 |
 |
 |
 |
Toestand van het klimaat 2003
Nederland is verder opgewarmd
De toestand van het klimaat in Nederland 2003
31 december 2003
Albert Klein Tank en Rob Sluijter (KNMI)
De jaren 1990, 1999 en 2000 voeren de lijst aan van warme jaren sinds 1901. Direct daarna volgt het jaar 2002. De opwarming van het Nederlandse klimaat, die het KNMI constateerde in 'De toestand van het klimaat in Nederland 1999', zet daarmee onverminderd door.
De verhoogde temperaturen hebben gevolgen voor de natuur en de samenleving. Deels in samenhang met het warmere weer neemt ook de hoeveelheid neerslag toe: van 1999 tot en met 2002 was het natter dan normaal. Het aantal stormen per jaar is de laatste decennia afgenomen.
De toestand van het klimaat in Nederland 2003
De gemiddelde jaartemperatuur is de laatste jaren hoger dan in het verleden. In 'De toestand van het klimaat in Nederland 1999' werd door het KNMI al een opwarming geconstateerd. De jaren na 1998 versterken dat beeld: ze zijn alle beland in de hoogste regionen van de reeks van warme jaren sinds 1901.
Tabel 1: Tien hoogste jaartemperaturen vanaf 1901 in De Bilt. De jaartemperatuur in De Bilt is representatief voor Nederland.
| Jaar | Temperatuur [°C] | | 2000,1999,1990 | 10,9 | | 2002 | 10,8 | | 1998 | 10,7 | | 1994 | 10,6 | | 1992 | 10,5 | | 2001,1998,1995 | 10,4 |
Hetzelfde beeld komt naar voren uit een overzicht van de hoogste wereldgemiddelde jaartemperaturen. Ook hier staan de recente jaren in de top-10 van de hoogste wereldgemiddelde temperaturen vanaf 1901.
Tabel 2: Tien hoogste wereldgemiddelde jaartemperaturen vanaf 1901. Bron: Climatic Research Unit, Universiteit van East Anglia
| Jaar | Temperatuurafwijking [°C]t.o.v. gemiddelde 1961-1990 | | 1998 | 0,6 | | 2002 | 0,5 | | 2001,1997,1995 | 0,4 | | 2000,1999,1994,1990 | 0,3 | In hoofdstuk 2 wordt bekeken hoe het verloop van de temperatuur in Nederland samenhangt met de ontwikkeling van de wereldgemiddelde temperatuur.
Opwarming per seizoen Als de temperaturen in Nederland worden uitgesplitst naar de vier seizoenen, dan blijkt dat niet ieder seizoen in gelijke mate heeft bijgedragen aan de hoge jaartemperaturen van de laatste decennia. In figuur 1.1 wordt de temperatuurontwikkeling in de loop van de 20e eeuw te De Bilt geïllustreerd aan de hand van een kleurcodering. Voor ieder jaar en seizoen zijn de afwijkingen weergegeven ten opzichte van het langjarig gemiddelde in het tijdvak 1961-1990.
Figuur 1.1 Afwijking van de seizoens- en jaargemiddelde temperaturen in De Bilt.
Afhankelijk van de grootte van de afwijking zijn daarbij de seizoenen ingedeeld in vijf klassen (veel kouder dan normaal, kouder dan normaal, normaal, warmer dan normaal, veel warmer dan normaal). De klassengrenzen zijn zo gekozen dat tussen 1961 en 1990 alle categorieën in gelijke mate voorkomen. Hier en elders in dit rapport worden de zogenaamde meteorologische seizoenen gehanteerd: december-januari-februari vormen de winter, maart-april-mei de lente, juni-juli-augustus de zomer en september-oktober-november de herfst.
