Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Klimaat
Veelgestelde vragen
Gevolgen

Hoe snel stijgt de zeespiegel en wat betekent dit voor Nederland?

Het huidige tempo van de zeespiegelstijging is ongeveer 3 millimeter per jaar ofwel 30 centimeter per eeuw. De snelheid van toekomstige stijgingen is moeilijk te bepalen, aangezien er nog veel onzekerheden bestaan in de processen die ten grondslag liggen aan zeespiegelstijging en dan met name de dynamiek van het ijs op Groenland en Antarctica. Voor zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust geeft het KNMI waarden van maximaal 85 centimeter tot het einde van deze eeuw. Waarden boven de 1,5 meter per eeuw lijken uitgesloten. Nederland kan waarschijnlijk nog eeuwen worden beschermd tegen zeespiegelstijging, waarbij vooral de afnemende mogelijkheden voor een vrije uitstroom van rivierafvoeren bepalend zullen zijn voor de lange termijn houdbaarheid van Nederland.

Verleden
Achttienduizend jaar geleden lag de zeespiegel wereldwijd 120 meter lager dan nu. In de periode tussen achttienduizend en zevenduizend jaar geleden is de zeespiegel met ongeveer honderd meter gestegen (ruim 1 meter per eeuw). Daarna is de zeespiegel minder snel veranderd. De afgelopen vierduizend jaar is de zeespiegel ongeveer 2,5 meter gestegen (ruim 6 centimeter per eeuw). Tussen 1880 en 2009 is de mondiale zeespiegel naar schatting gemiddeld met 21 centimeter gestegen.

Met behulp van peilschalen langs de kust en (sinds de 90er jaren) met satellieten kan de zeespiegelstijging direct gemeten worden. Vanaf midden jaren negentig is wereldwijd een duidelijke versnelling te zien. In de periode 1993 tot 2009 is met behulp van satellietgegevens een stijging van circa 3,2 millimeter per jaar gemeten. Directe metingen wijzen op een stijging van circa 2,8 millimeter per jaar. Omdat de reeks van satellietmetingen nog zo kort is, kan niet worden uitgesloten dat de versnelling (deels) veroorzaakt wordt door natuurlijke schommelingen in het zeeniveau gerelateerd aan de opname van warmte in de oceaan en het massaverlies van landijs.

Na 1960 zijn genoeg meetgegevens beschikbaar om de zeespiegelstijging toe te kunnen kennen aan individuele bijdragen van het smelten van gletsjers en kleine ijskappen, de uitzetting van het zeewater, het smelten van de Groenlandse ijskap en het afkalven van de Antarctische ijskap (zie figuur 1). De som van de verschillende bijdragen (bruine balk) is kleiner dan de totaal gemeten zeespiegelstijging (donkerblauw) over de periode 1961-2003. Dit verschil is nog niet goed verklaard. De som van de verschillende bijdragen en het gemeten totaal komen wel goed overeen voor de periode 1993-2003 (dichte balken in figuur 1), omdat er meer meetgegevens beschikbaar zijn.
Figuur 1: Wereldwijde zeespiegelstijging in de 20ste eeuw, in millimeters per jaar. Aparte bijdragen en het totaal zijn gegeven voor de periode 1961-2003 (open balken) en 1993-2003 (dichte balken) [bron cijfers: 4e IPCC rapport, 2007].

Toekomst
Voorspellingen over de zeespiegelstijging zijn moeilijk, omdat men rekening moet houden met veel onzekerheden. Waardoor ontstaan deze onzekerheden?

Ten eerste is er een grote onzekerheid in de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde, die in 2100 ongeveer 1,1 tot 6,4 graden Celsius hoger zal zijn dan in 1990 (IPCC, 4AR, SPM, 2007). Deze forse bandbreedte komt voort uit het feit dat niet voorspeld kan worden hoe de uitstoot van broeikasgassen in deze eeuw zal verlopen. Ook wetenschappelijke onzekerheden over de werking van het klimaatsysteem dragen bij aan de bandbreedte.

Bij een gegeven stijging van de temperatuur is met redelijke zekerheid te bepalen hoe groot de zeespiegelstijging zal zijn ten gevolge van geleidelijke veranderingen. De stijging is een optelsom van de uitzetting van het zeewater, het geleidelijke smelten van gletsjers en van de ijskappen op Groenland en Antarctica. Hoe warmer het wordt, hoe groter de bijdrage van de uitzetting van het zeewater en van het vrijkomen van smeltwater van gletsjers. Op basis van de bovenstaande factoren wordt de zeespiegelstijging voor deze eeuw geschat op 18 tot 59 centimeter. Hierbij is geen rekening gehouden met mogelijke veranderingen in de stroming van ijs op Groenland en Antarctica. In de Summary for Policy Makers van het 4e IPCC rapport (IPCC, 4AR, SPM, 2007) staat de volgende tabel (tabel 1) voor de verschillende emissie scenario’s berekend door een reeks computermodellen:

Tabel 1: Zeespiegelstijging in de 21ste eeuw voor zes verschillende veel gebruikte emissie-scenario’s (IPCC, SRES, 2000). Een belangrijke opmerking bij deze tabel is dat de modelresultaten van de zeespiegelstijging niet de complete bandbreedte van de stijging in atmosfeertemperatuur omvatten, maar alleen betrekking hebben op de middenwaarde. Wanneer de temperatuurstijging in 2100 de bij het hoogste scenario genoemde bovengrens van 6,4 °C bereikt, resulteert dit naar schatting in enkele decimeters extra zeespiegelstijging.

