De toestand van het klimaat in Nederland 1993
Dit komt het duidelijkst naar voren op de Grote Oceaan en op de Atlantische Oceaan bij de oostkust van Noord-Amerika. Aangezien bij het tegenwoordige klimaat de depressie-activitelt zich in hoofdzaak afspeelt ten noorden van de 45ste breedtegraad zou dit voor Nederland een toename van de gemiddelde wind betekenen.
Maar ook indien het windklimaat niet verandert en de sterkte en frequentie van stormen dezelfde blijft, zullen door de gestage zeespiegelrijzing (thans 20 cm per eeuw, terwijl voor de komende honderd jaar rekening wordt gehouden met 60 cm), de stormvloeden, die het huidige grenspeil overschrijden, frequenter voorkomen. Een stormvloed zoals die van 1953, die volgens de toen geldende maatstaven eens in de 300 jaar kon optreden, zou dan eens in de 50 tot 100 jaar kunnen voorkomen zonder dat er iets aan het stormregime zou zijn veranderd.

Hoewel de modellen dus aanwijzingen geven voor een grotere depressie-activiteit, is dit tot heden in het windregime boven Nederland niet aan te tonen. Dit geldt zowel voor de gemiddelde windsnelheid als voor het voorkomen van zware stormen.
Figuur 7. Potentiële windsnelheid op de luchthaven Schiphol voor het tijdvak 1951-1992. Onder de potentiële wind wordt verstaan de windsnelheid op 10 m hoogte omgerekend naar volledig open terrein (KNMI, 1993).
Figuur 7. Potentiële windsnelheid op de luchthaven Schiphol voor het tijdvak 1951-1992. Onder de potentiële wind wordt verstaan de windsnelheid op 10 m hoogte omgerekend naar volledig open terrein (KNMI, 1993).

Voor de constatering van een trend in de windsnelheid kan gekeken worden naar de gemiddelde windsnelheid en naar de uitersten (zware stormen met de bijbehorende windstoten). De gemiddelde windsnelheid laat zowel voor Schiphol als voor Vlissingen in de laatste veertig jaar een zwak dalende trend zien. Deze trend is niet significant. Het aantal zware stormen, gedefinieerd als stormen met een uurgemiddelde windsnelheid van tenminste windkracht 10 (24,5 m/s of 89 km/h), voorgekomen op een willekeurig landstation in Nederland, is aan sterke fluctuaties onderhevig. Ondergebracht in tienjarige tijdvakken vanaf 1911 zijn de aantallen resp. 4, 6, 2, 3, 2, 1, 3 en 6 (t/m 1990). De reeks getallen beantwoordt aan een toevalsverdeling. Evenmin als de gemiddelde windsnelheid vertoont de windkracht van de zware stormen in deze eeuw veranderingen. De stormen van nu zijn even zwaar als in de rest van de achter ons liggende eeuw.
Figuur 8. Gemiddelde en maximale windsnelheid, gemeten bij zware stormen in het tijdvak 1910-1993 (KNMI, 1993).
Figuur 8. Gemiddelde en maximale windsnelheid, gemeten bij zware stormen in het tijdvak 1910-1993 (KNMI, 1993).

Depressies, die in onze omgeving zware stormen veroorzaakten, hebben de laatste jaren wel lagere kerndrukken te zien gegeven zonder dat dit tot hogere windsnelheden aanleiding gaf. De lagere kerndrukken zijn overeenstemmig met een Duits onderzoek aan kerndiepten van depressies boven de Atlantische Oceaan. Een lagere kerndruk impliceert echter geen hogere windsnelheid, omdat die grootheid wordt bepaald door luchtdrukverschillen. De luchtdrukverschillen bij kleine, ondiepere depressies kunnen groter zijn dan die bij zeer diepe depressies, omdat de laatste een zeer omvangrijk gebied bestrijken. Toch is het iets dat in relatie tot de abnormaal hoge temperatuur van de laatste 5 jaar aandacht verdient.

Met het toekomstige windregime houdt de vraag verband of het aantal tropische cyclonen op de Atlantische Oceaan in aantal en/of intensiteit zal gaan toenemen en of het mogelijk is dat ze in de toekomst ook de Westeuropese kusten kunnen bereiken. Aangezien het ontstaan van tropische cyclonen nog steeds niet helemaal begrepen wordt, moeten in dit opzicht conclusies, getrokken uit experimenten met algemene circulatie modellen met een verdubbeld CO2-gehalte van de atmosfeer, met grote voorzichtigheid worden gehanteerd. De huidige klimaatmodellen hebben bovendien moeite met het simuleren van kleinschalige details, zoals tropische cyclonen met een diameter van slechts een paar honderd kilometer. Sommige modellen geven een verdubbeling van het aantal dagen waarop zich tropische storingen vormen, waaruit eventueel tropische cyclonen kunnen ontstaan. Het is echter niet realistisch dit te vertalen naar een toename van het aantal en de kracht van tropische cyclonen.

Op de Atlantische Oceaan is het aantal tropische cyclonen dat zich gemiddeld per jaar voordoet 5 à 6. De aantallen vertonen grote schommelingen van jaar tot jaar.
Figuur 9. Aantallen tropische cyclonen op de Noordelijke Atlantische Oceaan voor het tijdvak 1930-1991 (KNMI, 1993).
Figuur 9. Aantallen tropische cyclonen op de Noordelijke Atlantische Oceaan voor het tijdvak 1930-1991 (KNMI, 1993).

In de aantallen doet zich vanaf 1930 geen trend voor. In de laatste vijf jaar hebben sommige tropische cyclonen een intensiteit gehaald van 4 of 5 op de Amerikaanse schaal voor de sterkte van cyclonen: Gilbert (1988), Hugo (1989) en Andrew (1992). Andrew en Gilbert haalden de intensiteit 5. Vijf is de hoogste intensiteit op de schaal en komt overeen met een gemiddelde windsnelheid groter dan 250 km/u. Volgens de Amerikanen komt een zo hoge intensiteit bij een tropische cycloon slechts eenmaal in de honderd jaar voor. Een aantal van twee binnen vijf jaar is statistisch gezien hoogst onwaarschijnlijk.


Geen van deze zeer gevaarlijke cyclonen is de richting van Europa opgegaan. Tropische cyclonen kunnen zich uitsluitend handhaven boven warm zeewater van tenminste 26'C. De kans dat tropische cyclonen nog in hun actieve stadium (gemiddelde windkracht 12, dit is meer dan 117 km/u) Europa bereiken is uiterst klein. In de tweede helft van deze eeuw wisten er slechts twee de Westeuropese kust te bereiken: Debbie in september 1961 (westkust van Ierland en Schotland) en Hortense in oktober 1984 (noordkust van Spanje en de Golf van Biskaje). Beide cyclonen volgden op hun weg over de Atlantische Oceaan een uiterst zuidelijke baan en waren bij het bereiken van Europa in het laatste stadium van hun activiteit.