| |
Klimaat
Veelgestelde vragen
Overig
IJstijden
en interglacialen worden primair in gang gezet door variaties in de baan van de
aarde om de zon en de stand van de aardas ten opzichte van die baan. Broeikasgassen
zijn niet de oorzaak van de ijstijden, maar zij versterken de temperatuurveranderingen
wel. De ligging van de continenten en de mate waarin het land is opgeveerd
na beëindiging van de vorige ijstijd bepalen of een volgende ijstijd mogelijk
is. Het verloop van de temperatuur en CO2-concentratie in de laatste
420 duizend jaar laat zien dat beide met elkaar samenhangen. Een cyclus van een
ijstijd en een interglaciaal (warme tijd tussen twee ijstijden) beslaat ongeveer
honderdduizend jaar (figuur 1). Op die tijdschaal wordt klimaatverandering gestuurd
door veranderingen in de baan van de aarde om de zon en de stand van de aardas
ten opzichte van die baan. Figuur
1: Lokale temperatuur op Antarctica (rood), CO2 concentratie (zwart) en methaan-concentratie
(blauw) in de laatste 420 duizend jaar. Het temperatuursverschil tussen glaciaal
en interglaciaal (minimum en maximum van elke cyclus) is op Antarctica ongeveer
twaalf graden. Wereldwijd is het verschil ongeveer zes graden. Bron: IPCC (2001).
Ontstaan
van een ijstijd IJstijden en interglacialen worden primair in gang gezet door
variaties in de manier waarop de aarde om de zon draait. Als deze veranderingen
ervoor zorgen dat de seizoenverschillen op het noordelijk halfrond klein zijn,
treedt er een ijstijd op. In relatief warme winters valt er in het poolgebied
meer sneeuw, waardoor ijskappen sneller aangroeien. In de koele zomers zal daarvan
minder smelten. De toename van het ijsoppervlak zorgt vervolgens voor een toename
van de reflectie van zonlicht, waardoor de aarde afkoelt. De baan van
de aarde rond de zon varieert op drie verschillende manieren:
- De stand
van de aardas ten opzichte van de aardbaan varieert met een periode van ongeveer
41.000 jaar. Dit wordt obliquiteit (scheefheid) genoemd. Naarmate
de aardas minder scheef staat, worden de verschillen tussen zomer en winter kleiner.
Verder
tolt de aardas, waardoor de poolster eens in de 26.000 jaar in het verlengde van
de aardas staat. Dit wordt precessie genoemd. Hierdoor verschuiven de momenten
van de kortste en langste afstand tussen aarde en zon in het seizoen. Momenteel
wordt de kortste afstand op 3 januari bereikt, waardoor de instraling van de zon
tijdens de winter op het noordelijk halfrond groter is dan tijdens de winter op
het zuidelijk halfrond. In deze situatie is het verschil tussen zomer en winter
eveneens kleiner dan wanneer de kortste afstand tussen de aarde en de zon in juni
bereikt wordt. - Ook varieert de ellipticiteit van de baan van de aarde om de
zon. In een periode van 100.000 jaar verandert de aardbaan van vrijwel cirkelvormig
tot een ellips en weer terug naar cirkelvormig. Momenteel is het verschil tussen
de kortste en langste afstand tussen aarde en zon circa 3% dus is de aardbaan
een ellips. De ellipticiteit van de aardbaan beïnvloedt vooral de mate waarin
het tollen van de aardas van belang is in de seizoensvariatie.
De stand
van de aardas, de vorm van de baan om de zon en het tollen van de aardas kunnen
er dus samen voor zorgen dat er een ijstijd in gang gezet wordt. Dit gebeurt ongeveer
eens in de 100.000 jaar.
Sneeuwgrens De
ligging van de sneeuwgrens is bepalend voor het afsmelten van het ijs. De hoogte
van de sneeuwgrens varieert van plaats tot plaats en is afhankelijk van het seizoen
en van de algemene toestand van het klimaat. De luchttemperatuur neemt
met de hoogte af. Het is aan het aardoppervlak op hogere breedte kouder dan in
equatoriale gebieden. Op de evenaar ligt de sneeuwgrens op ongeveer 4.800 meter
hoogte, in de Alpen rond 2.800 meter en naarmate je noordelijker komt, ligt hij
steeds lager. Op een gegeven geografische breedte snijdt de sneeuwgrens het zeeniveau.
Nu ligt dat snijpunt in de Noordelijke IJszee. Door veranderingen in
de baan van de aarde rond de zon zakt de sneeuwgrens bij nadering van een ijstijd
wereldwijd. Hierdoor beweegt het snijpunt van de sneeuwgrens met het zeeniveau.
Als het snijpunt op het land komt te liggen, kan zich een nieuwe ijskap in Noord-Canada
en Noord-Noorwegen beginnen te vormen. IJskappen kunnen niet op zee ontstaan.
Om die reden kan op het zuidelijk halfrond zich ook geen nieuwe grote ijskap vormen.
Verder is Antarctica koud genoeg om ook buiten de ijstijden met ijs bedekt te
zijn. Kleine seizoensverschillen op het zuidelijk halfrond hebben dus veel minder
effect. Als er op het noordelijk halfrond éénmaal een ijskap
is, versterkt hij zichzelf door de grotere weerkaatsing van zonnestraling. Dit
resulteert in afkoeling. Door de groei van de ijskap in zuidelijke richting verandert
de vegetatie rond de ijskap: bossen maken plaats voor toendra. Ook dit heeft een
hogere weerkaatsing van het zonlicht tot gevolg. Bovendien breidt het areaal van
permafrost (altijd bevroren grond) zich uit, zodat de uitstoot van methaan (een
sterk broeikasgas) vermindert. De ijskap groeit tevens vertikaal, de koudere luchtlagen
in, waardoor de groei van de ijskap verder bevorderd wordt. Naast processen
die zichzelf versterken, zijn er tijdens ijstijden ook processen die een kleine
toename van CO2 in de atmosfeer in de hand werken. Zo maakt vrijwel overal op
aarde het bos plaats voor drogere vegetatietypen, die minder CO2 (of koolzuurgas)
opnemen.
