Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; Ministerie van Infrastructuur en Milieu

 
Klimaat
Veelgestelde vragen
Scenario's

Als we het weer van volgende week niet kunnen voorspellen, waarom dan wel het klimaat van de komende honderd jaar?

Weer en klimaat zijn twee verschillende zaken met een heel eigen mate van voorspelbaarheid. Voor de weersverwachting dient men de ontwikkeling van de weersystemen heel precies te volgen en deze ontwikkeling hangt zeer nauw samen met de begintoestand van de atmosfeer ofwel de ligging van weersystemen waarmee het weermodel de berekeningen start. Een klimaatverwachting doet een uitspraak over het gemiddelde weer (= klimaat) in de relatief verre toekomst.

Het gaat er dan niet om of het regent op 1 april 2050, maar hoe groot de kans is op een bepaalde hoeveelheid regenval in april rond dat jaar. Het klimaatsysteem is zonder twijfel een complex systeem, dat zich zeer verrassend kan gedragen. Er is echter geen bewijs dat het een chaotisch systeem in de strikte zin van het woord is. Daarom kunnen er toekomstverwachtingen gemaakt worden. Modellen produceren weliswaar onvoorspelbare jaarlijkse fluctuaties, maar de belangrijkste uitkomsten vormen de trends voor de komende decennia en eeuwen.

Weersverwachting
Voor de weersverwachting dien je de ontwikkeling van de weersystemen heel precies te volgen. Die ontwikkeling hangt zeer nauw samen met de begintoestand van de atmosfeer. Elk computermodel start zijn berekening met die begintoestand. Een kleine afwijking daarin, bijvoorbeeld door een onjuiste meting, kan al na een aantal dagen tot grote afwijkingen in de berekende positie en/of de kerndruk van een depressie leiden. We noemen dit ‘foutengroei’, hetgeen kenmerkend is voor het chaotisch gedrag van de atmosfeer. De precieze positie en timing van de druksystemen zijn van belang voor het weerbeeld van dag tot dag.

Het chaotische gedrag van de atmosfeer leidt dus tot een beperkte voorspelbaarheidhorizon; de maximale termijn waarvoor het weer te voorspellen is. Theoretisch ligt de voorspelbaarheidhorizon rond de drie weken. In de praktijk is deze termijn korter door meetfouten, de lage dichtheid van het waarnemingsnetwerk en door de onvolmaaktheid van de computermodellen waarmee de weersverwachting gemaakt wordt. Hierdoor varieert de praktische voorspelbaarheidhorizon tussen enkele dagen en ruim een week.

Klimaatverwachting
Het weerbeeld gemiddeld over een aantal jaren (klimaat) en de variaties daarin zijn veel minder gevoelig voor de begintoestand van de atmosfeer (figuur 1 en 2 voor respectievelijk de mondiale en regionale temperatuurontwikkeling) en de oceaan (Selten et al., 2004; Smith et al., 2007). Ze hangen veel meer samen met de algemene circulatie, die aangedreven wordt door de energiestromen in het klimaatsysteem.

Een computermodel van de atmosfeer genereert bij gelijkblijvende randvoorwaarden, zoals inkomend zonlicht, reflecterend vermogen van de planeet en atmosferische samenstelling, dezelfde statistieken en dus hetzelfde klimaat, ongeacht de weersituatie waarmee de simulatie is begonnen. Voorwaarde is wel dat je een voldoende groot gebied beschouwt en de periode waarover je een gemiddelde berekent, lang genoeg is. In de klimatologie wordt als standaard uitgegaan van een gemiddelde over een periode van 30 jaar.

Het Challenge experiment
Het Dutch Challenge Project, dat in 2003 is uitgevoerd door het Centrum voor Klimaatonderzoek (CKO; een samenwerkingsverband tussen het KNMI, het RIVM en het IMAU) laat goed zien hoe voorspelbaarheid van het weer zich verhoudt tot die van het klimaat.

Met behulp van het Amerikaanse klimaatmodel Community Climate System Model (CCSM) zijn voor de periode 1940-2080 62 verschillende simulaties uitgevoerd. Het CCSM simuleert de evolutie van het mondiale klimaatsysteem. In dit model worden naast het weer, de mondiale stromingen in de oceaan, de vorming van zeeijs en allerlei landprocessen als sneeuwbedekking en bodemvocht gesimuleerd. Voor de periode 1940 tot 2000 zijn de klimaatvariaties berekend aan de hand van de hoeveelheid zonnestraling, geschatte concentraties van vulkanische aërosolen en menselijke sulfaataërosolen en concentraties van diverse broeikasgassen (CO2, CH4, N2O en CFK’s). Voor de periode 2000 tot 2080 veranderen alléén de concentraties broeikasgassen(door menselijke activiteiten) volgens een toekomstscenario waarin het gebruik van fossiele brandstoffen onverminderd toeneemt.

De 62 simulaties verschillen onderling, omdat elke simulatie start met een iets andere maar even waarschijnlijke begintoestand van 1 januari 1940. Deze kleine afwijkingen van de begintoestand leiden binnen een aantal weken tot volslagen andere weerpatronen, doordat de atmosferische circulatie chaotisch gedrag vertoont. Dit betekent dat de jaar- en wereldgemiddelde temperatuur niet precies voorspelbaar zijn, maar ergens in de puntenwolk uitkomen (figuur 1). De puntenwolk beweegt echter mee met de lange termijn veranderingen opgelegd door natuurlijke en/of menselijke verstoringen (forceringen) van het klimaat. Op kleinere schaal (figuur 2) wordt de ruis van het weer groter, maar ook hier beweegt de puntenwolk mee met de opgelegde forceringen.

