| |
Klimaat
Veelgestelde vragen
Scenario's
In de afgelopen
twintig jaar zijn er belangrijke vorderingen gemaakt in de ontwikkeling van klimaatmodellen.
Op mondiale en continentale schaal worden waargenomen klimaatveranderingen binnen
redelijke onzekerheidsmarges gesimuleerd. Hierdoor is vertrouwen in de modellen
ontstaan bij het verkennen van toekomstprojecties. Wel is het zo dat modeluitkomsten
van klimaatmodellen op regionale schaal veel onzekerder zijn. Een ander belangrijk
probleem is de constatering dat volgens modellen de troposfeer in de tropen sneller
zou moeten opwarmen dan het aardoppervlak, terwijl dit niet blijkt uit de waarnemingen.
Het is echter nog onduidelijk of dit komt door een fout in de modellen of door
een fout in de waarnemingen of door een combinatie. Svante
Arrhenius De toename van de temperatuur als gevolg van stijgende CO2-concentraties
werd al geopperd in 1896 door Svante Arrhenius. Hij voerde berekeningen uit om
de temperatuurveranderingen tussen ijstijden en interglacialen aan de hand van
fluctuaties in de CO2 concentraties af te schatten. Hoewel hij de gevoeligheid
van het klimaat voor CO2 met een factor twee overschatte (Arrhenius, 1896), toonde
hij als eerste het logaritmische verband tussen de stijging van CO2 en temperatuur
aan. Arrhenius was zich bewust van het feit dat de CO2 concentratie in de atmosfeer
toenam door menselijke activiteiten. Hij benadrukte hiervan de positieve aspecten,
zoals het voorkomen van een volgende ijstijd en toenemende gewasopbrengsten om
de groeiende wereldbevolking van voedsel te voorzien. Ontwikkeling
en gebruik van modellen De huidige klimaatmodellen stellen ons in staat
om de oorzaken van klimaatveranderingen in het verleden te verklaren en om de
karakteristieken van toekomstige klimaatverandering grofweg te voorspellen met
een bruikbaar niveau van betrouwbaarheid. De combinatie van waarnemingen
van de afgelopen decennia, modelberekeningen en vele andere studies die veranderingen
laten zien in het klimaatsysteem, heeft de klimaatwetenschappers gebracht tot
de uitspraak dat het voor meer dan 90% zeker is, dat door de mens uitgestoten
broeikasgassen het merendeel van de opwarming sinds 1950 hebben veroorzaakt (IPCC,
2007). Ook is het zeer waarschijnlijk dat deze opwarming door een verdere stijging
van broeikasgasconcentraties zal doorzetten. Hoeveel warmer het precies wordt,
is afhankelijk van de toekomstige uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 en methaan,
die als input fungeren voor klimaatmodellen. Tevens is de mate van
opwarming afhankelijk van de gevoeligheid van het klimaat voor de toevoeging van
meer broeikasgassen aan de atmosfeer. Verschillende klimaatmodellen geven verschillende
inschattingen voor deze klimaatgevoeligheid. Volgens het IPCC ligt
de klimaatgevoeligheid waarschijnlijk (d.w.z. kans > 66%) tussen 2 en 4,5 0C
en zeer waarschijnlijk (d.w.z. kans >90%) niet onder de 1,5 0C. Hierbij is
klimaatgevoeligheid gedefinieerd als; de verwachte opwarming voor
iedere verdubbeling van de CO2 concentratie in de atmosfeer. De onzekerheid
in klimaatmodellen en de toekomstige uitstoot van broeikasgassen is meegenomen
in de door het IPCC geprojecteerde wereldwijd gemiddelde temperatuurstijging in
2100 van 1,1- 6,4 °C. Hierbij is verondersteld, dat geen additioneel klimaatbeleid
wordt ingezet (IPCC, SPM, 2007). In de afgelopen twintig jaar zijn er belangrijke
vorderingen gemaakt in de ontwikkeling en het gebruik van klimaatmodellen. De
werking van de modellen is gebaseerd op natuurkundige wetten. Voor enkele belangrijke
processen die te kleinschalig zijn om expliciet te modelleren, zoals wolkenvorming,
worden empirische technieken (parameterisaties) gebruikt, die zijn
gebaseerd op analyses van metingen. De meest geavanceerde computermodellen bevatten
gedetailleerde deelmodellen van de circulaties van de atmosfeer en de oceaan.
Daarnaast bevatten de modellen gedetailleerde beschrijvingen van de terugkoppelingen
tussen alle componenten van het klimaatsysteem, inclusief de cryosfeer (gebieden
met ijs en sneeuw) en de biosfeer (leefgebied van organismen). Klimaatmodellen
zijn in staat gebleken om de hoofdkarakteristieken van het huidige klimaat te
reproduceren, evenals de temperatuurveranderingen over de afgelopen honderd jaar.Het
model wordt dan gevoed met historische gegevens van broeikassen, aërosolen,
zonnestraling en vulkaanuitbarstingen. Ook de karakteristieken van het Holoceen
(6.000 jaar geleden) en het Laatste Glaciale Maximum (21.000 jaar geleden) kunnen
worden gereproduceerd (Ganopolski et al., 1998). De eerste temperatuurprojecties
van het IPCC, die in 1990 gepubliceerd werden op basis van de toen beschikbare
klimaatmodellen, zaten grofweg in dezelfde range als de huidige generatie modellen.
