De toestand van het klimaat in Nederland 1996
De mate van wisselvalligheid van dit transport op een bepaalde plaats weerspiegelt zich in de wisselvalligheid van het 'weer' ter plekke. Klimaat is het gemiddelde weer op een bepaalde plek inclusief zijn variabiliteit. Het is de afspiegeling van de hoeveelheid zonne-instraling, de grootschalige stroming in atmosfeer en oceanen, hun onderlinge wisselwerking, de wisselwerking van de luchtstromingen met het landoppervlak en de uitwisseling van vocht tussen atmosfeer, land en oceaan.

Zo vinden wij een warm, vochtig en gelijkmatig klimaat in de tropen, omdat de zon er overvloedig schijnt en voortdurend warme lucht, aangezogen uit de subtropen, verder verwarmt en doet opstijgen zodat condensatieprocessen hierin op gang komen, en uiteindelijk de opgestegen lucht via de hoge luchtlagen weer naar de subtropen terug doet stromen. Daarentegen is er een wisselvallig en winderig klimaat op onze breedten, doordat het poolwaartse warmtetransport door de atmosfeer turbulent verloopt, en daarbij steeds weer nieuwe lagedrukgebieden vormt. We kennen de verschillen tussen ons vochtige en milde 'zeeklimaat', tegenover het droge 'landklimaat' met meer extreme temperaturen, ver landinwaarts, waar de matigende invloed van oceanen klein is en de relatief droge landoppervlakken makkelijk opwarmen en afkoelen.

Het geheel van atmosfeer, oceanen, landmassa's, biosfeer, land- en zeeijs, waarin en waartussen transporten en uitwisselingen plaatsvinden van warmte, van beweging, van vocht en van andere stoffen, noemen we het klimaatsysteem . De onderdelen van het klimaatsysteem laten hun invloed op verschillende tijdschalen gelden. De atmosfeer varieert snel, op tijdschalen van dagen en weken, de oceanen veranderen traag, op tijdschalen tot honderden jaren, en de grote landijsmassa's van het Zuidpoolgebied en Groenland groeien en slinken op tijdschalen van duizenden jaren.

Het modelleren van het klimaatsysteem
Hoe het klimaatsysteem reageert op een verstoring (zoals een verandering in de energiehuishouding door een toename van broeikasgassen in de atmosfeer), hangt sterk af van genoemde wisselwerkingen tussen de onderdelen van het klimaatsysteem. Die kunnen de verstoring versterken (= positieve terugkoppeling), of juist tegenwerken (= negatieve terugkoppeling). Een bekend voorbeeld van een positieve terugkoppeling is de afname van sneeuw en ijs bij klimaatopwarming, waardoor minder terugkaatsing van zonnestraling optreedt, zodat het klimaat nog meer gaat opwarmen, waardoor sneeuw en ijs nog verder afnemen.... Een voorbeeld van negatieve terugkoppeling in het klimaatsysteem is het afremmen van temperatuurstijging door verdamping: verwarming leidt tot sterkere verdamping, maar versterkte verdamping heeft een relatieve afkoeling tot gevolg, zodat de temperatuurstijging van een verdampend oppervlak beperkt blijft.


Het klimaatsysteem zit vol met positieve en negatieve terugkoppelingen. Hoe al die verschillende terugkoppelingen op elkaar inwerken en hoe ze gezamenlijk uitwerken is een ingewikkeld probleem. Wellicht de enige manier om daar op toetsbare wijze enig licht op te werpen is het bouwen van computermodellen, die gebaseerd zijn op universeel geldende natuurwetten met betrekking tot lucht, water, enzovoorts, en waarin het 'gedrag' van al die onderdelen van het klimaatsysteem, inclusief hun wisselwerkingen, nagebootst wordt. Zo kan het klimaatsysteem gesimuleerd worden en zijn gevoeligheid voor verstoringen worden onderzocht.

