Klimaat
Veelgestelde vragen
Oorzaken
Vrijwel
alle energie in het klimaatsysteem is afkomstig van de zon. De huidige klimaten
op aarde hebben direct verband met de hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak
bereiken. De jaarlijkse verandering in die hoek, als gevolg van de baan van de
aarde om de zon in combinatie met de hoek die de aardas met deze baan maakt, verklaart
de seizoenen, die kunnen worden gezien als een jaarlijkse terugkerende klimaatschommeling.
In deze vraag worden klimaatveranderingen door variaties in zonneactiviteit
beschouwd. Dit betreft lichtkrachtvariaties en/of veranderingen in het magneetveld
van de zon op tijdschalen van circa 11 jaar (zonnevlekkencyclus) tot 2300 jaar.
Uit directe metingen sinds 1978 blijkt dat alle trends die betrekking hebben op
de zon en die van invloed zouden kunnen zijn op het wereldwijde klimaat, een koelend
effect laten zien. Lange termijn variaties zijn onzekerder. Volgens de meest recente
inzichten is de beste schatting van de toename van de temperatuur door de zon
sinds de periode 1645-1715 (Maunder Minimum, de periode met minimale zonneactiviteit)
maximaal 0,4 graden. Deze schatting is gerelateerd aan lichtkrachtvariaties. De
beïnvloeding via de magnetische activiteit, bijvoorbeeld via variaties in
kosmische straling, die op haar beurt wolkenvorming zou kunnen beïnvloeden,
lijkt op grond van de gegevens van de laatste 50 jaar niet bijster aannemelijk.
Voor zover de kennis nu reikt is de zon in de afgelopen 50 jaar niet een overheersende
klimaatfactor.
Zonneactiviteit in het verleden
Volgens
Physikalisch-Meteorologisches Observatorium Davos at the World Radiation Center
is er tenminste sinds 1978, het begin van satellietwaarnemingen, geen toename
in zonneactiviteit geweest. Dit betekent dat in de laatste dertig jaar, de periode
waarin temperaturen het snelste zijn gestegen, zonneactiviteit niet is veranderd.
Dit wordt ook expliciet bevestigd door Solanki (Solanki, 2004) waarin de zonneactiviteit
over de afgelopen 11.400 jaar wordt geschat. Deze studie wordt vaak aangehaald
omdat hij zou aantonen dat de zon verantwoordelijk is voor de opwarming van de
aarde: de zon is in de afgelopen 8.000 jaar immers nog nooit zo actief geweest
als nu. Echter, ook Solanki schrijft dat de opwarming van de laatste 30 jaar niet
door de zon verklaard kan worden.
Door onder andere het Max Planck Institute
wordt er onderzoek verricht om de zonneactiviteit tijdens de laatste honderd jaar,
vóór het satteliettijdperk, te reconstrueren. Deze reconstructie
laat geen toename zien sinds ongeveer 1940, maar wel een toename in de eerste
helft van de 20ste eeuw, wat een deel van de opwarming tussen 1910 en 1945 kan
verklaren. Figuur 1 toont de temperatuurgegevens uit waarnemingen en modellen,
en variaties in de belangrijkste factoren die bij hebben gedragen aan het klimaat
in de 20ste eeuw. Enkele studies suggereren dat de zonneactiviteit momenteel over
het maximum heen is en in de komende decennia zal afnemen.
Figuur
1: De invloed van verschillende factoren op het temperatuurverloop van de 20ste
eeuw.
Bron: Meehl et. al. (2004). Volgens de meest recente inzichten
is de beste schatting van de toename van de temperatuur door de zon maximaal 0,4
graden. Dit is gerekend vanaf de periode 1645-1715 en gebruik makend van een hoge
klimaatgevoeligheid van 4,5 graden (KNMI, 2006). Deze periode, het Maunder
Minimum genoemd, is gekozen omdat in die periode de zon relatief inactief
was (uitgedrukt in het aantal zonnevlekken en vergelijkbaar met de periode 1790-1820,
het Dalton Minimum, waarin de activiteit ook zeer laag was, zie figuur 2) en er
sprake was van een koele periode op het Noordelijke halfrond. In hoeverre dit
direct samenhing met de zon is lastig vast te stellen omdat het ook een periode
was met hoge vulkanische activiteit. De koeling die dit tot gevolg had, was waarschijnlijk
vergelijkbaar met de koeling door een minder actieve zon. Een exacte verdeling
is echter niet te geven door de grote onzekerheid in beide getallen.
Figuur
2: Zonneactiviteit sinds 1750 in termen van het aantal geobserveerde zonnevlekken.
Hoe meer zonnevlekken, hoe hoger de activiteit.
