De toestand van het klimaat in Nederland 1999
Om uit het mondiale klimaat de klimaatverandering van Nederland af te schatten, is inzicht nodig in de respons van ons locale klimaat op veranderingen van het wereldklimaat. Zoals reeds in de vorige klimaatrapportage beschreven, is dit inzicht thans onvoldoende om met goed onderbouwde uitspraken te komen. Wel is het mogelijk om onder plausibele aannamen een mogelijke realisatie te schetsen van het toekomstig Nederlandse klimaat, die als werkhypothese kan dienen om effecten van klimaatverandering af te schatten. Daar de aannamen waarop de uitspraken berusten niet bewijsbaar zijn, spreekt men niet van een voorspelling of van een verwachting, maar van een klimaatscenario.

Sinds de publicatie van de vorige KNMI klimaatrapportage in 1996 is geen nieuw IPCC rapport over klimaatverandering verschenen. In grote lijnen is de gangbare verwachting nog steeds van kracht: bij voortschrijdende uitstoot van broeikasgassen is in 2100 de wereldtemperatuur met 1 tot 3.5° C gestegen, de wereldgemiddelde neerslag met enkele procenten toegenomen en de zeespiegel met 15 tot 95 cm gestegen. Een scenario voor Nederland dat hier uit volgt, bestaat uit: een vergelijkbare temperatuurstijging met verkorting van de duur van strenge winters; een in de winter geconcentreerde toename van de jaarneerslag met enkele procenten per graad stijging; een toename van de neerslagintensiteit per zomerbui en van de neerslagintensiteit in situaties van langdurige hevige winterneerslag, beide met ongeveer 10% per graad stijging. De uitgangspunten voor het formuleren van deze uitspraak zijn beschreven in de vorige klimaatrapportage en worden hier niet herhaald.

De IPCC verwachtingen berusten op schattingen van uitstoot van broeikasgassen en aerosolen in de toekomst, zoals die plaats zouden kunnen vinden als die niet door gerichte beleidsmaatregelen zou worden beperkt. Zoals beschreven in hoofdstuk 4, zijn eind 1997 in Kyoto internationaal afspraken gemaakt om de uitstoot van de geïndustrialiseerde landen tot het jaar 2010 te beperken. Op dit moment zijn die afspraken nog niet van kracht. Mochten ze van kracht worden, dan heeft dat gevolgen voor het klimaatscenario. Indien we er de volgende eeuw ook ná 2010 in zouden slagen de uitstoot binnen de 'Safe Landing Corridor' te houden, dan zou dat de bovengrens van de verwachte stijging van de wereldgemiddelde temperatuur tot 2100 naar schatting met een graad omlaag kunnen brengen.

Gezien de onzekerheden die het klimaatscenario voor Nederland bevat, vormt dit gegeven geen aanleiding om het temperatuurscenario bij te stellen. Dit geldt al helemaal niet voor het scenario voor neerslag, dat direct gekoppeld is aan het temperatuurscenario.

Zijn er dan helemaal geen redenen om het klimaatscenario aan te scherpen of wellicht de marges hierin verder te vergroten? Jawel, maar die komen voort uit de toegenomen kennis van klimaatvariabiliteit. Hoofdstuk 2 draagt hiervoor de elementen aan. De laatste twee decennia was Nederland ongebruikelijk warm: in de winter bijna een graad meer dan voorheen. Dit verschijnsel is terug te voeren op een ongewone persistentie van de positieve fase van de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO). Op dit moment ontbreken steekhoudende argumenten om dit langdurig aanhouden van de positieve NAO met enige zekerheid toe te schrijven aan de toegenomen wereldtemperatuur van de 20e eeuw of aan de sterkte van het broeikaseffect tot nu toe. Ofschoon de mogelijkheid openblijft dat het broeikaseffect toch een kleine bijdrage aan het verschijnsel heeft geleverd, moet vooralsnog de NAO-fluctuatie van de laatste twee decennia primair worden opgevat als een gevolg van natuurlijke variabiliteit. Hiervan uitgaande mag worden verwacht dat de NAO op termijn terug zal keren naar zijn normale fase.

Dit betekent dan voor Nederland dat begin 21e eeuw de wintertemperatuur zal dalen ten opzichte van nu. Voor het effect van het broeikaseffect op het klimaat van Nederland van de 21e eeuw kan vooralsnog het eerder gegeven scenario als werkhypothese worden gehanteerd. Het wordt echter mogelijk geacht dat op termijn ook de NAO onder invloed van het broeikaseffect zal veranderen, al is er onduidelijkheid in welke richting dit zal gaan. Zou een Duitse studie juist zijn die een positieve trend in de NAO index verwacht, dan zou dat gezien over de 21e eeuw tot een extra temperatuurstijging in Nederland leiden. Daar het effect van de NAO zich vooral manifesteert in de winters, zou dit betekenen dat de Nederlandse winter een snellere klimaatverandering zal kennen dan de zomer.

Met nadruk moet vermeld worden dat de bovenstaande aanscherping van het toekomstscenario van het Nederlandse klimaat ­ een tijdelijke terugval van wintertemperatuur, mogelijk gevolgd door een sterkere stijging dan voorheen gedacht ­ de onzekerheid in de uitspraak niet wezenlijk verkleint. Het NAO-patroon is slechts één facet van de atmosferische circulatie en zelfs voor dit patroon is onduidelijkheid in welke richting de beïnvloeding door het broeikaseffect zal gaan. Daarnaast blijft onvoldoende bekend met welke wijzigingen in atmosferische circulatie het broeikaseffect verder gepaard kan gaan en of er misschien zelfs al dan niet tijdelijke wijzigingen in oceaancirculatie zouden kunnen plaatsvinden met een koelend effect van enkele graden op ons klimaat. Daarom heeft het geschetste beeld geen andere status dan het vorige: het is plausibel, bruikbaar als werkhypothese, geformuleerd naar beste weten volgens de fragmentarische kennis van nu, maar in de toekomst ongetwijfeld onderhevig aan veranderingen.