Wat is de voorspellende waarde van zulke computerberekeningen? Hoe moeten wij de modeluitkomsten interpreteren? Hoe gevoelig zijn de uitkomsten voor kleinere of grotere fouten in de beschrijving van processen die deel uitmaken van het klimaatsysteem? Hoe onderscheiden we antropogene (= door de mens veroorzaakte) klimaatveranderingen van de op natuurlijke wijze voorkomende variaties in het klimaat? Het is niet eenvoudig deze vragen te beantwoorden. Een groot probleem is dat klimaatvoorspellingen niet direct te controleren zijn. Immers, toekomstige klimaten hebben zich nog niet voorgedaan en in de periode dat systematisch meteorologische waarnemingen zijn verricht, hebben zich geen drastische klimaatveranderingen voltrokken. Hierdoor is het vertrouwen in klimaatvoorspellingen vooral gebaseerd op het vermogen van de modellen om kenmerken van het huidige weer correct te simuleren en voorts op successen bij het simuleren van de wereldklimaatschommeling die het gevolg was van de uitbarsting van de Mount Pinatubo vulkaan. Een rigoureuze test van de voorspellende kracht van klimaatmodellen ontbreekt echter. In principe zou dit adequaat kunnen gebeuren met behulp van indirect gemeten temperatuurreeksen die betrekking hebben op het zeer verre verleden, de zogenoemde paleo-klimatologische meetreeksen. Helaas verschaffen die reeksen op dit moment nog geen informatie die gedetailleerd genoeg is om voor dit doel bruikbaar te zijn. Dit betekent dus dat klimaatvoorspellingen tot stand komen met behulp van computermodellen die slechts in beperkte mate getest kunnen worden op hun voorspellende kracht. Dit noopt tot voorzichtigheid bij het hanteren van de uitkomsten van klimaatmodellen.

Complexe systemen en chaotisch gedrag
Het klimaatsysteem bestaat uit zeer veel onderdelen die in onderlinge wisselwerking staan. In bepaalde situaties is de wisselwerking zwak en kunnen deze onderdelen als min of meer losse elementen worden gezien. Maar van tijd tot tijd is dat niet mogelijk. Dit manifesteert zich door het optreden van klassen van verschijnselen die voortkomen uit de totaliteit van meerdere onderdelen. Een bekend voorbeeld is het El Niño-verschijnsel in de Stille Oceaan, dat voortkomt uit de oceaan en atmosfeer als totaalsysteem en niet opgewekt kan worden door oceaan of atmosfeer alleen.



Een systeem als het klimaatsysteem, bestaande uit de samenhang van zeer veel wisselwerkende onderdelen, is complex. Algemeen wordt aangenomen dat zeer complexe systemen - zoals het klimaatsysteem of de wereldeconomie - slechts een beperkte voorspelbaarheid hebben. Dit hangt samen met het feit dat kleine oorzaken in een deelsysteem tot grote gevolgen voor het geheel kunnen leiden. Deze beperkte voorspelbaarheid is te vergelijken met wat in de theorie van dynamische systemen chaotisch gedrag wordt genoemd. Door dit verschijnsel kan het systeem dat aanvankelijk rond een bepaalde gemiddelde toestand varieert, zonder aanwijsbare oorzaak dit gemiddelde verlaten en rond een ander gemiddelde gaan variëren, en na enige tijd weer terugkeren. De natuurlijke variabiliteit van een complex systeem met chaotisch gedrag kan hierdoor veel groter zijn dan men uit een relatief korte waarnemingsreeks zou opmaken, terwijl daarnaast in een complex systeem verrassende ontwikkelingen mogelijk blijken.

Alle klimaatmodellen voorspellen klimaatwijzigingen door toedoen van menselijk handelen. De marges van de voorspellingen zijn breed, maar voor een aantal onderdelen van het klimaat is de richting van de verandering duidelijk. Maar bovendien kan de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat het complexe klimaatsysteem uit zichzelf of wellicht aangezet door de door mensen aangebrachte verstoring, naar een andere gemiddelde toestand gaat bewegen. Hoe het klimaat er na zo'n gebeurtenis uit zou zien, is niet bekend.