Figuur 1: Wereldgemiddelde temperatuur van alle 62 simulaties (lichte kruisjes) in het “Challenge Project” op basis van CCSM, de waarnemingen (donkere stippen) en het gemiddelde van de simulaties (zwarte lijn). Van 1940 tot 2003 zijn de natuurlijke en menselijke forceringen opgelegd. Daarna alleen de menselijke invloed volgens een toekomstscenario van broeikasgassen.
Bron: Geurts & van Dorland (2005).
Figuur 2: Zomertemperatuur in roosterpunt De Bilt van 62 simulaties (lichte kruisjes), van waarnemingen op weerstation De Bilt (zwarte stippen) en van het gemiddelde van de simulaties (zwarte lijn). Grote jaar op jaar fluctuaties zijn te zien in zowel de gesimuleerde als de gemeten temperatuurreeks op weerstation De Bilt. Deze fluctuaties zijn grotendeels toevallig; het gemiddelde van alle simulaties gedraagt zich veel kalmer. Het effect van de grote vulkaanuitbarstingen (zoals de Pinatubo in 1991) is nauwelijks terug te zien. Vanaf de jaren negentig is wel een stijging zichtbaar in zowel de gesimuleerde als de gemeten tijdreeksen. Volgens deze berekeningen stijgt de temperatuur in onze streken net zo snel als de wereldgemiddelde temperatuur, ongeveer 1,5 graad in de komende 80 jaar als gevolg van de toename in concentraties broeikasgassen.
Bron: Geurts & van Dorland (2005).

Voorspelbaarheidverschillen tussen weer en klimaat
Dus ondanks het feit dat het weer van dag tot dag chaotisch is en daarmee onvoorspelbaar op een termijn van enkele weken, zijn de verandering van weerstatistieken en daarmee het klimaat binnen bepaalde grenzen wel voorspelbaar. Het chaotische karakter van het klimaat valt mee; bijvoorbeeld de afwisseling van de seizoenen, de daling van de wereldtemperatuur na een grote vulkaanuitbarsting en de invloed van zonnestraling op het systeem zijn voorspelbaar.

In het voorspelbaarheidonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen van voorspellingen, die van de eerste en die van de tweede soort. Bij het weer is er sprake van ‘voorspelbaarheid van de eerste soort’, waarbij timing en locatie van de weersystemen van belang zijn. Dit is een beginwaardeprobleem. Bij het klimaat hebben we te maken met ‘voorspelbaarheid van de tweede soort’, waarbij alleen het veranderen van weerstatistieken een rol speelt. Dit is een randwaardeprobleem, dus afhankelijk van opgelegde randvoorwaarden, zoals samenstelling van de atmosfeer en de hoeveelheid invallend en/of gereflecteerd zonlicht.

Lineair gedrag en klimaatverrassingen
Uit waarnemingen en modelexperimenten blijkt dat gemiddeld over de aardbol het klimaatsysteem op een termijn van eeuwen zich nagenoeg lineair gedraagt. Als bijvoorbeeld een tweemaal zo grote verstoring optreedt in het zonlicht dat de aarde ontvangt, is het effect ook tweemaal zo groot. Dit suggereert dat er voor klimaatvoorspellingen, in tegenstelling tot de weersverwachting, geen voorspelbaarheidhorizon bestaat.

De afgelopen jaren groeit wel het besef dat het klimaatsysteem door zijn complexiteit toch verrassingen in petto kan hebben, zoals relatief snelle veranderingen in de oceaancirculatie of het in snel tempo vrijkomen van grote hoeveelheden broeikasgassen als gevolg van de opwarming. Hierdoor kan de lineaire relatie tussen oorzaak en gevolg doorbroken worden en wordt het moeilijker om met modellen klimaatverwachtingen te maken. Dit inzicht is gebaseerd op paleoklimatologisch onderzoek en modelstudies.

De kans op dit soort verrassingen neemt toe naarmate de verstoringen van het klimaat groter worden. Het onderzoek naar de voorspelbaarheid van het klimaat is dus nog volop in beweging en bevat onzekerheden.

Laatste update: 23 september 2011

Meer lezen:
Centrum voor Klimaatonderzoek (CKO)
Climate Prediction Project
Community Climate System Model (CCSM)
Het Dutch Challenge Project

Referenties:
Geurts, H. en Dorland, R. van, Klimaatverandering, Wat is er aan de hand met het weer in Nederland en België, Teleac, KNMI, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen, pp. 1-128, 2005.

Selten, F.M., G.W. Branstator, H.A. Dijkstra and M. Kliphuis, Tropical origins for recent and future Northern Hemisphere climate change, Geophysical Research Letters, 31, L21205, doi:10.1029/2004GL020739, pp. 1-4, 2004.

Smith, D.M., S. Cusack, A.W. Colman, C.K. Folland, G.R. Harris, J.M. Murphy, Improved surface temperature prediction for the coming decade from a global climate model, Science, pp. 796- 799, 2007.