De realisatie van verdere opwarming sinds eind jaren 80 tot nu volgt grofweg
de verwachting. Dit versterkt het vertrouwen in de modellen. Naast de mondiale
oppervlaktetemperatuur zijn er nog enkele andere belangrijke modelvoorspellingen
gedaan en bevestigd (zie voor meer details; IPCC, 2007, WGI): modellen
voorspellen dat de opwarming aan het oppervlak gepaard moet gaan met een afkoeling
van de stratosfeer en dit is inderdaad waargenomen; Modellen zijn redelijk
in staat de patronen van klimaatverandering op continentale schaal te simuleren
modellen voorspellen opwarming van het oppervlaktewater van de oceaan, zoals die
nu wordt waargenomen; modellen voorspellen een onbalans in de energie
van het binnenkomende zonlicht en die van de uitgaande infraroodstraling, deze
is waargenomen; modellen voorspellen een scherpe en kortstondige daling
van enkele tienden graad Celcius in het geval van grote vulkaanuitbarstingen,
wat bevestigd werd na de uitbarsting van Mount Pinatubo in 1991 (de grootste vulkaanuitbarsting
van de 20ste eeuw); modellen voorspellen een versterking van opwarmingstrends
in Arctische gebieden en dit gebeurt inderdaad. Met de rekenkracht van supercomputers
neemt de ruimtelijke resolutie van klimaatmodellen steeds verder toe. Hierdoor
worden processen die in sterke mate beïnvloed worden door gebergteketens
en/of land zee contrasten, zoals (extreme) neerslag beter gesimuleerd. Voor kortere
tijdsperiodes zijn hoge resolutie modellen in staat om bijvoorbeeld de ontwikkeling
van orkanen correct weer te geven. Ook voor die aspecten boeken de klimaatmodellen
dus geleidelijk aan vooruitgang. Het voortschrijdend inzicht inclusief de onzekerheidsmarges
voor diverse aspecten van het klimaatsysteem wordt om de vijf à zes jaar
door het IPCC gerapporteerd op basis van wetenschappelijke artikelen. De beoordeling
van de betrouwbaarheid van klimaatmodellen neemt in deze rapportages een belangrijke
plaats in. Belangrijke tekortkomingen in klimaatmodellen 1.
Kleinschalige processen Niet alle voorspellingen van klimaatmodellen zijn even
betrouwbaar. Zo zijn klimaatveranderingen op de regionale schaal onzekerder dan
de mondiale veranderingen. Er is vooral onzekerheid over klimaataspecten die afhangen
van meer kleinschalige processen. Dit geldt met name voor wolkenvorming, tropische
neerslag, land- zowel als zeeijs en de ontwikkeling van stormen en orkanen. Ook
speelt bij regionale klimaatveranderingen de veranderingen in overheersende windrichting
een belangrijke rol. De relatie tussen de opwarming van de aarde en veranderingen
in circulatie (van belang voor de overheersende windrichting) kan momenteel met
de huidige generatie klimaatmodellen niet eenduidig bepaald worden. 2. Tegenspraak
in de tropen Een veel gehoord kritiekpunt is dat in klimaatmodellen de temperatuur
in de troposfeer (de onderste laag van de atmosfeer) sneller stijgt dan aan het
oppervlak. Volgens de waarnemingen door satellieten en weerballonnen zou dit andersom
zijn. In 2006 is een gedetailleerde studie uitgevoerd door het U.S. Climate
Change Science Program (CCSP) (Karl, 2006), waarin is getracht onder andere op
deze vraag antwoord te geven. Op basis van 49 runs van 19 verschillende klimaatmodellen
bleek dat er geen tegenspraak is, voor wat betreft de wereldgemiddelde temperatuur,
tussen de klimaatmodellen enerzijds en de observaties van satellieten, weerballonnen
en meetstations anderzijds. De range van de modeluitkomsten overlapt grotendeels
de range in de metingen in de verschillende lagen van de troposfeer en de atmosfeer.
Echter, binnen vrijwel alle modellen in de tropen warmt de lage troposfeer sneller
op dan het aardoppervlak, terwijl in de meeste beschikbare observatiereeksen het
omgekeerde geldt. Het eerder genoemde kritiekpunt lijkt dus inderdaad te gelden
voor de tropen. 3. Tropische amplificatie Echter, op basis van theoretische
overwegingen is het logisch dat vooral in de tropen de lage troposfeer sneller
opwarmt dan het landoppervlak: dit wordt tropische amplificatie genoemd. Als de
temperatuur in de tropen aan het oppervlak toeneemt, neemt de convectie toe en
wordt er meer warme vochtige lucht (latente warmte) naar de hogere
troposfeer verplaatst. De latente warmte komt weer vrij bij condensatie en leidt
tot extra temperatuurstijging in deze hogere troposfeer, met een maximum rond
ongeveer 10 km hoogte. Volgens de meeste modellen ligt de versterkingsfactor op
die hoogte rond 2.0 en volgens de theorie (de thermodynamica) zou dat zelfs 2.5
kunnen zijn (Santer et al., 2005). Het laagste gedeelte van de troposfeer dat
door satellieten wordt gemeten is het gebied tot ongeveer 8 km hoogte, waarbinnen
de gemiddelde tropische versterkingsfactor ongeveer 1.3 is (Santer et al.,2005).