De voorspelbaarheid van het klimaat
Kunnen uitspraken worden gedaan over de voorspelbaarheid van het klimaat? Nog niet heel concreet, maar de kennis omtrent de aard van de atmosferische stromingen verschaft wel inzicht in aspecten van het voorspelprobleem. De atmosfeer is een systeem waarvan de ontwikkelingen zeer gevoelig zijn voor details: kleine oorzaken kunnen grote gevolgen hebben. De betekenis hiervan voor de voorspelbaarheid van het klimaatsysteem kan in beeld worden gebracht door bestudering van eenvoudige wiskundige modellen met gelijksoortig gedrag als de atmosfeer. Sommige van deze zogenoemde dynamische systemen kunnen in bepaalde opzichten worden opgevat als een analogon van de atmosferische circulatie.


In het voorspelbaarheidsonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen van voorspellingen, die van de eerste en die van de tweede soort. Bij voorspellingen van de eerste soort worden, uitgaande van een schatting van de actuele toestand van de atmosfeer, aspecten van deze toestand voorspeld voor een van te voren afgesproken tijdstip in de toekomst, bijvoorbeeld voor vijf dagen vooruit. Deze voorspellingen kunnen meer of minder gedetailleerd zijn. De mate van detail zal afhangen van de voorspeltermijn: hoe verder vooruit, hoe minder detail. Bij voorspellingen van de tweede soort gaat het erom slechts in statistische zin te voorspellen wat de gevolgen zijn van veranderende externe factoren, zoals bijvoorbeeld de toename van het kooldioxidegehalte in de atmosfeer, en niet om te voorspellen hoe de toestand van de atmosfeer op een bepaalde dag is of hoe de atmosfeer zich tot die dag zal ontwikkelen.

Een dynamisch systeem met chaotisch gedrag, zoals de atmosfeer, heeft een beperkte voorspelbaarheid van de eerste soort. Dit is de reden dat de voorspeltermijn van het weer begrensd is. Voorbij deze tijdhorizon zijn voorspellingen van de tweede soort - klimaatvoorspellingen - echter wél mogelijk, in theorie zelfs met onbeperkte voorspelhorizon. Wel moet de dynamica van het systeem dan volledig bekend zijn en nauwkeurig genoeg kunnen worden gemodelleerd. De vereiste nauwkeurigheid hangt af van de mate waarin het klimaatsysteem gevoelig is voor verstoringen.

In eenvoudige klimaatmodellen geven kunstmatig aangebrachte wijzigingen van ogenschijnlijk onbeduidende omvang aanleiding tot verrassende en significante veranderingen, die zich vooral uiten in het meer of minder voorkomen van bepaalde atmosferische circulatiepatronen. Dit geeft aan dat kleine onvolkomenheden in de meer realistische, maar complexere klimaatmodellen de nauwkeurigheid van simulaties van klimaten ernstig kunnen verstoren. Inderdaad worden belangrijke aspecten van het huidige klimaat nog niet goed weergegeven door de klimaatmodellen. Dit geldt, net als in de versimpelde modellen, bijvoorbeeld voor hoe vaak bepaalde atmosferische circulatiepatronen optreden. De gevoeligheid van de huidige modellen voor antropogene effecten moet dan ook kritisch worden beschouwd. Sommige resultaten, zoals de toename van de mondiaal gemiddelde temperatuur en de temperatuur op de schaal van continenten, lijken tamelijk robuust. Andere, zoals veranderingen in het voorkomen van circulatiepatronen, zijn uiterst gevoelig voor kleine veranderingen in het model. Aspecten van het klimaat die heel gevoelig reageren, kunnen in de praktijk onvoorspelbaar blijken. Zulke aspecten kunnen evenwel een cruciaal onderdeel uitmaken van de informatie die noodzakelijk is voor het doen van voorspellingen van het regionale klimaat.
Figuur 14. Een illustratie van de natuurlijke variabiliteit van het klimaat op twee tijdschalen. Een klimaatmodel dat men het verloop van het weer laat nabootsen, toont uit zichzelf net als de werkelijkheid een grote variabiliteit. De dunne lijn geeft weer hoe in een computersimulatie het aantal vorstdagen in Europa van jaar tot jaar fluctueert. Gemiddeld over een aantal winters - de vetgedrukte lijn toont het lopend 10-jaars gemiddelde - vertoont het aantal door het model berekende vorstdagen eveneens een aanzienlijke variatie.
Figuur 14. Een illustratie van de natuurlijke variabiliteit van het klimaat op twee tijdschalen. Een klimaatmodel dat men het verloop van het weer laat nabootsen, toont uit zichzelf net als de werkelijkheid een grote variabiliteit. De dunne lijn geeft weer hoe in een computersimulatie het aantal vorstdagen in Europa van jaar tot jaar fluctueert. Gemiddeld over een aantal winters - de vetgedrukte lijn toont het lopend 10-jaars gemiddelde - vertoont het aantal door het model berekende vorstdagen eveneens een aanzienlijke variatie.