De figuur laat zien dat alle seizoenen in de afgelopen vier jaar (veel) warmer waren dan normaal, met uitzondering van de zomer van 2000 die normaal verliep. Met name de lentes springen er uit met 15 keer achter elkaar 'veel warmer dan normaal', slechts onderbroken door de lente van 1996 die kouder dan normaal verliep. De figuur toont ook dat er geen volledige regelmaat
De conclusie is dat de jaargemiddelde temperatuur in De Bilt de laatste decennia ondubbelzinnig een opwarming laat zien. De stijging van de jaartemperaturen is vooral toe te schrijven aan de winters en de lentes. In hoofdstuk 2 en 3 wordt hier verder op ingegaan. De herfst vertoont de laatste paar jaar recordtemperaturen, maar er is geen sprake van een duidelijke trend.
Wat betekent de opwarming? De hogere temperaturen in Nederland hebben gevolgen voor de natuur en de samenleving. Om daar meer inzicht in te krijgen bekijken we hier de veranderingen vanuit dat perspectief. De betekenis van de opwarming voor de natuur kan tot uitdrukking worden gebracht door te kijken naar de lengte van het groeiseizoen.
Meteorologen verstaan onder de lengte van het groeiseizoen: het aantal dagen per jaar tussen de eerste periode na 1 januari van 6 dagen van meer dan 5°C en de eerste periode na 1 juli van 6 dagen van minder dan 5°C. In de praktijk sluit deze definitie goed aan bij waarnemingen in de natuur. In 2002 begon het groeiseizoen volgens deze definitie op 21 januari en eindigde op 8 december; in totaal 321 dagen. Figuur 1.2 geeft de lengte van het meteorologische groeiseizoen in De Bilt vanaf het jaar 1901. Het verloop vertoont een duidelijke trend, die wijst op een verlenging van het groeiseizoen in de loop van de 20e eeuw met ongeveer 25 dagen.
Box: Natuur ontwaakt eerder De stijging van de temperatuur in Nederland heeft directe gevolgen voor het moment waarop allerlei processen zich in de natuur voordoen. Het begin van bloei, bladontplooiing en bladval maar ook het moment waarop vlinders gaan vliegen en vogels gaan broeden wordt sterk bepaald door het weer. De hoge temperaturen in de winter en het voorjaar in de afgelopen jaren resulteerden in een zeer vroege start van het groeiseizoen.
Uit waarnemingen in het kader van De Natuurkalender(zie externe links) wordt duidelijk dat de bloei van een groot aantal planten in 2002 wel drie tot meer dan vier weken vroeger is begonnen dan in de jaren 40, 50 en 60 van de vorige eeuw. Hierbij gaat het om planten als het maarts viooltje, brem, speenkruid en fluitenkruid. De vervroeging is in overeenstemming met de toename van de lengte van het meteorologische groeiseizoen. Ook veel vlindersoorten (bijvoorbeeld: bont zandoogje, klein koolwitje en landkaartje) kwamen veel eerder tevoorschijn dan men normaal gesproken zou verwachten.
Arnold van Vliet Wageningen Universiteit
Figuur 1.2 De lengte van het meteorologische groeiseizoen in de loop van de 20e eeuw. De rode lijn is het gemiddelde van 10 jaar.
De betekenis van de temperatuurstijging voor de samenleving blijkt onder meer uit de verandering in de behoefte aan huisverwarming. De invloed van het weer op die behoefte kan tot uitdrukking worden gebracht aan de hand van het begrip graaddagen.
Om het aantal graaddagen per jaar vast te stellen wordt voor alle dagen waarop de gemiddelde temperatuur lager was dan 17°C bekeken hoeveel graden de temperatuur lager was. Die afwijkingen bij elkaar opgeteld geeft het aantal graaddagen (voorbeeld: een dagtemperatuur van 14°C draagt 3 bij, een dagtemperatuur van -3°C draagt 20 bij, enzovoorts). Het achterliggende idee is dat de verwarming pas wordt aangezet bij een buitentemperatuur beneden de 17°C en dat er meer moet worden gestookt naarmate het kouder is. De figuur geeft het verloop van het aantal graaddagen per jaar in de loop van de 20e eeuw.