Naast de geleidelijke zeespiegelstijging, zoals weergegeven in de tabel, rapporteert het IPCC dat op sommige plaatsen de afkalving aan de randen van de Groenlandse en de West-Antarctische ijskap de laatste jaren sterk is toegenomen, maar omdat de processen die ten grondslag liggen aan de ijsstroming niet goed door de huidige ijsm odellen worden nagebootst, is een voorspelling moeilijk te maken. Wanneer de recent waargenomen versnelde afname van het ijsvolume wordt geëxtrapoleerd met de verwachte temperatuurstijging in 2100, dan bedraagt de bijdrage van Groenland aan de zeespiegelstijging ongeveer 10 tot 20 centimeter. Op dit moment is niet in te schatten hoe groot de kans is dat de trend inderdaad doorzet (IPCC, 2007) en de uiteindelijke bijdrage kan zowel hoger als lager uitvallen.

Bandbreedtes zeespiegelstijging voor Nederland en mogelijke gevolgen
Gezien de mogelijk grote gevolgen voor Nederland is het van belang het mogelijk versneld afkalven van Groenland en West-Antarctica mee te nemen in de schattingen van de zeespiegelstijging. In de klimaatscenario’s van het KNMI (KNMI, 2006) is daarom een schatting van deze bijdrage meegenomen waarbij rekening wordt gehouden met een temperatuurafhankelijke versnelling van de afsmelting (zie tabel 2). Tevens wordt in de KNMI scenario’s rekening gehouden met een grotere uitzetting in het noordoosten van de Atlantische Oceaan ten opzichte van het wereldgemiddelde (KNMI, 2006), zie figuur 2. Hierdoor komt het KNMI in haar klimaatscenario's van 2006 met een hogere schatting dan het vierde IPCC-rapport (IPCC, AR4, 2007).

Tabel 2: Klimaatscenario’s voor zeespiegelstijging (KNMI, 2006)
Figuur 2: Op de termijn tot 2100 zal op basis van de KNMI scenario’s de zeespiegel maximaal stijgen tot 85 cm boven het niveau van 1990. Er is een onbekende maar kleine kans dat in de tweede helft van deze eeuw de stijging versnelt, indien Groenland en/of West Antarctica versneld afkalven(MNP, 2007).

Geologisch onderzoek wijst uit dat er in het verleden tijden zijn geweest waarin er sprake was van een snellere zeespiegelstijging. Reconstructies van het zeeniveau voor vele duizenden jaren op basis van de groei van koraalriffen geven aan dat in het verleden de zeespiegel met maximaal 100 tot 150 centimeter per eeuw is gestegen. Hoewel zulke reconstructies geen garanties geven voor de toekomst, onderstrepen ze dat een stijging van meer dan 85 centimeter in deze eeuw mogelijk is. Een grotere stijging dan 150 centimeter voor 2100 lijkt uitgesloten. Maar ook het maximum van 150 centimeter deze eeuw betekent voor Nederland al een forse opgave.

Bij lange termijn investeringen in de kustverdediging spelen gebeurtenissen met een kleine kans en grote gevolgen een belangrijke rol. Daarom heeft het KNMI op verzoek van de Deltacommissie in 2008 de mondiale zeespiegelstijging en de zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust voor de jaren 2100 en 2200 opnieuw onderzocht. Op basis van dit onderzoek spreekt de Deltacommissie over een maximale zeespiegelstijging in 2100 (ten opzichte van de periode 1990 tot 2000) van 120 centimeter, terwijl het hoogste KNMI'06 scenario uitgaat van 85 centimeter.

Het verschil van 35 centimeter is verklaarbaar. De Deltacommissie rekende met een wereldwijde opwarming tot 6 graden Celsius in 2100 (dit is de 'likely' bovengrens bij het hoogste emissiescenario volgens IPCC). Daarentegen rekenen de KNMI scenario's met een opwarming van hooguit 4 graden Celsius in 2100 (dit komt overeen met de 'best estimate' schattingen van het IPCC).

Uit een verkennende analyse van het toenmalige Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en WL Delft Hydraulics (MNP, 2007) komt naar voren dat Nederland een zeespiegelstijging van 1 tot 1,5 meter in deze eeuw in beginsel goed aankan door het ophogen van de dijken en het opspuiten van zand langs de kust.
Behalve zeespiegelstijging is ook de sterkte en de frequentie van stormen van belang voor de veiligheid van Nederland. Als uit nader onderzoek zou blijken dat er als gevolg van de temperatuurstijging zwaardere stormen voor de Noordzee verwacht mogen worden, dan zullen aanvullende versterkingen nodig zijn.

