| |
Klimaat
Veelgestelde vragen
Waarnemingen
09-09-2008
Reconstructies van de gemiddelde
temperatuur op het noordelijk halfrond geven aan in hoeverre de huidige klimaatverandering
uniek is. Er is veel discussie geweest over een grafiek die vanwege de vorm ´de
hockeystick´ wordt genoemd: vanaf het jaar 1000 neemt de temperatuur geleidelijk
af (de steel van de hockeystick) om vervolgens vanaf ongeveer 1900 sterk te stijgen
(het blad). De uitkomst van deze discussie is dat we rekening moeten houden met
grotere onzekerheidsmarges. Maar er is geen reden om de basale vorm van de hockeystick
te veranderen. Ook andere studies laten dit temperatuurverloop in het afgelopen
millennium zien. We weten steeds meer over de temperatuurontwikkeling in het
afgelopen millennium, ook al is er nog veel onbekend. De informatie die gebruikt
wordt voor reconstructies, komt van boomringen, ijs dat door de eeuwen heen gevormd
is, koraal, historische documenten en afzettingen in zeeën, meren en op land.
Verschillende studies geven een vergelijkbare trend aan (zie figuur 1).
Figuur
1: Reconstructies van de temperatuur op het Noordelijk Halfrond ten opzichte van
het gemiddelde uit de periode 1961-1990. De lijnen vertegenwoordigen verschillende
publicaties die zijn gebaseerd op meerdere bronnen, waaronder boomringen. De zwarte
lijn vertegenwoordigt directe temperatuurmetingen. Bron: IPCC 2007, figuur 6.10
b. In het derde IPCC rapport (2001) werd een klein aantal reconstructies
besproken van de gemiddelde temperatuur op het Noordelijk Halfrond tijdens de
afgelopen 600 tot 1000 jaar. Eén van deze reconstructies werd opgenomen
in de samenvatting voor beleidsmakers. Het ging om de grafiek die in 1999 is gemaakt
door Michael Mann en die vanwege zijn vorm de hockeystick wordt genoemd
(zie figuur 2). Figuur
2: Het temperatuurverloop volgens de hockeystick van Mann et. al., met jaarlijkse
waarden (blauw) en het 40-jaar lopend gemiddelde (zwarte lijn). Ook de gemeten
jaarlijkse waarden zijn aangegeven (rood). Bron: IPCC, SPM, 2001Kritiek De
kritiek op de hockeystick werd in 2003 aangezwengeld door de wetenschappers McIntyre
en McKitrick. Zij waren het vooral oneens met de statistische methode die gebruikt
is. Daarnaast is er een verschil tussen de gemeten temperaturen in de periode
na 1950 en het temperatuurverloop dat een deel van de reeksen met boomringen laat
zien.. Statistische techniek Gegevens
van ondermeer boomringen, koralen en ijskernen worden met behulp van statistische
methoden verwerkt in een grafiek die het verloop van de gemiddelde temperatuur
weergeeft. Hierbij kan gekozen worden voor verschillende methoden. Mann
gebruikte voor zijn hockeystickgrafiek een mix van verschillende statistische
methodes waarvan een deel onduidelijk was. Onderzoek wijst uit dat de keuze voor
de ene of de andere statistische methode weinig invloed heeft op het eindresultaat.
In figuur 1 zijn verschillende temperatuurreconstructies opgenomen, waarvoor verschillende
methoden gebruikt werden, en we zien dat de vorm van de hockeystick globaal in
tact blijft. Daarnaast heeft de standaardisatie van de gegevens uit het
verleden vragen opgeroepen. Standaardiseren houdt in dat de gegevensreeks een
gemiddelde van nul krijgt en een standaardafwijking van één. Dit
kan gedaan worden voor zowel deelperioden als voor de gehele periode. Michael
Mann standaardiseerde de gegevens voor de periode 1902 tot 1980 in plaats van
de hele periode die de grafiek beslaat. De critici McIntyre en McKitrick
(2005) stelden dat de hockeystickvorm hiervan het gevolg was. Latere studies toonden
echter aan dat de het verloop van de grafiek nauwelijks beïnvloed wordt door
de keuze van de standaardisatieperiode. Soms wijken
boomringen af Op basis van boomringen kan geschat worden hoe hoog de
temperatuur in een bepaalde zomer is geweest. Een boom, die groeit op een plek
die nog net warm genoeg is om groei mogelijk te maken (dicht bij de boomgrens
of aan de rand van de toendra), groeit namelijk over het algemeen harder als het
warm is. Daarom zijn de boomringen van die bomen uit warmere jaren gemiddeld dikker.
Sommige reeksen van boomringen wijken in de tweede helft van de twintigste
eeuw af van de opwarming die met meetinstrumenten zijn waargenomen. Als op basis
van dezelfde reeksen de temperatuur van vóór 1950 wordt bepaald,
dan kloppen de berekeningen wel met de gemeten temperatuur (temperatuurmetingen
zijn beschikbaar vanaf de tweede helft van de 19e eeuw). Het verschil tussen gemeten
temperaturen en temperaturen die zijn geschat op basis van boomringen in het laatste
deel van de 20e eeuw, heet het divergentieprobleem. Het probleem doet
zich slechts voor bij een deel van de boomringen die gevoelig zijn voor temperatuur.
Bovendien zijn de verschillen in de direct en indirect verkregen informatie over
de temperatuur alleen zichtbaar over perioden van tientallen jaren. De veranderingen
van jaar-tot-jaar in de aangroeidikte blijken ook in dit deel van de boomringen
goed overeen te komen met de snellere variaties in de gemeten temperatuur.