Figuur 1.3 Het aantal graaddagen in de loop van de 20e eeuw. De rode lijn is het gemiddelde van 10 jaar.
Ook hier zien we een duidelijke trend die suggereert dat de behoefte aan verwarming aan het afnemen is. Dat betekent niet automatisch dat het energieverbruik zal dalen omdat allerlei factoren, zoals bijvoorbeeld een toename van het aantal airconditioners, hier een rol spelen.
Box: Verlaging aardgasafzet? Gasunie Trade & Supply is betrokken bij een groot deel van de in- en verkoop van aardgas in Nederland. Bij de planning van de gasinkoop en -afzet maakt de Gasunie gebruik van temperatuurreeksen van het KNMI. Voor de winterperiodes gebeurt dit op basis van historische reeksen voor de gemiddelde etmaaltemperatuur en windsnelheid te De Bilt. Hiermee worden schattingen gemaakt van de gasafzet in gemiddelde en koude winters. Deze schattingen bepalen welke maatregelen nodig zijn om ook op de langere termijn in de dagelijkse vraag naar aardgas te kunnen voorzien. Dit heeft onder meer geleid tot de bouw van ondergrondse gasbergingen bij Norg en Grijpskerk.
Recent is ook onderzoek gedaan naar de effecten van klimaatverandering op de jaarlijks af te zetten gashoeveelheden. Uit een Gasunie-studie gebaseerd op cijfers van het KNMI blijkt dat de huidige opwarming in Nederland over 5 jaar waarschijnlijk geleid heeft tot een daling van de aardgasafzet met 1%. Ontwikkelingen van sociaal-economische en technische aard maken het lastig dat effect ook daadwerkelijk vast te stellen.
Jarig Steringa Gasunie
De ontwikkelingen in de lengte van het groeiseizoen en het aantal graaddagen hangen samen met trends in de gemiddelde temperatuur. Maatschappelijk gezien zijn ontwikkelingen in extreme temperaturen van minstens even groot belang: een hittegolf of een periode van extreme kou heeft onmiddellijk grote gevolgen voor iedereen. Extreme gebeurtenissen zijn uit de aard der zaak zeldzaam. De periode van de opwarming van Nederland is te kort om verschuivingen in extreme weersomstandigheden onomstotelijk te kunnen vaststellen. Om toch een indruk te krijgen kan worden gekeken naar de frequentie waarmee bijzonder maar niet extreem warme en koude dagen voorkomen.
In ons klimaat komen de koudste dagen van het jaar bijna altijd voor in de winter en de warmste in de zomer. Dat maakt die dagen nog niet extreem. Pas als ze veel kouder of warmer zijn dan normaal voor het seizoen horen ze bij de extremen. Om het aantal extreme dagen vast te stellen moet dus worden gekeken naar de dagen die bijzonder koud of warm zijn voor de tijd van het jaar.
Figuur 1.4 Het aantal relatief koude en warme dagen in de loop de 20e eeuw.
Figuur 1.4 geeft het resultaat van de telling gebaseerd op de temperatuur in De Bilt. Als grens voor koud en warm is voor elke kalenderdag gekozen voor de temperatuur die maar op 10% van de dagen tussen 1961 en 1990 werd gepasseerd. De bovenste figuur toont het aantal dagen per jaar waarop het erg koud was voor de tijd van het jaar, de onderste figuur het aantal dagen per jaar waarop het erg warm was voor de tijd van het jaar.
In tegenstelling tot wat misschien zou kunnen worden verwacht, verlopen de veranderingen in het aantal koude en warme extremen per jaar niet precies tegengesteld. De grafiek van de koude dagen laat een geleidelijke afname zien, maar uit de onderste grafiek blijkt dat er sprake is van een sterke toename van het aantal warme dagen, die zich vanaf ±1975 heeft voltrokken. De sterke opwarming van de afgelopen decennia gaat dus vooral gepaard met een sterke toename van het aantal warme dagen en in mindere mate met een afname van het aantal koude dagen.