Kustbeleid
Naarmate de zeespiegel verder stijgt, nemen de afvoermogelijkheden onder vrij verval voor de regionale watersystemen en de rivieren af, stijgt het waterpeil in het benedenrivierengebied en nemen de getijde- en zoutinvloed landinwaarts toe. De hogere waterstanden en het wegvallen van het vrije verval vragen dijkverhogingen in een steeds groter deel van Zuidwest-Nederland, het rivierengebied en het IJsselmeergebied. Zo zal bij een zeespiegelstijging van twee meter de getijdeninvloed zich uitstrekken tot aan Tiel.

Het Deltaprogramma is op 1 februari 2010 van start gegaan en het heeft tot doel om Nederland nu en in de toekomst te beschermen tegen hoog water en de zoetwatervoorziening op orde te houden. Voor het kustbeleid betekent dit dat er zand aangevoerd wordt, om het kustfundament mee te laten groeien met de zeespiegelstijging.

Om de zeespiegelstijging te kunnen bijhouden, heeft Nederland op relatief korte termijn al meer zand nodig dan nu. Het Rijk onderzoekt hoe snel deze ontwikkelingen gaan en hoeveel zandsuppleties nodig zijn. Daarbij wordt gekeken naar de verwachte ontwikkeling van de zeespiegelstijging, de hoeveelheid zand die uit het kustfundament verdwijnt en de beschikbaarheid van zand en mogelijkheden voor zandwinning.

Ook onderzoekt het Deltaprogramma een mogelijke oplossing voor problemen die door klimaatverandering ontstaan in de regio Rijnmond-Drechtsteden. Naar verwachting zullen de hogere zeespiegel, hogere rivierafvoeren en zoutindringing zorgen voor verzilting van de landbouwgebieden. Dit vormt een bedreiging voor onder andere land- en tuinbouw, ecologie en handhaving van het waterpeil. Met het oog op deze problematiek adviseerde de Deltacommissie (2008) te onderzoeken of het gebied met waterkeringen ‘afsluitbaar open’ gemaakt zou moeten worden. Door het inzetten van flexibele keringen kan het Rijnmondgebied bij hoogwater afgesloten worden.

Nederland is waarschijnlijk nog eeuwen bestendig te houden is tegen klimaatverandering en zeespiegelstijging. Afnemende mogelijkheden voor een vrije uitstroom van rivierafvoeren zullen bepalend zijn voor de lange termijn houdbaarheid van Nederland.

Gegeven de grote onzekerheden en onbekende maar klein geachte kans op een sterk versnelde afsmelting en desintegratie van de ijskappen op Groenland en Antarctica, stelt het MNP (MNP, 2007) dat het niet nodig is ons nú al voor te bereiden op een stijging van meer dan 1,5 meter in deze eeuw. Als meest waarschijnlijke bandbreedte voor de te verwachten zeespiegelstijging deze eeuw voor Nederland, gelden de ramingen van het KNMI van 35 tot 85 centimeter per eeuw. Daarbij lijkt het verstandig om rekening te houden met een stijging van rond de 85 centimeter, ervan uitgaande dat het niet vanzelfsprekend is dat op afzienbare termijn op wereldschaal een sterke reductie van de broeikasgasemissies tot stand zal komen. Tevens is het van belang te onderkennen dat ook na 2100 de zeespiegel verder zal stijgen. Volgens het KNMI zal in het jaar 2300 de zeespiegel met 1 tot 2,5 meter gestegen zijn ten opzichte van 1990 (KNMI, 2006).

Laatste update: 28 juni 2011

Meer lezen:
Smelt het ijs op Groenland?
KNMI Achtergrondinformatie zeespiegelstijging
KNMI Toelichting op het IPCC klimaatrapport (zeespiegelstijging)
Deltaprogramma
Achtergronden klimaatscenario Deltacommissie

Referenties
Church, J. A. and N.J. White (2011): Sea-Level Rise from the Late 19th to the Early 21st Century. Surv Geophys, DOI 10.1007/s10712-011-9119-1.

Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), Fourth Assessment Report, Working Group 1, 2007, Technical Summary (TS).

Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), Fourth Assessment Report, Working Group 1, 2007, Summary for Policymakers (SPM).

Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), Special Report on Emissions Scenarios, 2000.

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), 2006, Klimaatscenario’s zeespiegelstijging.

Milieu- en Natuurplanbureau (MNP),2007 , NL Later. Tweede Duurzaamheidsverkenning - deel Fysieke leefomgeving Nederland. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven.

WL | Delft Hydraulics, 2007, Overstromingsrisico’s in Nederland in een veranderend klimaat.

Adviescommissie Financiering Primaire Waterkeringen, 2006, Tussensprint naar 2015. Advies over de financiering van de primaire waterkeringen voor de bescherming van Nederland tegen overstroming. Klimaatcentrum VU, Amsterdam.