Klimaat
Veelgestelde vragen
Oorzaken
De
kooldioxide (CO2) concentratie in de atmosfeer stijgt de laatste eeuwen voornamelijk
door de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals kolen, aardolie en aardgas.
Op grond van een vijftal argumenten kan dit worden vastgesteld.
De mens
is de hoofdoorzaak van de CO2 stijging sinds de industriële revolutie. Dit
blijkt uit de volgende argumenten, die hieronder uitgewerkt worden:
De stijging
van de CO2 concentratie in de atmosfeer
1.
gaat gelijk op met het gebruik
van fossiele brandstoffen.
2.
gaat gepaard met een daling van het zuurstofgehalte
in de atmosfeer.
3.
gaat gepaard met een verandering in de isotopen
samenstelling van CO2.
4.
ijlt op het Zuidelijk Halfrond na op die op
het Noordelijk Halfrond.
5
..leidt tot meer opslag van CO2 in oceanen
en veroorzaakt verzuring.
1.De CO2 stijging gaat gelijk
op met het gebruik van fossiele brandstoffen
Tussen 1970 en 2004 zijn
zowel het tempo van de stijging (de toename van de CO2 concentratie per jaar)
als het jaarlijkse gebruik van fossiele brandstoffen bijna verdubbeld (figuur
1). Zo bedroeg de uitstoot in 2005 zon 8 miljard ton koolstof tegen 4 miljard
ton koolstof in 1970. In diezelfde periode is de groei van de CO2 concentratie
in de atmosfeer toegenomen van 1 naar 2 ppm per jaar.
De overeenkomst
tussen de toename van CO2 in de atmosfeer en de trend in de uitstoot van fossiele
brandstoffen bevestigen de stelling dat de toename van CO2 veroorzaakt is door
de uitstoot van broeikasgassen door de mens.
Figuur
1: CO2 toename in de atmosfeer in ppm per jaar in relatie tot de mondiale uitstoot
in miljard ton koolstof per jaar. Bron IPCC, 2007.
2.
De CO2-stijging gaat gepaard met een daling van het zuurstofgehalte in de atmosfeer.
Voor de verbranding van fossiele brandstoffen is zuurstof (O2) nodig waarbij
CO2 en water (H2O) ontstaan. De daling van het zuurstofgehalte in de atmosfeer
stemt overeen met de hoeveelheid verbruikte brandstoffen (figuur 2) (zie vraag
Neemt de hoeveelheid zuurstof af door verbranding van fossiele brandstoffen?).
Als de opwarming van de oceanen de oorzaak zou zijn van de CO2 stijging, zou je
een stijging van het zuurstofgehalte in de atmosfeer verwachten. De oplosbaarheid
van zuurstof in water neemt, net als die van CO2, af bij toenemende temperatuur.
 |
Figuur
2: Recente CO2 concentraties en emissies. (a) Toename CO2 concentratie en afname
zuurstofgehalte (maandelijks gemiddelde). Vanwege meer landoppervlak met vegetatie
op het noordelijk halfrond is er een sterke seizoenscyclus van atmosferisch CO2.
Het verschil tussen minimum en maximum bedraagt circa 6 ppm. Ook zuurstof vertoont
door de wisselwerking met de biosfeer een sterke seizoenscyclus (b) Jaarlijkse
mondiale CO2 emissies door de verbranding van fossiele brandstoffen en cementproductie
in miljarden ton koolstof per jaar (zwarte lijn) en de afnemende isotopenverhouding
13C/12C. Bron: IPCC, 2007. 3. De CO2 stijging
gaat gepaard met een verandering in de isotopen samenstelling van CO2.
Ook
aan het gewicht van de CO2 in de atmosfeer kunnen we zien dat de oorzaak van de
toename verbranding is. Niet alle CO2 is hetzelfde. Koolstof komt van nature voor
in drie isotopen. Zij verschillen van elkaar in gewicht. Ongeveer 99% van de koolstof
op aarde is koolstof-12 (12C), ongeveer 1% is 13C en een zeer kleine fractie is
14C.
De toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer gaat gepaard met een
afname van het aandeel 13C en 14C. Dit komt doordat in fossiele brandstoffen het
aandeel 13C en 14C kleiner is dan in het atmosferische CO2.
Fotosynthese
heeft een voorkeur voor 12C, waardoor planten en dus ook fossiele brandstoffen
relatief weinig 13C bevatten. Het koolstof-14 isotoop ontstaat hoog in de atmosfeer
door interactie van lucht met kosmische straling. Dit isotoop is radioactief en
heeft een vervaltijd van ongeveer 5700 jaar. Fossiele brandstoffen, die miljoenen
jaren onder de grond hebben gezeten, hebben daarom vrijwel al hun 14C verloren.
Door verbranding van fossiele brandstoffen neemt het aandeel van 13C
(figuur 4b) en 14C in de atmosfeer dus af. Het 14C gehalte in de atmosfeer, afgeleid
uit boomringen, nam in de periode 1850-1954 inderdaad af (Suess, 1955). Na 1954
werd het 14C gehalte verstoord door nucleaire testexplosies. Waarnemingen laten
eveneens een daling zien van het 13C gehalte in de atmosfeer (Keeling et al.,
1979; IPCC 2007). Deze waargenomen veranderingen zijn consistent met veranderingen
in de verschillende koolstofstromen over de laatste eeuw.
