Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; Ministerie van Infrastructuur en Milieu

 
Klimaat
Veelgestelde vragen
Oorzaken

Draagt kosmische straling bij aan klimaatverandering?
Kosmische straling bestaat uit elektrisch geladen deeltjes, die de atmosfeer binnenkomen. Deze deeltjes zorgen ervoor dat er aërosolen gevormd worden, die volgens sommigen invloed hebben op wolkenvorming en op ons klimaat. Het is niet waarschijnlijk dat deze stelling klopt. Er zijn geen metingen die bevestigen dat kosmische straling een effect van betekenis heeft op wolkenvorming. Bovendien is de hoeveelheid kosmische straling die op aarde gemeten is, de afgelopen 35 jaar niet structureel toe- of afgenomen. Veranderingen in de hoeveelheid kosmische straling kunnen dus geen oorzaak zijn van de waargenomen opwarming in die periode.

De aarde wordt continu gebombardeerd met kosmische straling. Deze straling bestaat uit zeer hoogenergetische (snelle) geladen deeltjes, voornamelijk protonen (90%), heliumkernen (9%) en elektronen (1%). Supernovae resten, neutronensterren en mogelijk zwarte gaten worden beschouwd als de meest waarschijnlijke bron van kosmische straling. De zon zendt zelf ook deeltjes (zonnevlammen) uit, maar met een beduidend lagere energie dan de kosmische straling van buiten het zonnestelsel.

Het bombardement van kosmische straling neemt toe als de zon minder actief wordt en het neemt af als de zon actiever wordt. Een relatief actieve zon heeft niet alleen een sterkere lichtkracht, maar ook een sterker magneetveld. Naarmate het magneetveld sterker wordt, dringt er minder kosmische straling de atmosfeer binnen. Bij een rustige zon is de afschermende werking van het magneetveld klein en het bombardement van kosmische straling maximaal.

Volgens sommigen veroorzaakt een actieve zon een extra stijging van de temperatuur op aarde, bovenop de temperatuurstijging die het gevolg is van de grotere lichtkracht van de zon. En andersom zou een toename van de hoeveelheid kosmische straling die de aarde bereikt zorgen voor een extra afkoeling. De straling die de atmosfeer binnenkomt, reageert namelijk met moleculen, waardoor aërosolen (deeltjes) gevormd worden. Deze aërosolen zouden na voldoende samenklontering kunnen dienen als zogenoemde condensatiekernen, waarop waterdamp condenseert, zodat er extra wolken gevormd worden.

Svensmark en Friis-Christensen (1997) stellen dat variaties in kosmische straling op deze manier zorgen voor veranderingen in de lage bewolking. Als de lichtkracht van de zon laag is, zou de afkoeling worden versterkt door deze toename in bewolking. Als de lichtkracht toeneemt, zou de hoeveelheid bewolking afnemen, waardoor het extra opwarmt. Op die manier zou kosmische straling de invloed van de zon op ons klimaat versterken. Volgens Svensmark en Friis-Christensen zou dit bijdragen aan de huidige opwarming, want de zon is de afgelopen zeventig jaar actiever geweest dan in de achtduizend jaar daarvoor (Solanski, 2006).

Problemen bij het mechanisme ‘Kosmische straling - Wolkenvorming’
Hieronder bespreken we de diverse stappen in de keten van processen van kosmische straling tot wolkenvorming.

1. Trend in gemeten kosmische straling
Als kosmische straling (mede) de oorzaak is van de huidige opwarming, zou de hoeveelheid van deze straling die de atmosfeer binnenkomt een trend moeten laten zien. Zoals uit figuur 1 blijkt, is dit niet het geval.

Figuur 1: Ontwikkeling wereldgemiddelde temperatuur (CRU) en waargenomen kosmische straling vanaf 1953.

2. Aërosolen
De aërosolen die gevormd worden door kosmische straling, zijn vele malen te klein om te dienen als condensatiekernen. Dit betekent dat waterdamp niet condenseert als het in aanraking komt met deze kleine aërosolen.