Neerslag Vanaf 1901 is er sprake van een toename van de gemiddelde neerslag over het land in het winterhalfjaar (oktober tot maart). In het zomerhalfjaar is de neerslaghoeveelheid niet veranderd. Nederland loopt daarmee in de pas met de noordelijke helft van Europa. De afgelopen vier winters waren natter dan normaal. Daarnaast kenden 2001 en 2002 natte zomers. Meer nog dan bij temperatuur zijn bij neerslag vooral de extremen van belang. De wateroverlast in Midden-Europa in de zomer van 2002 heeft dat opnieuw duidelijk gemaakt. Ook in ons land gaf intensieve regenval in de afgelopen jaren wateroverlast. Soms ging de neerslag gepaard met windstoten of hagel die de schade verergerden. Het is vanwege het grillige karakter niet eenvoudig verschuivingen in dergelijke extremen vast te stellen. Zware zomerse buien zijn zeer plaatselijk en geven vooral problemen op de weg of in het stedelijk gebied. Ze verschillen totaal van karakter met de neerslag die in de winter vooral in landelijk gebied tot wateroverlast leidt. In de winter speelt met name de omvang van het getroffen gebied een rol.
Box: Wet Tegemoetkoming Schade Zeer zware regenval op 13 en 14 september 1998 zette grote delen van Nederland onder water. Delen van Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg kwamen blank te staan. Storm en regen op 27 en 28 oktober zorgden anderhalve maand later voor grote wateroverlast in het noorden en oosten van het land.
Schade als gevolg van extreme neerslag was toen niet verzekerbaar. Voor deze twee situaties is door het Kabinet de Wet Tegemoetkoming Schade (WTS) bij rampen en zware ongevallen van toepassing verklaard. Deze wet wordt uitgevoerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Ook trad de regeling Oogstschade in werking, die wordt uitgevoerd door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
De WTS wordt van toepassing verklaard als er sprake is van een ramp van uitzonderlijk karakter, die een gecoördineerde inzet van alle hulpverleningsdiensten noodzakelijk maakt en die leidt tot maatschappelijke ontwrichting en grote materiële schade.
Als gevolg van de twee gebeurtenissen van 1998 werden er door bedrijven, decentrale overheden en particulieren 17.000 schademeldingen ingediend. In het kader van de WTS werd door het Rijk circa 290 miljoen euro uitgekeerd als schadecompensatie.
De afgelopen vier jaren hebben zich opnieuw situaties voorgedaan waarbij schade is geleden als gevolg van extreme neerslag. Voorbeelden daarvan zijn de drie gebeurtenissen in het Westland. Er is toen veel overlast ontstaan en er werd vele tientallen miljoenen euro s aan materiële schade geleden. Aangezien het ging om zeer plaatselijke gebeurtenissen is de WTS hierop niet van toepassing verklaard.
Rond de jaarwisseling 2002/2003 steeg door zware regenval de Maas in Limburg tot een verontrustend hoog peil. Met name delen van de gemeente Venlo worden getroffen door ernstige wateroverlast als gevolg van de doorbraak van een kade. De schade is geschat op circa 3 mln euro. De WTS is hierop wel van toepassing verklaard.
Sinds 2001 is alle schade aan opstalen inboedel als gevolg van hevige plaatselijke regenval verzekerbaar voor zowel particulieren als bedrijven. Daarnaast is een principeakkoord bereikt tussen het Kabinet en de Land en Tuinbouworganisatie (lto) over de opzet van een oogstschadeverzekering.
Onder hevige plaatselijke regenval wordt verstaan extreme neerslag van ten minste 40 mm in 24 uur, 53 mm in 48 uur of 67 mm in 72 uur, op en/of nabij de locatie waar de schade is ontstaan. In beide verzekeringsvoorwaarden wordt het risico van dijkdoorbraak, overstroming vanuit zee en van rivieroverstromingen als gevolg van neerslag in het buitenland nadrukkelijk uitgesloten. Voor deze onverzekerbare risico s blijft gelden dat de WTS van toepassing kan worden verklaard.