Oorzaak De oorzaak van de temperatuurverschillen
tussen de metingen en die op basis van een deel van de reeksen met boomringen
na 1950 worden geanalyseerd, wordt gezocht in de statistische techniek van standaardisering.
De reden voor gebruik van deze techniek is om te voorkomen dat niet klimaatgerelateerde
variaties in de boomringen doorwerken in de geanalyseerde temperatuurreconstructie.
Een voorbeeld van deze natuurlijke variaties zijn verschillen in de diktes van
boomringen door veranderingen in de directe omgeving van de boom, bijvoorbeeld
door een toename in de groei als de buurman van de boom omvalt. Het probleem
bij het gebruik van de statistische techniek om de invloed van deze variaties
niet te laten doorwerken in temperatuurreconstructies, is dat de temperatuurstijging
die het gevolg is van klimaatverandering door deze techniek ook (deels) uit de
gegevens gefilterd wordt. Er zijn intelligentere methoden voor standaardisering
die de wel en niet gerelateerde variaties aan klimaatveranderingen beter kunnen
scheiden. Middeleeuwen Sommige critici
stellen dat het divergentieprobleem veroorzaakt wordt doordat het bij toenemende
temperaturen droger wordt. Door de droogte zouden de bomen minder groeien, waardoor
de samenhang tussen groei van de boomringen en temperatuur minder direct is. Als
dit zo zou zijn, dan zou het ook kunnen dat het in de warme periode tijdens de
Middeleeuwen (het Middeleeuws Warm Optimum) warmer is geweest dan tot nu toe op
basis van de boomringen wordt verondersteld. Dit zou betekenen dat de warme temperaturen
van vandaag de dag minder uniek zijn dan we nu denken. Het is niet waarschijnlijk
dat dit effect, waar critici op wijzen, groot is. Tijdens de Middeleeuwen was
het waarschijnlijk niet warmer dan wetenschappers tot nu toe op basis van boomringen
(en andere gegevens) inschatten. Dit blijkt uit twee argumenten: - Het
divergentieprobleem doet zich voor bij bepaalde reeksen met boomringen, die niet
teruggaan tot de warme periode in de Middeleeuwen. De boomringreeksen met het
divergentieprobleem dragen dus niet bij aan de schatting van de temperatuur tijdens
de Middeleeuwen.
- Boomringen die duizend jaar terug gaan zijn schaars.
De warmte van het Middeleeuws Warm Optimum deed zich waarschijnlijk vooral voor
tijdens het groeiseizoen en op hogere breedtegraden (richting de polen). Dit is
precies het gebied waar de lange reeksen met boomringen vandaan komen. Dit leidt
ertoe dat de temperatuur in deze periode eerder te hoog wordt ingeschat dan te
laag.
IPCC
De controverse rond de hockeystick was aanleiding voor de Amerikaanse Academie
van Wetenschappen om een diepgaande studie te wijden aan het onderwerp. Het in
2006 gepubliceerde rapport (NRC Committee, 2006) benadrukt het belang van dergelijke
temperatuurreconstructies voor het onderzoek naar mogelijke toekomstige klimaatveranderingen,
maar concludeert wel dat de onzekerheid in het gevonden temperatuurverloop mogelijk
groter is dan weergegeven in de publicatie van Michael Mann in 1998 en in het
IPCC rapport in 2001. De onzekerheid in de temperatuur van het noordelijk
halfrond neemt in het algemeen toe naarmate men verder teruggaat in de tijd, omdat
er voor de oudere periodes minder proxy datareeksen beschikbaar zijn. In het IPCC
rapport van 2007 wordt daarom gesteld dat het zeer waarschijnlijk is dat de temperatuur
in de tweede helft van de 20e eeuw hoger was dan tijdens enige andere periode
in de afgelopen 500 jaar, maar slechts waarschijnlijk dat dit het geval was in
de afgelopen 1300 jaar. Hierbij wordt gekeken naar de gemiddelde over periodes Verder
lezen: Uitgebreide
uitleg divergentieprobleem
Referenties: Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Climate Change 2001: Synthesis Report, Summary
for Policymakers (SPM)
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Working Group 1, 2007, Technical Summary (TS) Mann,
M.E., Bradley, R.S., and Hughes, M.K., Global-scale temperature patterns and climate
forcing over the past six centuries, Nature, 392, pp. 779-787, 1998. Mann,
M.E., Bradley, R.S., and Hughes, M.K., Northern Hemisphere temperatures during
the past millenium: inferences, uncertainties and limitations, Geophys. Res. Lett.,
26, pp. 759-762, 1999. Mann,
M.E., and Jones, P.D., Global surface temperatures over the past two millennia,
Geophys. Res. Lett., 30, pp. 1820-1823, 2003. Mann,
M.E., Z. Zhang, M.K. Hughes, R.S. Bradley, S.K. Miller, S. Rutherford en F. Ni,
Proxy-based reconstructions of hemispheric and global surface temperature variations
over the past two millennia, PNAS, 105, pp. 13252-13257, 2008. McIntyre,
S. and McKitrick, R., Hockey sticks, principal components, and spurious significance,
Geophys. Res. Lett., 32, L03710, doi:10.1029/2004GL02, 2005.
McIntyre,
S. and McKitrick, R.: Reply to comment by von Storch and Zorita on Hockey sticks,
principal components, and spurious significance, Geophys. Res. Lett., 32, L20714,
doi:10.1029/2005GL023089, 2005b.
| |
|