Het is nog onduidelijk of de aërosolen die gevormd worden door kosmische straling snel genoeg kunnen samenklonteren tot deeltjes die groot genoeg zijn om te dienen als condensatiekernen. Uit een recent experiment van het Europese Centrum voor Nucleair Onderzoek (CERN) blijkt dat er nog veel vragen zijn rond de processen, die een rol spelen bij de formatie condensatiekernen. Wel wordt als resultaat gegeven dat kosmische straling het aantal gevormde kleine aërosolen significant doet toenemen. Dit gebeurt vooral op grotere hoogte in de atmosfeer. In de onderste lagen van de atmosfeer kan slechts een klein deel van de waargenomen aantallen aërosolen, zelfs na toename door kosmische straling, worden toegeschreven aan het bij het CERN onderzochte proces.

Er zijn doorgaans al genoeg aërosolen in de atmosfeer die kunnen dienen als condensatiekernen, dus eventueel toegevoegde aërosolen leiden dan nauwelijks tot extra wolkvorming. Zelfs boven de relatief schone delen van oceanen (bijvoorbeeld op het zuidelijk halfrond) is de concentratie van aërosolen voldoende hoog om wolken te vormen. Dit verklaart waarschijnlijk waarom een duidelijk effect van kosmische straling op wolkenvorming niet is waargenomen. De publicatie 'News in Climate Science Since IPCC 2007' gaat hier dieper op in.

3. Wolken
Als er wel extra wolken gevormd zouden worden in de situatie met verhoogde kosmische straling, zou dit niet automatisch betekenen dat het opwarmt. De relatie tussen de hoeveelheid bewolking en temperatuur is namelijk complex en sterk afhankelijk van de hoogte van de wolk. Gemiddeld over de dag betekent een toename van lage bewolking een afkoeling, terwijl een toename in de hoge bewolking (vanaf circa 7 kilometer hoogte) juist opwarming veroorzaakt. Voor het onderzoeken van de stelling of een toename van kosmische straling leidt tot afkoeling, moet dus gekeken worden naar de vorming van lage bewolking.

In publicaties van Marsh en Svensmark uit 2000 en 2003 zou blijken dat de hoeveelheid zonnevlekken en dus kosmische straling invloed heeft op de totale hoeveelheid wolken (zie figuur 2). Voor het vaststellen van deze samenhang maakten zij gebruik van de ISCCP dataset. Deze dataset bevat gegevens over wolken, die verzameld zijn met behulp van satellieten.

Figuur 2: Kosmische straling in % afname t.o.v. zonnevlekkenminima (rood) en verandering van bedekkingsgraad van lage bewolking (blauw) in %. De getoonde sterke correlatie is twijfelachtig (zie figuur 6). Bron: Marsh en Svensmark, 2003.

De auteurs Sun en Bradley (2004) vinden op basis van dezelfde dataset echter nauwelijks samenhang tussen kosmische straling en lage bewolking (zie figuur 3).

Figuur 3: Kosmische straling (GCR) en lage bewolking: boven Stratus (St) Stratocumulus (Sc), onder Cumulus (Cu). De correlatie van lage bewolking en kosmische straling is aanzienlijk kleiner dan weergegeven door Svensmark en Marsh (2003).
Bron: Sun en Bradley, 2004.

Daarnaast zitten er grote onzekerheden in de gegevens van de ISCCP dataset die betrekking hebben op lage bewolking. De gegevens zijn namelijk verzameld door satellieten, waarbij de hoge bewolking de lage bewolking kan maskeren. Bovendien kan de overgang naar nieuwe instrumenten aan boord van satellieten hebben gezorgd voor problemen bij het gelijkschakelen van gegevens die door de verschillende instrumenten zijn verzameld waardoor trends moeilijk detecteerbaar zijn.

Testen verband tussen zonne-activiteit en mondiale temperatuurverandering
In plaats van het vaststellen hoe of kosmische straling via fysische processen invloed heeft op wolkenvorming, kunnen we ook bepalen hoe het temperatuurverloop in de laatste eeuw eruit zou zien als de zonne-activiteit een groot effect op bewolking zou hebben. Volgens Svenmark en Friis Christensen (1997) is in de periode 1987 tot 1990, met respektievelijk een zonnevlekkenminimum en -maximum, een verandering van 3% bedekkingsgraad (in lage bewolking) opgetreden. Een dergelijke grote verandering leidt tot een wereldgemiddeld temperatuureffect van ongeveer 0,2 graden.