Bron: NASA.
Zonnevlekken
nader verklaard
Satellietmetingen wijzen uit dat gedurende een zonnevlekkenmaximum
de zon feller schijnt dan wanneer er geen zonnevlekken aanwezig zijn. Voor de
laatste twee zonnevlekkencycli bedroeg dit verschil 0,08%. Hoewel de zonnevlekken
de zon iets donkerder maken, wordt dit overgecompenseerd door de toename van activiteit
hogerop in de zonne-atmosfeer via de zogeheten faculae. Naast de ongeveer
11-jarige zonnevlekkencyclus, die deel uitmaakt van de 22-jarige magnetische cyclus,
zijn ook langzamere variaties gevonden, via variaties in de kosmogene isotopen,
10Be en 14C, zoals de circa 90-jaar Gleissberg en de circa 200-jaar Suess cycli.
In figuur 2 is dit zichtbaar in de modulatie van het aantal zonnevlekken.
Volgens
het vierde rapport van de IPCC (IPCC AR4, SPM, 2007), zijn veranderingen in de
zon sinds 1750 verantwoordelijk voor een stralingsforcering van +0.12 [+0.065
to +0.30] W m2. Dit komt overeen met een temperatuursverandering van maximaal
+0,13 [+0.07 tot 0,33] 0C. De bovengrens is lager dan de hierboven genoemde 0,4
graden omdat in de periode 1715-1750 de stralingsforcering van de zon is toegenomen
met ongeveer 0,07 W/m2. Figuur 3 uit de Summary for Policy Makers van AR4 geeft
aan dat de bijdrage van de zon in verhouding tot de bijdrage van de broeikasgassen
klein is.
In een recente wetenschappelijke publicatie van Lockwood and Fröhlich
(2007) wordt bovendien vastgesteld dat de zon weliswaar in de eerste helft van
de vorige eeuw een bijdrage heeft geleverd aan de opwarming, maar dat sinds 1980
alle trends die betrekking hebben op de zon en die van invloed zouden kunnen zijn
op het wereldwijde klimaat,juist een koelend effect laten zien. Met andere woorden;
in de laatste 25 jaar heeft de zon eerder bijgedragen aan een vertraging van de
opwarming dan aan een versterking daarvan.
Figuur
3: Wereldgemiddelde stralingsforcering (RF) in 2005 door kooldioxide (CO2), methaan
(CH4), distikstofoxide (N2O) en andere belangrijke broeikasgassen en processen.
Bron:
IPCC, vierde rapport, Summary for Policy Makers, 2007.Andere
mogelijke bijdragen van de zon
Overigens is het nooit uit te sluiten
dat de bijdrage van de zon toch groter is dan in figuur 3 wordt aangegeven, bijvoorbeeld
door veranderingen in de UV-straling van de zon of door gemagnetiseerde plasma-uitbarstingen
(de Coronale Massa Emissies of CMEs). Echter, de geopperde mechanismen
zijn vooralsnog te zwak onderbouwd om een serieuze alternatieve verklaring te
kunnen vormen (zie ook Foukal, 2006). De suggestie dat de zon het klimaat ook
indirect zou kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van
kosmische straling wordt nog steeds onderzocht maar lijkt op grond van de gegevens
van de laatste 50 jaar niet bijster aannemelijk. Een tweede wijze van indirecte
beïnvloeding via de relatief sterke variaties in ultraviolet licht, die ozonveranderingen
in de hoge atmosfeer veroorzaken, is wel uitgebreid onderzocht: dit veroorzaakt
zeer kleine mondiale temperatuurveranderingen.
Meer
lezen:
Physikalisch-Meteorologisches
Observatorium Davos,
Max
Planck Institute for Solar System Research
Referenties:
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Working Group 1, 2007, Technical Summary (TS).
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Working Group 1, 2007, Summary for Policy Makers
Koninklijk
Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), 2006, Scientific Assessment of Solar
Induced Climate Change, 2006.
Meehl,
G.A., Washington, W.M., Ammann, C.M., Arblaster, J.M., Combinations of Natural
and Anthropogenic Forcings in Twentieth-Century Climate, Journal of Climate, 17,
3721-3727,American Meteorological Society, October, 2004.
NASA,
Zurich sunspot number since 1750, Wikipedia, 2007
P.
Foukal, C. Fröhlich, H. Spruit & T. M. L. Wigley, Variations in solar
luminosity and their effect on the Earth's climate, Nature 443, 161 - 166 ,2006
S.
K. Solanki, I. G. Usoskin, B. Kromer, M. Schüssler & J. Beer, Unusual
activity of the Sun during recent decades compared to the previous 11,000 years,
Nature, Vol 431, 1084 1087, 2004.