Op maandelijkse tot jaarlijkse tijdschalen laten modellen en waarnemingen
een tropische amplificatie van dezelfde orde zien. Op langere tijdschalen (meerdere
decennia) laten de modellen wel een amplificatie zien, maar de waarnemingen niet.
4. Fout in de modellen of de waarnemingen? De tegenstrijdigheid tussen
modellen en waarnemingen zou verklaard kunnen worden. De genoemde amplificatie
op korte tijdschalen wordt door andere fysische mechanismen gecontroleerd dan
de amplificatie op lange tijdschalen. De modellen bevatten deze mechanismen niet.
Het is echter niet duidelijk wat dit mechanisme zou moeten zijn. Bovendien zijn
er grote onzekerheden in de waargenomen langjarige trends. Tevens is er onafhankelijk
fysisch bewijs, dat er wel degelijk een versterkte opwarming plaatsvindt van de
tropische troposfeer. Er is namelijk een toename geconstateerde van de hoogte
van de tropopauze, het grensvlak tussen de troposfeer en de stratosfeer. Op
basis van deze overwegingen stelt het CCSP-rapport, dat het er vooralsnog op lijkt,
dat de tegenstrijdigheid vooral door fouten in satelliet- en ballonmetingen van
de troposfeer veroorzaakt wordt. Ze melden er echter direct bij, dat dit nog een
openstaande kwestie is, die beter aangepakt kan en moet worden. 5. Overige
problemen Behalve de hier boven geschetste tekortkomingen, kennen klimaatmodellen
nog andere veel voorkomende tekortkomingen. Voorbeelden zijn de onderschatting
van het atmosferische energietransport richting de polen en de representatie van
een stabiele grenslaag. Dit laatste zorgt er bijvoorbeeld voor dat bijna alle
modellen een te warm klimaat laten zien in het Oosten van Siberië in de winter.
Door de emissie van infraroodstraling vanaf het aardoppervlak en de afwezigheid
van zonlicht in dit gebied treedt er een zeer sterke afkoeling op in de onderste
lagen van de atmosfeer, hetgeen tot de vorming van een zeer stabiele grenslaag
leidt. Deze situatie is alleen te modelleren door een hogere verticale (meer verticale
atmosfeerlagen) dan momenteel haalbaar is in de huidige generatie klimaatmodellen.
Conclusie De overeenkomst tussen klimaatmodellen
en waarnemingen vormt een belangrijke aanwijzing dat het mechanisme van het versterkte
broeikaseffect goed begrepen is én dat deze modellen het beste is wat we
op dit moment beschikbaar hebben om te onderzoeken wat we in de toekomst kunnen
verwachten. Daarnaast zijn er nog een aantal onopgeloste problemen, waaraan de
klimaatwetenschap hard werkt. Deze problemen leiden in elk geval niet tot de conclusie
dat klimaatmodellen onbruikbaar zijn. Referenties: Arrhenius,
S., On the influence of carbonic acid in the air upon the temperature of the ground,
Philosophical Magazine and Journal of Science, 5, Vol. 41, pp. 237-276, 1896.
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Fourth Assessment Report, Working Group I (WG
I), Summary for Policymakers (SPM), Climate Change 2007.
Ganopolski,
A., S. Rahmstorf, V. Petoukhov and M. Claussen, Simulation of modern and glacial
climates with a coupled global model of intermediate complexity, Nature Vol. 391,
pp. 351-356, 1998.
Karl,
T.R., S.J. Hassol, C.D. Miller and W.L. Murray, Temperature Trends in the Lower
Atmosphere, Steps for Understanding and Reconciling Differences, U.S. Climate
Change Science Program, Synthesis and Assessment Product I.I, 1-180, 2006.
Santer,
B.D., T.M.L. Wigley, C. Mears, F.J. Wentz, S.A. Klein, D.J. Seidel, K.E. Taylor,
P. W. Thorne, M.F. Wehner, P.J. Gleckler, J.S. Boyle, W.D. Collins, K.W. Dixon,
C. Doutriaux, M. Free, Q. Fu, J.E. Hansen, G.S. Jones, R. Ruedy, T.R. Karl, J.R.
Lanzante, G.A. Meehl, V. Ramaswamy, G. Russell, G.A. Schmidt, Amplification of
Surface Temperature Trends and Variability in the Tropical Atmosphere, Science,
309, pp. 1551-1556, 2005.
| |
|