Bovenstaande hypothese, 3% verandering in bewolking tussen 1987 en 1990, is door Van Dorland (1999) toegepast op een reeks met zonnevlekkenaantallen sinds 1880. Het aantal zonnevlekken dient hierbij als maat voor de hoeveelheid kosmische straling en daarmee voor de hoeveelheid bewolking. Met behulp van een klimaatmodel zijn vervolgens de temperatuurschommelingen berekend (doorgetrokken lijn in figuur 4).

Figuur 4: Waargenomen temperatuur (stippellijn) en berekende temperatuurtrend als kosmische straling de oorzaak zou zijn van temperatuurveranderingen. Bron: Van Dorland, 1999.

De berekende temperatuurschommelingen sinds 1950 vertonen qua timing een redelijke samenhang met de schommelingen in de gemeten temperatuur. In de eerste helft van de 20ste eeuw is echter sprake van een anticorrelatie. Bovendien is er sprake van een stijging van de temperatuur, die absoluut niet verklaard kan worden door veranderingen in kosmische straling.

De temperatuurstijging én schommelingen van de afgelopen 50 jaar kunnen wel verklaard worden door een combinatie van andere factoren: vulkaanuitbarstingen, El Niño en menselijke invloeden (zie ook vraag “Wat is de rol van de zon in de waargenomen opwarming?”). Deze factoren hebben samen met veranderingen in de lichtkracht van de zon ook effecten op bewolking. Veranderingen in bedekkingsgraad van wolken, waargenomen door satellieten, zijn dus nog allerminst het bewijs van veranderingen in kosmische straling.

Onwaarschijnlijk
Het is dus onwaarschijnlijk dat kosmische straling (mede) de oorzaak is van de stijging van de wereldgemiddelde temperatuur. De aërosolen die als gevolg van kosmische straling gevormd worden, zijn te klein om condensatie te veroorzaken. Daarnaast is de relatie tussen wolkenvorming en temperatuur complex, zodat er geen sprake is van een causaal verband.

Laatste update: 23 september 2011

Referenties:
Marsh, N. D., and H. Svensmark, Galactic cosmic ray and El Niño – Southern Oscillation trends in International Satellite Cloud Climatology Project D2 Low Cloud Properties, J. Geophys. Res., 108, D6, 4195, doi:10.1029/2001JD001264, 2003.

Marsh, N. D., and H. Svensmark, Low cloud properties influenced by cosmic rays, Phys. Rev. Lett., 85, pp. 5004-5007, 2000.

Sun, B., and R.S. Bradley, Reply to comment by N.D. Marsh and H. Svensmark on “solar influences on cosmic rays and cloud formation: a reassessment”, J. Geophys. Res., 109, D14206, doi:10.1029/2003JD004479, 2004.

Svensmark, H., J.O. Pepke Pedersen N. Marsh, M. Enghoff and U. Uggerhøj, Experimental Evidence for the role of Ions in Particle Nucleation under Atmospheric Conditions, Proceedings of the Royal Society A, 2006 (Early Online Publishing).

Van Dorland, R., C. de Jager and G.J.M Versteegh, Scientific Assessment of Solar Induced Climate Change, Report 500102001 Climate Change: Scientific assessment and policy analysis (WAB), 2006.

Van Dorland, R., C. de Jager and G.J.M Versteegh, Zongedreven klimaatverandereringen: een wetenschappelijke verkenning, Samenvatting WAB rapport: Scientific Assessment of Solar Induced Climate Change, 2006.

Van Dorland, R., Radiation and Climate: from radiative transfer modelling to global temperature response, Ph.D. Thesis, ISBN 90-646-4032-7, 1999.(deel 1), (deel 2), (deel 3), (deel 4), (deel 5), (deel 6).