Nils Ligthart Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Figuur 1.5 Aantal dagen met extreme neerslag in Nederland.
Figuur 1.5 laat voor de jaren na 1950 het aantal keren zien dat op een zomerdag (juni, juli en augustus) ergens in Nederland een neerslaghoeveelheid van meer dan 50 mm is gemeten. Daarbij is uitgegaan van het landelijke KNMI-netwerk van 325 neerslagstations. De jaren 2001 en 2002 springen in het oog, met de hoogste score van 12 tegen 5 gemiddeld. Een duidelijke trend is evenwel niet waarneembaar. De figuur zegt niets over de ruimtelijke uitgestrektheid van de neerslaggebeurtenis.
Extreme neerslag in het Westland In de afgelopen vier jaar werd het Westland drie keer getroffen door wateroverlast ten gevolge van overvloedige regenval. Deze overlast vond telkens in het najaar plaats. De zee is dan nog relatief warm waardoor de kans op zware buien in het kustgebied groot is. Op 4 oktober 1999 en op 8 tot 10 november 2000 was sprake van een zeer koude bovenlucht waardoor boven het warme zeewater voor de kust zware buien ontstonden die vervolgens het land binnentrokken. Op 19 september 2001 werd de neerslag veroorzaakt door een depressie die vanuit het noorden het land binnentrok om vervolgens tot stilstand te komen. De kaarten in figuur 1.6 geven de verdeling van de neerslag over Nederland weer op de drie genoemde data.
Figuur 1.6 Neerslagverdeling over Nederland in drie extreme situaties.
September 2001 was in grote delen van Nederland uitzonderlijk nat. In De Bilt werd 211 mm opgevangen tegen 72 mm normaal. Daarmee kwam deze maand op de tweede plaats in de rij van natste septembermaanden sinds 1901 (september 1957 staat op de eerste plaats met 213 mm). Op een flink aantal plaatsen, met name in een brede strook tussen Zeeland en Groningen, viel meer dan 200 mm neerslag. Het natst was het in Zuid-Holland. In Hoek van Holland werd 289 mm afgetapt, ongeveer 35% van de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid.
De drie voorbeelden uit het Westland illustreren de gevolgen van extreme regenval op de lokale en regionale waterhuishouding. Hoewel de gevolgen vergelijkbaar zijn (grote wateroverlast) zijn de meteorologische omstandigheden en de grootte van het getroffen gebied telkens zo verschillend dat de voorvallen zich niet laten rangschikken van minst tot meest uitzonderlijk.
Grootschalige wateroverlast is dermate zeldzaam, dat de korte meetreeksen van de neerslag waarover we beschikken geen mogelijkheid bieden om duidelijke trends te herkennen. Om, ondanks het grillige karakter van extreme neerslag, toch inzicht te krijgen in mogelijke verschuivingen kan worden gekeken naar gebeurtenissen die wel bijzonder maar niet extreem zijn. Dan blijkt dat sprake is van een toename van de bijdrage van de natste dagen aan de totale neerslaghoeveelheid, in de loop van de 20e eeuw.
De waargenomen toename in de gemiddelde neerslag en de verschuiving naar meer dagen met veel regen maken het zeer aannemelijk dat de extreme neerslag ook is toegenomen.