Een complicerende factor bij het bepalen van het toekomstige klimaat is dat klimaatveranderingen niet slechts veroorzaakt worden door veranderingen in externe factoren. In het verleden zijn grote en kleine klimaatveranderingen voorgekomen zonder dat de mens enige invloed op het klimaatsysteem uitoefende. Zo hebben we rond de zeventiende eeuw een tamelijk koude periode gekend die als 'de kleine ijstijd' bekend staat. Een gangbare theorie is dat deze klimaatfluctuatie ontstond door elkaar versterkende natuurlijke variaties. Dit verschijnsel wordt geïllustreerd door de klimaatsimulatie van figuur 14. Blijkbaar is het klimaatsysteem uit zichzelf in staat tot het veroorzaken van tijdelijke veranderingen van langdurige aard. Dit soort trage fluctuaties vormt een wezenlijk onderdeel van de natuurlijke variabiliteit van het klimaat.


Voorspellingen over het verloop in de tijd van zulke klimaatfluctuaties zijn van de eerste soort en het is dus fundamenteel onmogelijk een uitspraak te doen over het tijdstip waarop zo'n natuurlijk verschijnsel zal optreden. Bij de voorspelling van antropogene klimaatveranderingen moeten we dit in gedachte houden. Hoe nauwkeurig we in de toekomst wellicht ook het antropogene effect kunnen voorspellen, er zal steeds een marge in de voorspellingen moeten worden aangebracht, die een reflectie is van de onvoorspelbare natuurlijke variabiliteit van het klimaat. Dit houdt in dat klimaatvoorspellingen pas betekenis krijgen als het voorspelde klimaatsignaal groter is dan de onvoorspelbare klimaatruis. Op de tijdschalen die vallen binnen de voorspeltermijn van een eeuw zijn grootte en structuur van de natuurlijke variabiliteit ofwel van de klimaatruis echter slechts ten dele bekend.

Toekomstige veranderingen in het mondiale klimaat
Uitgaande van een bekend verondersteld verloop in de toekomstige atmosferische samenstelling zijn klimaatmodellen in staat een indruk te geven van de toekomstige patronen van temperatuur- en neerslagverandering op zeer grote ruimtelijke schaal. Het IPCC heeft in 1995 de kennis over modeluitkomsten van het toekomstig klimaat ten tweede maal in kaart gebracht en de bevindingen neergelegd in het Tweede Integrale IPCC-rapport over Klimaatverandering. Dit rapport is het ijkpunt bij het doen van klimaatvoorspellingen.


De basis van de voorspellingen wordt gevormd door het waargenomen verloop in atmosferische samenstelling en schattingen van het toekomstig verloop. Op grond van aannames over bevolkingsgroei, industriële ontwikkeling en energieverbruik heeft het IPCC zes scenario's opgesteld voor het verloop van de emissie van broeikasgassen en van industriële deeltjes (aërosolen) tot eind volgende eeuw. Rekening houdend met de gemiddelde verblijftijd van deze stoffen in de atmosfeer, is voor ieder scenario het bijbehorende verloop in atmosferische samenstelling berekend. Ondanks reducties in verschillende emissiescenario's leiden ze alle zes ertoe dat de atmosferische concentratie van broeikasgassen, en in mindere mate die van de aërosolen, in de toekomst steeds hoger wordt. Verschillende onderzoeksgroepen hebben de klimaatconsequenties van deze zes scenario's doorgerekend. Als uitgegaan wordt van het scenario dat resulteert in concentratietoenames die het midden houden tussen de toenames van de andere vijf scenario's, luiden de meest zekere voorspellingen van het IPCC-1995 rapport voor het klimaat halverwege de volgende eeuw als volgt:

  • De wereldgemiddelde temperatuur zal in 2050 een halve graad tot twee graden hoger zijn dan in 1990, met als centrale schatting één graad Celsius. De marge is voornamelijk het gevolg van onzekerheden met betrekking tot de invloed van bewolking, waarvan het gedrag en de invloed op het klimaat moeilijk te modelleren is. Daarnaast is niet nauwkeurig bekend hoe aërosolen van menselijke origine op de atmosferische stralingshuishouding inwerken: zij hebben een koelende werking, maar hun verblijftijd in de atmosfeer is slechts kort.
  • De grootste opwarming zal optreden boven de continenten op hoge breedten en het grootst zijn in het winterseizoen. De verhoogde aërosolconcentratie nabij gebieden met grote industriële activiteit zorgt ervoor dat de temperatuurtoename daar achterloopt ten opzichte van die in andere gebieden.
  • Door de warmtecapaciteit van het gekoppelde land-oceaan-atmosfeersysteem ijlt de temperatuur na op de broeikasgasconcentratie. Voor de hierboven genoemde temperatuurverandering van één graad houdt dit in dat zelfs als de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer in 2050 gestabiliseerd zouden kunnen worden, de wereldgemiddelde temperatuur nog enkele tienden van graden verder zal stijgen na 2050. Hieruit blijkt dat een stabilisatie van concentraties pas op zeer lange termijn tot een stabilisatie van het klimaat zal leiden, waarbij aangetekend dient te worden dat een stabilisatie van broeikasgasconcentraties pas zeer lange tijd na een reductie van emissies op zal treden.
  • De wereldwijd gemiddelde neerslag zal in 2050 met enkele procenten toegenomen zijn, waarbij de grootste procentuele toename plaatsvindt op hoge noordelijke breedten in het winterseizoen ter plekke.
  • De met de temperatuurstijging geassocieerde verhoging van het wereldgemiddelde zeespiegelniveau zal in 2050 tien tot veertig centimeter bedragen, met als centrale schatting twintig centimeter.

Op vele punten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken. Een in de context van dit rapport belangrijke conclusie is dat veranderingen in het lokale klimaat of veranderingen in het voorkomen van extreme weersverschijnselen, zoals zware stormen, hittegolven en uitzonderlijke wolkbreuken, momenteel niet uit de modellen zijn af te leiden.


In het IPCC-rapport van 1995 is ook gekeken naar emissiescenario's die dermate laag zijn dat ze er toe zouden leiden dat de concentratietoename van broeikasgassen in de loop van de komende eeuw tot staan komt. Het blijkt dat zelfs bij deze extreme scenario's, die een dusdanige reductie van emissies van broeikasgassen vereisen dat ze alleen met zeer vergaande en moeilijk voorstelbare maatschappelijke veranderingen gerealiseerd zouden kunnen worden, de klimaatveranderingen groter zijn dan de natuurlijke variaties die gedurende de laatste tienduizend jaar op de tijdschaal van een eeuw zijn opgetreden.

Een mogelijk toekomstig klimaat in Nederland
De in het IPCC-rapport gepresenteerde voorspellingen hebben betrekking op gemiddelden over zeer grote ruimtelijke gebieden van een beperkt aantal klimaatvariabelen. Deze voorspellingen laten zich niet regelrecht op de Nederlandse situatie projecteren. Dit staat het opstellen van een gefundeerde klimaatvoorspelling voor Nederland in de weg. Waargenomen verbanden tussen verschillende onderdelen van het Nederlandse weer verschaffen echter wel inzicht in de consequenties van een verandering in het ene onderdeel van het Nederlandse weer voor een ander onderdeel. Onder de statistische aanname dat deze verbanden in het toekomstig klimaat ongewijzigd geldig blijven, kan voor Nederland op grond van uit het IPCC-rapport geschatte veranderingen van grootschalige kenmerken van een zeer beperkt aantal klimaatvariabelen een mogelijke realisatie worden geschetst van enkele andere klimaatvariabelen.

