Klimaat
Veelgestelde vragen
Waarnemingen
Nee,
de satellieten lieten minder opwarming zien dan de directe temperatuurmetingen
nabij het aardoppervlak (IPCC, 2001). Echter, dit bleek voort te komen uit fouten
in het verwerken van de satellietgegevens. Inmiddels zijn de satellietmetingen
beter in overeenstemming met de temperatuurmetingen aan de grond (figuur 1).
Figuur
1: De opwarming wordt zowel door satellieten (rode en groene lijn) in de lage
troposfeer als door metingen aan de grond (blauwe lijn) waargenomen vanaf 1979.
De lage troposfeer is het gebied tot ongeveer 8 kilometer hoogte. Het jaar 1979
is het begin van de satellietmetingen. De rode en de groene lijn zijn gebaseerd
op dezelfde metingen, maar wijken af door een verschil in verwerkingsmethode.
UAH staat voor de University of Alabama, Huntsville en RSS voor Remote
Sensing Systems.
Bron: Wikipedia (2007).De fouten kwamen voort
uit het feit dat satellieten niet direct de temperatuur meten, maar dat gebruik
wordt gemaakt van een indirecte temperatuurmeting. De zogenaamde microwave
sounders aan boord van de satellieten meten micro-golven van een aantal
gebieden of lagen in de atmosfeer, waaruit de thermische toestand van de zuurstofmoleculen
in die verschillende lagen kan worden afgeleid. Daaruit kan vervolgens de temperatuur
worden afgeleid. Vanaf 1979 werd dit gemeten door negen instrumenten met behulp
van de Microwave Sounding Units (MSUs) en vanaf 1998 door meer geavanceerde
units, Advanced MSUs (AMSUs).
Het grote voordeel is dat satellietmetingen
vrijwel niet worden beïnvloed door wolken en dat ze iedere paar dagen voor
elk deel van de wereld metingen opleveren.
Het grote nadeel is dat de interpretatie
van de gegevens uiterst complex is. Er moet gecorrigeerd worden voor het feit
dat de banen van satellieten langzaam maar zeker steeds lager worden. Er moeten
gegevens van verschillende satellieten in verschillende, soms niet-overlappende,
tijdsperiodes worden gecombineerd. Er moet rekening mee worden gehouden dat een
satelliet steeds op een ander tijdstip boven hetzelfde gebied hangt en er moet
bepaald worden uit welke laag van de atmosfeer de verschillende metingen komen.
CCSP-rapport
Een twaalftal wetenschappers,
opererend onder het US Climate Change Science Program (CCSP, 2003), hebben door
middel van een gedetailleerde analyse een belangrijke bijdrage geleverd aan het
vaststellen en corrigeren van fouten in de satellietdata en andere temperatuurobservaties.
De belangrijkste conclusies, voor zover nog niet hierboven besproken, met betrekking
tot de trends in oppervlaktetemperaturen en in de trends zoals waargenomen door
satellieten in de troposfeer en de stratosfeer waren de volgende:
1. Alle beschikbare
satellietmetingen laten een opwarming zien. De verschillen tussen de metingen
zijn klein.
2. Er zijn systematische lokale verstoringen in oppervlaktetemperatuurtrends,
die waarschijnlijk zijn veroorzaakt door veranderingen in meetapparatuur en door
veranderingen in meettechnieken van schepen en boeien op zee. Echter, deze afwijkingen
zijn grotendeels willekeurig en als gekeken wordt over grotere oppervlakken zoals
een continent, de tropen of de gehele wereld, niet relevant.
3. Er zijn geen
aanwijzingen dat het stedelijk warmte-eiland effect van grote invloed is op de
gemeten trends in oppervlaktetemperaturen (zie de vraag Wat is de bijdrage
van het stedelijk warmte-eiland effect aan de opwarming?).
4. Alle metingen
laten zien dat de troposfeer is opgewarmd, zowel in de tropen als wereldgemiddeld.
De opwarming in de troposfeer lijkt hierbij iets meer te zijn dan aan het oppervlak.
Echter, door verschillen tussen de meetreeksen is vooralsnog niet volledig duidelijk
of dit werkelijk zo is.
5. Het is waarschijnlijker dat er fouten zitten in
de trends zoals waargenomen door satellieten, dan in de trends op basis van oppervlaktetemperatuurmetingen.
6.
De satellietdata laten zien dat de stratosfeer sterk is afgekoeld sinds 1979.
Piek
in 1998: tropische amplificatie
In figuur 1 is te zien dat de warmtepiek
in 1998 in de satellietreeksen sterker is dan in de oppervlaktemetingen. Dit is
het gevolg van het feit dat de satellieten de veranderingen meten in grote gebieden
van de troposfeer (en dus niet alleen het oppervlak) in combinatie met het effect
van 'tropische amplificatie'. Dit is het effect dat temperatuurveranderingen aan
het aardoppervlak in de tropen versterkt worden in de hogere tropische troposfeer.
Als de temperatuur in de tropen aan het oppervlak toeneemt, neemt de convectie
toe en wordt er meer warme vochtige lucht (latente warmte) naar de
hogere troposfeer verplaatst. De latente warmte komt weer vrij bij condensatie
en leidt tot extra warmte in deze hogere troposfeer, met een maximum rond ongeveer
10 km hoogte.
Volgens de meeste modellen ligt de versterkingsfactor op die
hoogte rond 2.0 en volgens de theorie (de thermodynamica) zou dat zelfs 2.5 kunnen
zijn (Santer et al., 2005). Het laagste gedeelte van de troposfeer dat door satellieten
wordt gemeten is het gebied tot ongeveer 8 km hoogte, waarbinnen de gemiddelde
tropische versterkingsfactor ongeveer 1.3 is (Santer et al., 2005). Zie ook de
vraag Hoe bruikbaar zijn klimaatmodellen?.
Meer
lezen:
IPCC,
2007, Hoofdstuk 3.4
RealClimate
Referenties:
Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC), Third Assessment Report, Climate Change 2001.
Santer,
B.D., T.M.L. Wigley, C. Mears, F.J. Wentz, S.A. Klein, D.J. Seidel, K.E. Taylor,
P. W. Thorne, M.F. Wehner, P.J. Gleckler, J.S. Boyle, W.D. Collins, K.W. Dixon,
C. Doutriaux, M. Free, Q. Fu, J.E. Hansen, G.S. Jones, R. Ruedy, T.R. Karl, J.R.
Lanzante, G.A. Meehl, V. Ramaswamy, G. Russell, G.A. Schmidt, Amplification of
Surface Temperature Trends and Variability in the Tropical Atmosphere, Science,
309, pp. 1551-1556, 2005.
Strategic
Plan for the U.S. Climate Change Science Program (CCSP), 2003
Wikipedia,
Satellite Temperatures, 2007.