Klimaat
Veelgestelde vragen
Waarnemingen
In
steden is het gemiddeld warmer dan op het platteland. Dit komt door het zogenoemde
warmte-eiland effect (of stadseffect). In grote steden kan het verschil tussen
stadscentrum en de omgeving s nachts meer dan 5 graden Celsius bedragen.
Een bekende vraag is of temperatuurmetingen beïnvloed worden door de nabijgelegen
bewoonde omgeving. Critici menen dat de waargenomen wereldwijde opwarming voor
een belangrijke deel is toe te schrijven aan de groeiende stedelijke en industriële
gebieden.
In haar rapport uit 2007 stelt het IPCC dat het stedelijk warmte-eiland
effect bestaat maar dat het lokaal is. De invloed op mondiale temperatuurtrends
is verwaarloosbaar: 0,006 graden Celcius per decennium boven land en nul boven
de oceanen. Dit is veel kleiner dan de gemeten mondiale temperatuurstijging van
bijna 0,2 graden per decennium. Het lijkt dus vrij duidelijk dat het stadseffect
niet de hoofdoorzaak kan zijn van de waargenomen wereldwijde opwarming in de afgelopen
35 jaar.
OorzakenDe oorzaken van het
stedelijk warmte-eiland verschillen overdag en 's nachts. Overdag wordt in steden
meer inkomende zonnestraling omgezet in warmte dan op het platteland:
's Nachts is het stedelijk warmte-eiland meestal het sterkst.
Het wordt vooral veroorzaakt door:

Figuur
1: Schematische weergave van het temperatuurverschil tussen de stad en het buitengebied
(Bron: KNMI)
Rotterdam
In 2009 is het
stedelijk warmte-eiland effect in Nederland in kaart gebracht. Dit gebeurde bijvoorbeeld
in Rotterdam. Op warme dagen werden temperatuurmetingen gedaan met behulp van
een bakfiets die is omgebouwd tot een mobiel meetplatform. De temperaturen die
in de stad werden gemeten, werden vergeleken met de metingen van het KNMI-station
Zestienhoven.
De metingen laten zien dat het temperatuurverschil s
nachts gemiddeld het grootst is tot 1 graden Celsius. s Ochtends
rond zonsopkomst neemt het weer sterk af (Heusingveld et al, 2010).
Doorwerking
in mondiale temperatuur
De invloed van verstedelijking op de mondiale
temperatuurstijging is klein. Dit betekent niet dat de invloed van verstedelijking
op de gemeten temperatuur ook klein is.
Critici stellen dat temperatuurmetingen
worden vertekend doordat weerstations in de buurt van steden een te hoge temperatuur
meten. Daardoor zou een groot deel van de gemeten wereldwijde opwarming toe te
schrijven zijn aan verstedelijking en niet aan het broeikaseffect.
Hoewel
de meeste weerstations buiten de stad staan, kunnen gemeten temperaturen toch
zijn beïnvloed door nabijgelegen steden. Een voorbeeld daarvan is het weerstation
in De Bilt. De metingen op dat station zijn beïnvloed door de groei van de
omringende steden, vooral Utrecht. Brandsma et al. (2003) schatten de bijdrage
van stadswarmte op temperatuurtrend in De Bilt in de 20ste eeuw op 0, 10°C.
Dat is ongeveer 10% van de totale trend.
Het is mogelijk dat de reconstructie
van mondiale temperatuur gekleurd is, als metingen in (kleine) gebieden met sterk
toenemende verstedelijking ten onrechte worden gezien als representatief voor
grotere gebieden. Een meetserie op een dergelijke plek kan daarom beter niet gebruikt
worden in een trendanalyse van de temperatuur voor een veel groter gebied, tenzij
er een correctie wordt toegepast.
Daarom worden in reconstructies van
mondiale temperatuurtrends vanaf 1851 tot nu statistische technieken toegepast,
die voorkomen dat deze meetseries de temperatuurtrend over een veel groter gebied
bepalen. Voorbeelden van dergelijke technieken zijn het simpelweg uitsluiten van
die metingen of de afwijkingen te corrigeren.
Uitsluiten
Uitsluiten
van meetstations is niet eenvoudig, want het is het op de meeste plekken niet
duidelijk hoe groot het stadseffect is en op welke afstand van steden dit effect
verwaarloosbaar is. De vraag is wanneer een meetlocatie als stedelijk of als landelijk
gezien moet worden (Peterson and Owen, 2005). Tevens kan op een huidige meetlocatie,
ver buiten het stedelijke gebied, in het verleden wel intensief gebouwd zijn.
Een poging om stedelijke en niet-stedelijke meetstations van elkaar te
scheiden is gedaan door Peterson et.al. (1999). Stedelijke gebieden zijn hierbij
van landelijke gebieden onderscheiden met behulp van kaarten en satellietopnames
van nachtelijke verlichting. Er werd geen verschil geconstateerd tussen de temperatuurtrends
die werden berekend uit zowel het totale aantal meetstations (7.280) en berekeningen
waarin alleen de stations ver verwijderd van elke stedelijke invloed (2.290) werden
meegenomen.
In 2006 volgde Parker een andere aanpak om een idee te krijgen
van hoe sterk de mondiale temperatuurtrend is gekleurd door toenemende verstedelijking.
Op dagen met veel wind is het stedelijk warmte-eiland effect klein, omdat de lucht
in de stad voortdurend wordt ververst met lucht vanaf het platteland. De reconstructie
van de mondiale temperatuur nabij het oppervlak is dan mogelijk minder gekleurd
dan op dagen met weinig wind. Er bleek weinig verschil in trends tussen dagen
met veel en dagen met weinig wind.
Uit verschillende onderzoeken blijkt
dus dat de mondiale temperatuurtrend nauwelijks of niet wordt beïnvloed door
het stadseffect.
Laatste update: 13 oktober 2011
Meer
lezen:
Artikel
over GeoProfile metadata (Int. Journal of Climatology)
Onderzoek
stadsklimaat (KNMI website)
Onderzoek
warmte-eiland effect Rotterdam, Arnhem en Nijmegen (Nieuws augustus 2009)
Referenties:
Brandsma,
T., G.P. Können and H.R.A. Wessels, Empirical estimation of the effect of
urban heat advection on the temperature series of De Bilt (The Netherlands), International
Journal of Climatology 23, pp. 829-845, 2003.
Heusinkveld,
B.G., L.W.A. van Hove, C.M.J. Jacobs, G.J. Steeneveld, J.A. Elbers, E.J. Moors,
A.A.M. Holtslag, 2010. Use of mobile platform for assessing urban heat stress
in Rotterdam. Proceedings of the 7th Conference on Biometeorology. Alberts-Ludwigs-University
of Freiburg, Germany, 12-14 April 2010, 433-438.
Peterson,
T.C. and T.W. Owen, Urban heat island assessment: Metadata are important, Journal
of Climate 18, pp. 2637-2646, 2005.
Peterson,
T.C., K.P. Gallo, J. Lawrimore, T.W. Owen, A. Huang and D.A. McKittrick, Global
rural temperature trends, Geophysical Research Letters 26(3), pp. 329-332, 1999.
Parker,
D.E., A demonstration that large-scale warming is not urban, Journal of Climate
19, pp. 2882-2895, 2006.