de neerslagsom kent een grote variabiliteit van jaar tot jaar. In de afgelopen vijf jaar waren 2007 en 2004 nat en 2003 was een droog jaar. In 2005 en 2006 week de neerslagsom gemiddeld over het land niet veel af van het langjarig gemiddelde.

Figuur 1.8: Jaarlijkse neerslag in Nederland (gemiddelde van 13 stations) tussen 1906 en 2007. De rode lijn toont het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar.
Figuur 1.8: Jaarlijkse neerslag in Nederland (gemiddelde van 13 stations) tussen 1906 en 2007. De rode lijn toont het voortschrijdend gemiddelde van 10 jaar.



De laatste jaren is er sprake van een groot aantal dagen met zware neerslag in Nederland (figuur 1.9). Dit is in lijn met de KNMI-klimaatscenario’s waarin een toename van de hevigheid van buien in de zomer wordt voorzien.



Figuur 1.9: Aantal dagen met zware neerslag (50 mm of meer) in de zomer in Nederland.
Figuur 1.9: Aantal dagen met zware neerslag (50 mm of meer) in de zomer in Nederland.




Uitzonderlijk natte maanden
Augustus 2006 (figuur 1.10) was, met gemiddeld over het land 184 millimeter neerslag tegen normaal 62 millimeter, de natste oogstmaand in honderd jaar. Op diverse stations werd deze maand de driehonderd millimeter overschreden. Het aantal dagen met zware regen waarbij op tenminste één KNMI-station vijftig millimeter werd afgetapt (elf dagen) is sinds 1951 niet zo hoog geweest. In Zeeuws-Vlaanderen viel aan het begin van de maand tot ruim honderddertig millimeter in twee etmalen. Een dergelijke hoeveelheid wordt op een bepaalde plaats in Nederland veel minder vaak dan eens per honderd jaar overschreden.

Figuur 1.10: Neerslag in augustus 2006.
Figuur 1.10: Neerslag in augustus 2006.





Juli 2007 (figuur 1.11) was de op één na natste julimaand sinds 1906 met landelijk gemiddeld 155 millimeter tegen 70 millimeter normaal. Op het KNMI-neerslagstation in Oudenbosch werd 267 millimeter afgetapt. Op vijf dagen viel lokaal tenminste vijftig millimeter neerslag met plaatselijke wateroverlast. De natste julimaand was overigens juli 1942 met 158 millimeter. De figuren 1.10 - 1.11 laten goed zien dat de meeste neerslag in die natte zomermaanden in de buurt van de kust viel. Dat komt door de invloed van het warme Noordzeewater. In het derde hoofdstuk van deze rapportage gaan we dieper in op dit kusteffect.
Figuur 1.11: Neerslag in juli 2007.
Figuur 1.11: Neerslag in juli 2007.



Langdurige droogte in 2003 & 2007
De zomer van 2003 was niet alleen uitzonderlijk warm maar ook zeer droog. In alle drie zomermaanden viel minder neerslag dan normaal. Gemiddeld over het land viel 119 millimeter neerslag tegen een langjarig gemiddelde van 202 millimeter. Van 1 tot en met 27 augustus viel er in een groot deel van het land geen of slechts enkele millimeters neerslag. Door het vaak zonnige en warme weer was de verdamping groot. De lokale droogte in combinatie met de uitzonderlijk lage afvoer van de grote rivieren leidde tot problemen voor onder meer de agrarische sector, het waterbeheer en energieproducenten (zie box 1.4).


box 1.4 Het stoplicht van de zomer van 2003
Joost Buntsma, Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wie kent niet de frase van Herman Finkers: “Het stoplicht staat op rood, het stoplicht staat op groen, in Almelo is altijd wat te doen.” Deze frase is misschien wel kenmerkend voor de aandacht die droge en warme zomerperiodes in het algemeen in de pers krijgen en die van 2003 in het bijzonder. Bij velen en zeker bij waterbeherend West-Nederland staat die zomer nog in het geheugen gegrift.

Elektriciteitsproducenten gebruikten voor het eerst de stoplichtmethode om bij hogere temperaturen van het rivierwater de omvang van hun reservecapaciteit en daarmee hun kwetsbaarheid aan te geven. Het bleef gelukkig uiteindelijk bij de code oranje, maar de schrik zat er toch wel in.

Een droog voorjaar met lage rivierafvoeren deed de zouttong bij Rotterdam tot aan Gouda de rivier opkruipen. Voor het peilbeheer op de Rijnlandse boezem was het hoogheemraadschap gedwongen dit ‘zoute’ water in te laten en uiteindelijk zelfs water via Amstellandsboezem vanuit het IJmeer aan te voeren. Kort nadat de wateraanvoerroute in werking werd gezet, begon het te regenen. En als klap op de vuurpijl verschoof de boezemveendijk bij Wilnis op de vooravond van een debat in de Tweede Kamer, gevolgd door een tweede veendijk bij Rotterdam. Een uitgebreide inspectieactie van de waterschappen moest erger voorkomen. Terugkijkend kun je je afvragen of de commotie in die zomer wel de ernst van de situatie goed weergaf. De droogte van die zomer was met haar frequentie van voorkomen namelijk achteraf niet eens zo exceptioneel (zie het hoofdstuk over droogte). Maar die vraag is eigenlijk niet zo heel erg belangrijk. Veel belangrijker is het besef dat die bijzondere zomer van toen wel eens de gewone zomer van straks kan zijn. Terugkijken is altijd makkelijker dan vooruitkijken, en dat laatste is toch wat de inwoners van Nederland van hun waterbeheerders vragen.

