|
Klimaat
Veelgestelde vragen
Gevolgen
Verleden Achttienduizend
jaar geleden lag de zeespiegel wereldwijd 120 meter lager dan nu. In de periode
tussen achttienduizend en zevenduizend jaar geleden is de zeespiegel met ongeveer
100 meter gestegen (ruim 1 m/eeuw). Daarna is de zeespiegel minder snel veranderd.
De afgelopen vierduizend jaar is de zeespiegel ongeveer 2,5 meter gestegen (ruim
6 cm/eeuw). Met behulp van peilschalen langs de kust en (sinds de 90er jaren)
met satellieten kan de zeespiegelstijging direct gemeten worden. Vanaf midden
jaren negentig is wereldwijd een duidelijke versnelling te zien (ca. 3 mm/jaar
versus ca 1,6 mm/jaar in de rest van de 20ste eeuw, met als resultaat 20 cm stijging
sinds 1900). Omdat de reeks van satellietmetingen nog zo kort is, kan niet worden
uitgesloten dat de versnelling (deels) veroorzaakt wordt door natuurlijke schommelingen
in het zeeniveau gerelateerd aan variaties in zeestromingen. Sinds 1960
zijn genoeg meetgegevens beschikbaar om de zeespiegelstijging toe te kunnen kennen
aan individuele bijdragen van het smelten van gletsjers en kleine ijskappen, de
uitzetting van het zeewater, het smelten van de Groenlandse ijskap en het afkalven
van de Antarctische ijskap (zie figuur 1). De som van de verschillende bijdragen
(bruine balk) is kleiner dan de totaal gemeten zeespiegelstijging (donkerblauw)
over de periode 1961-2003. Dit verschil is nog niet goed verklaard. De som van
de verschillende bijdragen en het gemeten totaal komen wel goed overeen voor de
periode 1993-2003 (dichte balken in figuur 1), omdat er meer meetgegevens beschikbaar
zijn. Figuur
1: Wereldwijde zeespiegelstijging in de 20ste eeuw, in millimeters per jaar. Aparte
bijdragen en het totaal zijn gegeven voor de periode 1961-2003 (open balken) en
1993-2003 (dichte balken) [bron cijfers: 4e IPCC rapport, 2007].Toekomst Voorspellingen
over de zeespiegelstijging zijn moeilijk, omdat men rekening moet houden met veel
onzekerheden. Waardoor ontstaan deze onzekerheden? Ten eerste is er een grote
onzekerheid in de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde, die in 2100
ongeveer 1,1 tot 6,4 graden Celsius hoger zal zijn dan in 1990 (IPCC, 4AR, SPM,
2007). Deze forse bandbreedte komt voort uit het feit dat niet voorspeld kan worden
hoe de uitstoot van broeikasgassen in deze eeuw zal verlopen. Ook wetenschappelijke
onzekerheden over de werking van het klimaatsysteem dragen bij aan de bandbreedte. Bij
een gegeven stijging van de temperatuur is met redelijke zekerheid te bepalen
hoe groot de zeespiegelstijging zal zijn ten gevolge van geleidelijke veranderingen.
De stijging is een optelsom van de uitzetting van het zeewater, het geleidelijke
smelten van gletsjers en van de ijskappen op Groenland en Antarctica. Hoe warmer
het wordt, hoe groter de bijdrage van de uitzetting van het zeewater en van het
vrijkomen van smeltwater van gletsjers. Op basis van de bovenstaande factoren
wordt de zeespiegelstijging voor deze eeuw geschat op 18 tot 59 centimeter. In
de Summary for Policy Makers van het 4e IPCC rapport (IPCC, 4AR, SPM, 2007) staat
de volgende tabel (tabel 1) voor de verschillende emissie scenarios berekend
door een reeks computermodellen:
 | Tabel
1: Zeespiegelstijging in de 21ste eeuw voor zes verschillende veel gebruikte emissie-scenarios
(IPCC, SRES, 2000). Een belangrijke opmerking bij deze tabel is dat de modelresultaten
van de zeespiegelstijging niet de complete bandbreedte van de stijging in atmosfeertemperatuur
omvatten, maar alleen betrekking hebben op de middenwaarde. Wanneer de temperatuurstijging
in 2100 de bij het hoogste scenario genoemde bovengrens van 6,4 graden Celsius
bereikt resulteert dit naar schatting in enkele decimeters extra zeespiegelstijging.