CO2-opname door oceanen Ten
tijde van een ijstijd zit er minder koolzuurgas in de atmosfeer, zoals in figuur
1 te zien is. Deze CO2 wordt opgeslagen in de oceanen. In koud water kan namelijk
meer koolzuurgas opgelost worden dan in warm water. Het oppervlaktewater van de
oceanen is min of meer in chemisch evenwicht met de atmosfeer en is dus tijdens
een ijstijd óók verarmd aan koolzuurgas. Door de aangroei van zeeijs
en de verlaging van de zeespiegel wordt het zeeoppervlak kleiner. Dit bemoeilijkt
de opname van CO2 door oceanen. Het CO2 wordt opgeslagen in diepe oceaanlagen.
Dit gebeurt ondermeer doordat de temperatuurcontrasten tussen de polen en de evenaar
tijdens een ijstijd toeneemt. Dit veroorzaakt sterkere winden. Met name de passaatwinden
zijn van belang. Deze winden blazen warm water (bijvoorbeeld aan de kust van Peru
en Chili) van het land af, zodat koud dieptewater omhoog kan komen; de zogenaamde
upwelling. Dat koude dieptewater is zeer voedselrijk. Men veronderstelt dat er
in dat koude water een enorme opbloei plaatsvindt van eencellige organismen, die
al het extra koolzuurgas opnemen. Als ze doodgaan, zinken hun resten naar de diepte,
waardoor het koolzuurgas wordt opgeslagen en buiten de koolstofkringloop terecht
komt. Dat is de zogenaamde biologische pomp. Zowel de diepe menging als
de vastlegging door de biologische pomp zijn processen die veel tijd nodig hebben.
Dit verklaart waarom bij het begin van een ijstijd de daling van het koolzuurgasgehalte
achthonderd tot enkele duizenden jaren (Kawamura et al., 2007) achterloopt bij
de daling van de temperatuur.
Einde van een
ijstijd De volgende processen dragen bij aan het einde van een ijstijd:
- Door een lager broeikasgehalte en het aangroeien van de ijskap
dalen de temperaturen in principe steeds verder, maar valt er ook steeds minder
neerslag waardoor de ijsgroei steeds minder wordt.
- De zeespiegeldaling
en de uitbreiding van het zeeijs leiden ertoe dat het wateroppervlak kleiner wordt,
waardoor ook de CO2 opname afneemt.
- Het landoppervlak daalt een paar honderd
meter door het gewicht van de ijskap, waardoor de sneeuwgrens naar het noorden
opschuift. Dit is geen doorslaggevende factor, maar draagt wel bij aan de beëindiging
van een ijstijd.
- Als uiteindelijk ook door veranderingen in de baan van
de aarde om de zon de seizoensverschillen groter worden, leidt dat in de polaire
zomer tot meer afsmelting en in de winter tot minder neerslag en dus tot minder
aangroei van de ijskap
- Het lichtweerkaatsend vermogen van de ijskappen
neemt sterk af zodra sneeuw en ijs aan de oppervlakte nat worden. Meer warmte
vroeger in het jaar leidt dus direct tot een zeer snelle afname van de weerkaatsing
van het licht (zie Hansen et al., 2007) en veroorzaakt een verder slinken van
de ijskap.
- Door de slinkende ijskap wordt het warmer en smelten op termijn
grote partijen zeeijs. Zonne-energie wordt daardoor in de poolgebieden beter geabsorbeerd,
waardoor de temperatuur nog verder stijgt.
- De oceanen warmen op waardoor
het opgeslagen CO2 weer vrijkomt uit de diepzee en de temperatuurstijging wordt
versterkt.
De overgang van ijstijd naar interglaciaal gaat veel sneller
dan andersom (zie figuur 1). IJstijden en interglacialen worden primair
in gang gezet door variaties in de baan van de aarde om de zon. De mogelijke ijsbedekking
op aarde, door de ligging van de continenten en de mate waarin het land is opgeveerd
na beëindiging van de vorige ijstijd, bepalen of een volgende ijstijd mogelijk
is. Laatste update: 3 augustus 2011 Meer
lezen: Bepaalt
temperatuur de CO2-concentratie of andersom? In
de Middeleeuwen was het ook warmer, waarom komt het dan nu door de mens?
Geraadpleegde
literatuur: Hansen, J., M. Sato, P. Kharecha, G. Russell, D.W. Lea
and M. Siddall, Climate change and trace gases, Phil. Trans. R. Soc, 265, pp.
1925-1954, 2007. Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), Third
Assessment Report, Working Group I (WG I): The Scientific Basis, Climate Change
2001. Kawamura, K., F. Parrenin, L. Lisiecki, R. Uemura, F. Vimeux, J.P.
Severinghaus, M.A. Hutterli, T. Nakazawa, S. Aoki, J. Jouzel, M.E. Raymo, K. Matsumoto,
H. Nakata, H. Motoyama, S. Fujita, K. Goto-Azuma, Y. Fujii and O. Watanabe, Northern
Hemispheric forcing of climate cycles in Antarctica over the past 360,000 years,
Nature, 448, pp. 912-916, 2007. | |
|