De stormen uit 2000 en 2002 De afgelopen vier jaar is Nederland vier maal getroffen door een zware storm (dat wil zeggen op tenminste 1 landstation een uurgemiddelde windsnelheden van 88 km per uur, windkracht 10, of meer). Meteorologisch gezien was de storm van 28 mei 2000 het meest uitzonderlijk, omdat hij buiten het stormseizoen viel dat van oktober tot en met maart loopt. In de aanloop naar deze storm bevond zich boven Nederland een sterke straalstroom. In deze straalstroom trok een uitdiepende depressie langs de kust naar het noordoosten. Er was die meidag sprake van een zware zuidwest- tot westerstorm, uniek zo laat in het voorjaar. In Vlissingen en IJmuiden liepen de uurgemiddelde snelheden op tot 90 km per uur. In het hele land brachten zeer zware windstoten, met snelheden tot circa 90-110 km per uur, veel schade toe aan gebouwen en bomen. De bomen waren extra kwetsbaar omdat ze volledig in blad stonden en dus meer wind vingen. De storm eiste in Nederland drie mensenlevens.
In de nacht van 29 op 30 oktober 2000 ontstond langs de kust een zware zuidwesterstorm onder invloed van een zeer diepe depressie ten noorden van Schotland. In IJmuiden liep de uurgemiddelde windsnelheid op tot 94 km per uur. Tot diep in het binnenland traden windstoten op met snelheden tot 85 km per uur, in de kustprovincies oplopend tot 125 km per uur.
Op 26 februari 2002 trok een actieve storing van het zuidwesten van Ierland over het midden van de Noordzee naar Denemarken. Op de Waddenzee stond een zware storm met uurgemiddelde windsnelheden tot 90 km per uur. In het hele land kwamen zeer zware windstoten voor.
Op 27 oktober 2002 trok een zware storm over de kustprovincies. Het hele land ondervond zeer zware windstoten, van 100 tot 125 km per uur. De storm eiste vier mensenlevens, richtte grote schade aan en ontwrichtte het openbare leven. Gemiddeld over het land was dit de zwaarste storm sinds 25 januari 1990.
De zwaarste stormen treden op in het winterhalfjaar. De bovengenoemde stormen van oktober 2000, februari 2002 en oktober 2002 waren voor de tijd van het jaar niet uniek. De storm van 28 mei 2000 is meteorologische gezien wel een uitschieter. Het is tot nu toe de zwaarste storm van alle stormen buiten het winterhalfjaar.
Men kan zich afvragen of de kans op stormen in Nederland in samenhang met de opwarming aan het veranderen is. In eerdere publicaties van het KNMI werd die vraag ontkennend beantwoord. Daarbij werd steeds uitgegaan van indirecte gegevens (drukmetingen). Recentelijk zijn de directe metingen van de windsnelheden geschikt gemaakt voor onderlinge vergelijking over langere perioden.
Figuur 1.7 Het aantal stormen per jaar in Nederland.
Figuur 1.7 geeft vanaf 1962 het aantal stormen per jaar, uitgaande van metingen op 13 plaatsen verspreid over het land. Het aantal stormen wordt verkregen door eerst de gebeurtenissen te selecteren waarbij op minimaal 7 van de 13 plaatsen een piek in de windsnelheid is gemeten. Deze gebeurtenissen worden vervolgens gerangschikt door te kijken naar de uitzonderlijkheid van die pieken. De figuur laat zien hoe de 700 meest uitzonderlijke gebeurtenissen zijn verdeeld over de afgelopen 41 jaar. Door stormen op deze manier te selecteren wordt voorkomen dat uitsluitend de hoge windsnelheden worden geteld die pal aan de kust optreden. Tevens wordt voorkomen dat zeer plaatselijke gebeurtenissen worden meegenomen. De gebruikte telling is daarmee beter in overeenstemming met de gevolgen van de storm. De windsnelheid die hoort bij de getelde stormen ligt, afhankelijk van de plaats in het land boven de 11 tot 16 m/s, hetgeen overeenkomt met een windkracht vanaf 6 à 7. Als in plaats van 700 naar bijvoorbeeld de 500 of 300 meest uitzonderlijke gebeurtenissen wordt gekeken, verandert dit beeld niet. De grafiek laat zien dat het aantal stormen in Nederland de afgelopen 41 jaar geleidelijk is afgenomen.
Eerste uitgave:
31-12-03
|
 |
|
|