Naast
de geleidelijke zeespiegelstijging, zoals weergegeven in de tabel, rapporteert
het IPCC dat op sommige plaatsen de afkalving aan de randen van de Groenlandse
en de West-Antarctische ijskap de laatste jaren sterk is toegenomen, maar omdat
de processen die ten grondslag liggen aan de ijsstroming niet goed door de huidige
ijsmodellen worden nagebootst, is een voorspelling moeilijk te maken (zie vraag
Zal het ijs van Groenland desintegreren leidend tot meters zeespiegelstijging?).
Wanneer de recent waargenomen versnelde afname van het ijsvolume wordt geëxtrapoleerd
met de verwachte temperatuurstijging in 2100 bedraagt de bijdrage van Groenland
aan de zeespiegelstijging ongeveer 10 tot 20 centimeter. Op dit moment is niet
in te schatten hoe groot de kans is dat de trend inderdaad doorzet (IPCC, 2007)
en de uiteindelijke bijdrage kan zowel hoger als lager uitvallen (zie vraag Smelt
het ijs op Groenland?). Bandbreedtes zeespiegelstijging
voor Nederland en mogelijke gevolgen Gezien de mogelijk grote gevolgen
voor Nederland is het van belang het mogelijk versneld afkalven van Groenland
en West-Antarctica mee te nemen in de schattingen van de zeespiegelstijging. In
de klimaatsceanrios van het KNMI (KNMI, 2006) is daarom een schatting van
deze bijdrage meegenomen waarbij rekening wordt gehouden met een temperatuurafhankelijke
versnelling van de afsmelting (zie tabel 2). Tevens zijn in de KNMI scenarios
rekening gehouden met een grotere uitzetting in het noordoosten van de Atlantische
Oceaan ten opzichte van het wereldgemiddelde (KNMI, 2006), zie figuur 2. Hierdoor
komt het KNMI in haar klimaatscenario's van 2006 met een hogere schatting dan
het vierde IPCC-rapport (IPCC, AR4, 2007).  | Tabel
2: Klimaatscenarios voor zeespiegelstijging (KNMI, 2006). | Figuur
2: Op de termijn tot 2100 zal op basis van de KNMI scenarios de zeespiegel
maximaal stijgen tot 85 centimeter boven het niveau van 1990. Er is een onbekende
maar kleine kans dat in de tweede helft van deze eeuw de stijging versnelt, indien
Groenland en/of West Antarctica versneld afkalven (MNP, 2007).Geologisch
onderzoek wijst uit dat er in het verleden tijden zijn geweest waarin er sprake
was van een snellere zeespiegelstijging. Reconstructies van het zeeniveau voor
vele duizenden jaren op basis van de groei van koraalriffen geven aan dat in het
verleden de zeespiegel met maximaal 100 tot 150 centimeter per eeuw is gestegen.
Hoewel zulke reconstructies geen garanties geven voor de toekomst, onderstrepen
ze dat een stijging van meer dan 85 centimeter in deze eeuw mogelijk is. Een grotere
stijging dan 150 centimeter lijkt uitgesloten. Maar ook het maximum van 150 centimeter
deze eeuw betekent voor Nederland al een forse opgave. Uit een verkennende analyse
van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en WL Delft Hydraulics (MNP, 2007) komt
naar voren dat Nederland een zeespiegelstijging van 1-1,5 meter in deze eeuw in
beginsel goed aankan door het ophogen van de dijken en het opspuiten van zand
langs de kust. Dit is ook uitgangspunt van de Adviescommissie Financiering Primaire
Waterkeringen (2006). Behalve zeespiegelstijging is ook de sterkte en de frequentie
van stormen van belang voor de veiligheid van Nederland. Als uit nader onderzoek
zou blijken dat er als gevolg van de temperatuurstijging zwaardere stormen voor
de Noordzee verwacht mogen worden, dan zullen aanvullende versterkingen nodig
zijn. Naarmate de zeespiegel verder stijgt, nemen de afvoermogelijkheden onder
vrij verval voor de regionale watersystemen en de rivieren af, stijgt het waterpeil
in het benedenrivierengebied en nemen de getijde- en zoutinvloed landinwaarts
toe. De hogere waterstanden en het wegvallen van het vrije verval vragen dijkverhogingen
in een steeds groter deel van Zuidwest-Nederland, het rivierengebied en het IJsselmeergebied.