Een voorspelling van dit type noemt men een klimaatscenario. Een klimaatscenario is feitelijk geen echte voorspelling, maar eerder een samenhangend geheel van meerdere onderdelen van het toekomstig klimaat, zoals dat volgt uit een bekend verondersteld verloop van tenminste één van die onderdelen en uit statistische aannamen over behoud van interne meteorologische consistentie van het geheel. Tezamen vormen deze onderdelen een mogelijke realisatie van het klimaat. Andere aannamen leiden uiteraard tot andere uitkomsten voor onderdelen van dit geheel en dus tot een ander klimaatscenario. Het waarheidsgehalte van een klimaatscenario is per definitie niet te toetsen, hoogstens kan de geloofwaardigheid van de consistentie-aannamen worden onderbouwd.

Een centraal gegeven bij het opstellen van klimaatscenario's wordt gevormd door inzicht in het karakter van de luchtstromingen om ons heen en de frequentie van optreden van atmosferische circulatiepatronen. De cruciale rol van dit gegeven voor het Nederlandse klimaat blijkt uit de grote gevoeligheid hiervoor van het geheel van temperatuur, neerslag, bewolking en wind in het huidige klimaat, zoals uiteengezet in het eerste hoofdstuk van dit rapport. Hoewel klimaatmodellen wel aangeven dat de grootschalige atmosferische circulatie zich niet drastisch verandert, leveren de berekeningen geen enkel bruikbaar signaal op over veranderingen in richting, sterkte of variabiliteit van luchtstromingen boven West-Europa. Bij gebrek aan informatie, gaat het hier gepresenteerde klimaatscenario uit van een aanname over dit cruciale gegeven. Als sleutelaanname wordt geponeerd dat de variabiliteit van de luchtstromingen en de frequentieverdeling van circulatiepatronen rond Nederland zich bij versterking van het broeikaseffect niet zullen wijzigen.

De wereldgemiddelde temperatuur zal in 2050 met 0,5-2 graden gestegen zijn, met als centrale schatting één graad. Een plausibele schatting bij bovengenoemde sleutelaanname is dat de temperatuurstijging in Nederland hier niet sterk van afwijkt. Dit wordt in onderstaand klimaatscenario gehanteerd als uitgangspunt. Voorts wordt verondersteld dat het waargenomen gemiddelde verband tussen dagtemperatuur en neerslaghoeveelheid geldig blijft, wordt gebruik gemaakt van het IPCC-gegeven dat de opwarming het grootst is boven landmassa's en in de winter, en wordt waar nodig de sleutelaanname van ongewijzigde variabiliteit wederom toegepast.

Uitgaande van een temperatuurstijging in Nederland van 0,5-2 graden, ontstaat door combinatie van bovenstaande aannamen het volgende beeld van een mogelijk klimaat in Nederland in 2050:


  • De temperatuurverhoging in Nederland van 0,5-2 graden zal niet gelijkelijk verdeeld zijn over de seizoenen, maar in de winter waarschijnlijk iets sterker zijn dan in de zomer.
  • De luchtstromingen en de opeenvolging van weertypen zullen net als nu gekenmerkt blijven door grote afwisseling. Binnen deze grilligheid zal de systematische opwarming de komende decennia slechts geleidelijk zichtbaar worden, maar in 2050 merkbaar aanwezig zijn in het Nederlandse weer.
  • Hoewel de zomer warmer wordt, blijft een hittegolf een verschijnsel dat gemiddeld slechts eens in de paar jaar optreedt. Gemeten naar de huidige normen zullen ze wel vaker voorkomen en iets langer duren, waarbij ze iets heviger kunnen zijn.
  • Strenge winters worden zeldzamer en de strengste winters worden iets minder extreem koud. Extreme kou in Nederland wordt veroorzaakt door luchtaanvoer van het continent, en bij wereldwijde opwarming zal het winterse sneeuwdek op het Europese continent eerder in het seizoen verdwijnen. Dit verlaagt voor Nederland de kans op extreem lage temperaturen in het vroege voorjaar. Zachte winters veranderen minder sterk van karakter omdat zulke winters worden gekenmerkt door luchtaanvoer van de oceaan.
  • De neerslaghoeveelheid neemt toe waarbij de toename zich voornamelijk concentreert in de winter. Uitgaande van een verhoging van 0,5-2 graden in temperatuur leveren analyses van waargenomen temperatuur-neerslagverbanden voor Nederland een schatting op van 2 tot 5 procent toename in jaargemiddelde neerslaghoeveelheid.
  • Situaties met langdurige, hevige winterneerslag zullen meer neerslag opleveren per regendag. Zulke situaties worden gekenmerkt door zogeheten westcirculaties. Geschat wordt dat de neerslaghoeveelheid bij zulke circulaties met 5 tot 20 procent zal toenemen. Door gebrek aan onderbouwde aanwijzingen over wijzigingen in het voorkomen van circulatiepatronen, is geen uitsluitsel te geven over veranderingen in de frequentie van deze gebeurtenissen.
  • In de zomer zal de neerslag waarschijnlijk een buiiger karakter krijgen, zodat de neerslag in kortere tijdsintervallen valt dan nu. Voorts worden de zwaarste buien heviger; zij zullen dus vaker gepaard gaan met onweer of hagel. Een empirisch getoetste fysische beschrijving van het verband tussen temperatuur en de neerslagintensiteit van buien geeft aan dat de maximale neerslagintensiteit van zware buien met naar schatting 5 tot 20 procent toeneemt.
  • Een toename van de gemiddelde zomertemperatuur heeft een hogere potentiële verdamping tot gevolg. Het is niet vanzelfsprekend dat dit ook tot grotere droogte in de vorm van neerslagtekort zal leiden, zelfs in geval de zomerneerslag gelijk zou blijven. De reden is dat veel planten op een hogere kooldioxideconcentratie reageren door sluiting van huidmondjes en daarmee efficiënter gebruik gaan maken van water. Het effect van de temperatuurstijging op de potentiële verdamping wordt daardoor voor een nog onbekend gedeelte teniet gedaan.
  • Stormfrequenties en frequenties van neerslagloze perioden zijn direct gerelateerd aan specifieke circulatiepatronen. Over veranderingen hierin is dus geen zinvolle uitspraak mogelijk.

Scenariogewijs is dit de stand van zaken bij het beschrijven van een mogelijke realisatie van het klimaat van Nederland behorend bij een temperatuurstijging van 0,5-2 graden. Binnen de statistische consistentie-aanname bestaat voor het temperatuurklimaat een min of meer samenhangend beeld, terwijl voor neerslag bij gebrek aan onderbouwing van de sleutelaanname het beeld zich vooral beperkt tot karakteristieken die voortkomen uit het gedrag van de neerslagsystemen zelf. Over veranderingen die samenhangen met wijzigingen in frequenties van het overtrekken van deze en andere meteorologische systemen zijn binnen de huidige inzichten geen onderbouwde uitspraken of aannamen mogelijk.

Met nadruk zij vermeld dat bovenstaand toekomstbeeld slechts één mogelijke realisatie schetst van het Nederlandse klimaat in 2050; andere realisaties zijn evenzeer mogelijk. Indien de consistentie-aanname waarop het scenario berust niet houdbaar blijkt, of indien er inzicht ontstaat over veranderingen in de frequentieverdeling van circulatiepatronen, zal het toekomstbeeld zich zeer drastisch kunnen wijzigen. Naar het zich laat aanzien, zal het toekomstbeeld stapsgewijs concreter worden naarmate aannamen vervangen worden door feiten en naarmate klimaatmodellen gedetailleerder worden en het inzicht in hun voorspellende kracht toeneemt.