Figuur 1.12: In Wilnis schoof in de zomer van 2003 als gevolg van verdroging een veendijk af, met grote wateroverlast in een woonwijk als gevolg. De kaart toont de ruimtelijke verdeling van het neerslagtekort op 26 augustus. De positie van Wilnis is aangegeven; met een neerslagtekort van ruim 250 mm lag de Veendijk in één van de droogste regio’s.
Figuur 1.12: In Wilnis schoof in de zomer van 2003 als gevolg van verdroging een veendijk af, met grote wateroverlast in een woonwijk als gevolg. De kaart toont de ruimtelijke verdeling van het neerslagtekort op 26 augustus. De positie van Wilnis is aangegeven; met een neerslagtekort van ruim 250 mm lag de Veendijk in één van de droogste regio’s.


Het warme voorjaar van 2007 kende ook een lang, zeer droog tijdvak. Tussen 22 maart en 6 mei viel op veel plaatsen gedurende 46 dagen geen neerslag. De lange duur van de droogte was uniek in tenminste de laatste honderd jaar. Het gebrek aan neerslag in combinatie met veel verdamping door het vaak zonnige en (zeer) warme weer leidde tot een voor de tijd van het jaar uitzonderlijk groot neerslagtekort.

In het derde hoofdstuk van deze rapportage gaan we dieper in op dat begrip ‘neerslagtekort’ en zetten we de droge periodes van de afgelopen jaren in perspectief.

Wind
Ondanks de grote jaar-op-jaar variabiliteit van de wind in Nederland is er sprake van een lichte daling van de gemiddelde windsterkte. Hoeveel wind er daadwerkelijk beschikbaar is voor het opwekken van energie met windmolens wordt bijgehouden met de zogeheten ‘Windex’ (zie box 1.5). Ook in die Windex zien we de grote variabiliteit van de wind en een lichte daling de afgelopen jaren.
Nederland is te klein en de meetreeksen zijn te kort om veranderingen in het aantal zware stormen bij ons vast te kunnen stellen. Daarvoor komen ze te weinig voor. Maar volgens metingen op KNMI-stations sinds 1962 neemt het aantal periodes met sterke wind (vanaf windkracht 6 in het binnenland en vanaf windkracht 7 aan de kust) in Nederland af (figuur 1.13).

Het huidige aantal stormen per jaar in Nederland (Bron: KNMI)
Het hudige aantal stormen per jaar in Nederland (Bron: KNMI)



De storm van 18 januari 2007 was de enige zware storm in vijf jaar. Langs vrijwel de hele kust stond geruime tijd een windkracht 10. Tijdens de storm viel bovendien bijzonder veel neerslag; op veel plaatsen 50 tot 60 millimeter in 36 uur. Er waren zeven doden in ons land te betreuren en er werd voor ruim tweehonderd miljoen euro schade aangericht.

Box 1.5 Energie uit wind: Windex
Jaap Langenbach, Wind Service Nederland
De zwarte lijn in onderstaande figuur toont de jaargemiddelde Windex over de afgelopen twintig jaar. De Windex is een wind index die per maand aangeeft hoe groot de energie-inhoud van de wind was ten opzichte van een langjarig gemiddelde maand. De berekening van de Windex is mogelijk dankzij de maandelijkse aanlevering van molenproducties door vele tientallen moleneigenaren. Vanaf januari ‘96 wordt de Windex voor Nederland berekend aan de hand van de productie van windturbines die deelnemen aan de statistieken in “De Wind-Maand” (zie externe links).

De Windex is recht evenredig met de elektriciteitsproductie van een windturbine. Met de Windex kan na een relatief korte periode van 3 - 6 maanden o.a. berekend worden wat de gemiddelde jaarproductie van een nieuwe windturbine zal worden.

De energie-inhoud van de wind is evenredig met de derde macht van de windsnelheid. Dat wil zeggen, dat als de wind b.v. twee keer zo hard gaat waaien er acht keer zoveel energie uit kan worden gewonnen. Hoewel het KNMI concludeert dat er de afgelopen vijf jaren een nauwelijks significante afname in windsnelheid zit, is de dalende trend in de gemiddelde Windex (rode lijn hieronder) van grote betekenis voor windturbineeigenaren! De trend laat een daling van de kWh-productie van ruim 20% sinds 1988 zien.



Figuur 1.14: De windex.
Figuur 1.14: De windex.