4.
De CO2 stijging op het Zuidelijk Halfrond ijlt na op die op het Noordelijk Halfrond.
De uitstoot van CO2 door menselijke activiteiten gebeurt vooral op het Noordelijk
Halfrond met het meeste land en industriële centra. De uitwisseling van lucht
tussen het Noordelijk en het Zuidelijk halfrond duurt ongeveer twee jaar. De CO2
concentratie op het Zuidelijk Halfrond ijlt inderdaad ongeveer 2 jaar na op die
op het Noordelijk Halfrond. Het verschil in CO2 concentratie tussen de twee halfronden
is in de loop der tijd toegenomen, in overeenstemming met de toegenomen jaarlijkse
uitstoot van CO2 (figuur 3).
Figuur
3: CO2 toename in de atmosfeer in ppm per jaar in relatie tot de mondiale uitstoot
in miljard ton koolstof per jaar. Bron IPCC, 2007.5.
De CO2 stijging leidt tot meer opslag van CO2 in oceanen en veroorzaakt verzuring.
Van de CO2 uitstoot door menselijke activiteiten blijft ongeveer 60% achter
in de atmosfeer, 20% verdwijnt in de oceanen en 20% verdwijnt in de biosfeer (Canadel
et al, 2007). Door de opname van de extra CO2 door de oceanen neemt de verzuring
van de oceanen toe. Sinds 1750 is de zuurgraad (pH) van het oceaanwater gedaald
met circa 0,1. Van ontgassing en netto transport van CO2 van de oceanen naar de
atmosfeer is dus geen sprake, de CO2 concentratie in de oceanen neemt juist toe.
Zijn
er tegenargumenten?
Als tegenargument voor de menselijke invloed op
de stijging van de CO2 concentratie wordt doorgaans genoemd dat de mens jaarlijks
relatief weinig CO2 aan de atmosfeer toevoegt, namelijk slechts 3% ten opzichte
van de natuurlijke koolstofstromen (zie de koolstofcyclus). Kleine veranderingen
in de koolstofkringloop door natuurlijke processen kunnen volgens dit argument
daardoor de oorzaak zijn van de huidige CO2 stijging.
Bijvoorbeeld, de
CO2 stijging zou het gevolg kunnen zijn van de temperatuurstijging, omdat de oplosbaarheid
van CO2 in water afneemt bij toenemende temperatuur. De waargenomen temperatuurstijging
van het zeewater zou dan dus kunnen leiden tot ontgassing en netto transport van
CO2 van de oceanen naar de atmosfeer. De waargenomen verzuring van de oceanen
geeft echter aan dat er geen sprake is van ontgassing van de oceanen.
Ook
is het feit, dat de jaarlijkse CO2 uitstoot door menselijke activiteiten momenteel
slechts 3% bedraagt van de natuurlijke koolstofstromen, niet voldoende als tegenargument.
Gedurende de laatste tienduizend jaar tot aan de industriële revolutie zijn
de (natuurlijke) koolstofstromen nagenoeg constant gebleven getuige een nagenoeg
stabiele CO2 concentratie in de atmosfeer, schommelend tussen 260 en 280 ppm.
Een toevoeging van CO2, hoe klein ook, verstoort dit (quasi-)evenwicht. In combinatie
met de relatief lange verblijftijd van CO2 in de atmosfeer (50
tot 200 jaar) (IPCC, 1994) accumuleert de extra CO2 in de atmosfeer.
Het is wel zo dat de CO2-concentratie ook varieert doordat de biosfeer het
ene jaar meer CO2 opneemt dan het andere. Deze natuurlijke variaties zijn echter
kleiner dan de stijging door menselijke emissies in de afgelopen decennia.
Laatste update: 11 augustus 2011
Meer lezen:
Neemt
de hoeveelheid zuurstof af door verbranding van fossiele brandstoffen?
Bepaalt
de temperatuur de CO2 concentratie of andersom?
De
koolstofcyclus
Referenties:
IPCC, 1994: Climate
Change 1994: Radiative Forcing of Climate Change and an Evaluation of the IPCC
IS92 Emission Scenarios. J.T. Houghton, L.G. Meira Filho, J. Bruce, Hoesung Lee,
B.A. Callander, E. Haites, N. Harris and K. Maskell (eds), Cambridge University
Press 1995.
IPCC,
2007: Climate Change 2007: The Physical Science Basis. Contribution of Working
Group I to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate
Change [Solomon, S., D. Qin, M. Manning, Z. Chen, M. Marquis, K.B. Averyt, M.
Tignor and H.L. Miller (eds.)]. Cambridge University Press, Cambridge, United
Kingdom and New York, NY, USA, 996 pp.
Keeling,
C.D., W.G. Mook, and P.P. Tans, 1979: Recent trends in the 13C-12C ratio of atmospheric
carbon- dioxide. Nature, 277, 121-123.
Suess H.E., 1955: Radiocarbon
content of modern wood. Science, 122, 415-417.