Zo zal bij een zeespiegelstijging van 2 meter de getijdeninvloed zich uitstrekken
tot aan Tiel. De huidige aanpak van rivierverbreding en uiterwaardenverlaging
biedt geen oplossing in het gebied met verhoogde waterstanden in het door de zee
beïnvloede gebied. Vooral Rotterdam en Dordrecht vormen kwetsbare punten
bij een steeds verder stijgende zeespiegel en mogelijk dat op termijn structureel
andere oplossingen moeten worden gezocht voor de hoofd- en piekafvoer van de Rijn.
Belangrijke opties die daarbij de oplossingsruimte bepalen zijn het afleiden van
de afvoer naar de Zeeuwse delta en/of naar de IJssel en het IJsselmeer en de mogelijkheden
voor waterberging in deze gebieden. Op basis van de nu beschikbare informatie
kan worden aangenomen dat Nederland waarschijnlijk nog eeuwen bestendig te houden
is tegen klimaatverandering en zeespiegelstijging, waarbij vooral de afnemende
mogelijkheden voor een vrije uitstroom van rivierafvoeren bepalend zullen zijn
voor de lange termijn houdbaarheid van Nederland. Gegeven de grote onzekerheden
en onbekende maar klein geachte kans op een sterk versnelde afsmelting en desintegratie
van de ijskappen op Groenland en Antarctica, stelt het MNP (MNP, 2007) dat het
niet nodig is ons nú al voor te bereiden op een stijging van meer dan 1,5
meter in deze eeuw. Als meest waarschijnlijke bandbreedte voor de te verwachten
zeespiegelstijging deze eeuw voor Nederland, gelden de ramingen van het KNMI van
35 tot 85 centimeter per eeuw. Daarbij lijkt het verstandig om rekening te houden
met een stijging van rond de 85 centimeter, ervan uitgaande dat het niet vanzelfsprekend
is dat op afzienbare termijn op wereldschaal een sterke reductie van de broeikasgasemissies
tot stand zal komen. Tevens is het van belang te onderkennen dat ook na 2100 de
zeespiegel verder zal stijgen. Volgens het KNMI zal in het jaar 2300 de zeespiegel
met 1 tot 2,5 meter gestegen zijn ten opzichte van 1990 (KNMI, 2006).
Meer lezen: Smelt
het ijs op Groenland? KNMI
Achtergrondinformatie zeespiegelstijging
KNMI
Toelichting op het IPCC rapport zeespiegelstijging,2007
Referenties: Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Fourth Assessment Report, Working Group 1, 2007,
Technical Summary (TS).
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Fourth Assessment Report, Working Group 1, 2007,
Summary for Policymakers (SPM).
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Special Report on Emissions Scenarios, 2000.
Koninklijk
Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), 2006, Klimaatscenarios zeespiegelstijging.
Milieu-
en Natuurplanbureau (MNP),2007 , NL Later. Tweede Duurzaamheidsverkenning - deel
Fysieke leefomgeving Nederland. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven.
WL
| Delft Hydraulics, 2007, Overstromingsrisicos in Nederland in een veranderend
klimaat.
Adviescommissie
Financiering Primaire Waterkeringen, 2006, Tussensprint naar 2015. Advies over
de financiering van de primaire waterkeringen voor de bescherming van Nederland
tegen overstroming. Klimaatcentrum VU, Amsterdam.
| |
|