Satellietfoto Mount Everest
Een belangrijk element bij de poging om de hoogste berg ter wereld te beklimmen vormde het weer. Het weer bleek in de afgelopen jaren vaak een allesbepalende factor voor het succes of het falen van vele expedities. Op dergelijke hoogte in een ruw terrein als het Himalayagebergte is het daarom van cruciaal belang om goed op de komende weersituatie voorbereid te zijn. Hans van der Meulen en Wilco van Rooijen zochten al ruim voor hun vertrek contact met het KNMI. Hun vraag was kortweg: "Kan het Instituut ons van de verwachte weersituatie op de hoogte houden als we met de beklimmingspoging en de voorbereidingen bezig zijn?"

Na enig onderzoek bleek dat op dit verzoek positief kon worden ingegaan. Medewerkers van de afdeling wetenschappelijk onderzoek zijn voortdurend bezig om de stromingsmodellen te verbeteren. Daarbij bood de Himalaya-expeditie een vrij unieke kans om het model op zijn prestaties te beoordelen waar het de windverwachtingen voor zeer grote hoogte betrof.

Luchtvaartmeteoroloog Jacob Kuiper zou voor de wind- en weersverwachtingen zorgen waarbij de gegevens in een speciale code via iridiumsatelliettelefoon door Van der Meulen en Van Rooijen kon worden ontvangen. Er werd afgesproken dat de beide klimmers zoveel mogelijk de weersituatie zouden optekenen, in het bijzonder de windsnelheidsschattingen. Door terugmeldingen van de waarnemingen aan het KNMI kon meer inzicht worden verkregen over de prestatie van de computermodelberekeningen.

Op 16 april werd begonnen met de eerste weersverwachting voor de Mount Everest-regio. Daarbij werden windrichting, windkracht en temperatuurgegevens voor 7000, 8000 en 8900 meter hoogte doorgegeven. Op 29 mei werd het laatste bericht verzonden. Tijdens de eerste weken werd al duidelijk dat de windverwachtingen heel redelijk uitkwamen. Dat het weer een echte grote spelbreker werd tijdens de latere fase van de expeditie werd duidelijk toen het reeds ingerichte kamp 3, op een hoogte van 7800 meter, door een sneeuwstorm volledig werd weggeblazen.