Achtergrond

Spinrag en zichtmeting

Na een nacht met stralingsmist traden grote verschillen op tussen twee zichtmeters, één zichtmeter bleef lage waarden geven. Een bezoek aan de meetlocatie gaf de reden: spinrag met mistdruppels voor de zichtmeter.

Situatie

In de vroege ochtend van 5 oktober was, door het heldere bijna windstille weer, op het waarneemterrein van De Bilt mist ontstaan met zichtwaarden van ruim onder 1 km, tijdelijk zelfs rond 200 m. Rond 8 uur (06 UT) lokale tijd begon de mist op te lossen. Om circa 06:15 UT waren de waarden van zichtmeter (forward-scatter-meter, wordt ook gebruikt voor PresentWeatherSensor PWS) bij het teststation al opgelopen naar waarden van 10 km of meer en dit was in overeenstemming met een visuele waarneming op dat moment. Echter, op datzelfde moment gaf de operationele zichtmeter waarden die nog ruim onder 3000 meter lagen met net na 07 UT zelfs zichtmetingen die tijdelijk terugvielen naar waarden van circa 300 meter. Wat ook opviel was dat gedurende de beschreven periode tussen 06 en 08 UT bij nabij gelegen meetopstellingen (operationele en test opstelling) een relatieve vochtigheid tegen 100% aangaven. De opstellingen van de zichtsensoren en temperatuur- en vochtsensoren van de teststations en de operationele opstellingen liggen ongeveer 20 meter uit elkaar.

Fig.1 Operationele zichtmeter (PWS) met mistdruppels op het spinrag in een boog door de meetbundel van zender naar ontvanger.
Fig.1 Operationele zichtmeter (PWS) met mistdruppels op het spinrag in een boog door de meetbundel van zender naar ontvanger.

Op locatie

Besloten werd om naar het waarneemterrein te gaan. Daar werd geconstateerd dat een actieve spin een dun spinrag voor de operationele zichtsensor had gespannen (zie figuur 1).

Fig.2 Zicht- en vochtigheidsregistratie van de operationele (paars/groen) en test opstelling (blauw/rood) op 5 oktober 2007 tussen 05 en 10 UT in De Bilt.
Fig.2 Zicht- en vochtigheidsregistratie van de operationele (paars/groen) en test opstelling (blauw/rood) op 5 oktober 2007 tussen 05 en 10 UT in De Bilt.
Fig.3 Registratie van temperatuur en dauwpuntstemperatuur van de operationele (blauw/geel) en test opstelling (groen/rood).
Fig.3 Registratie van temperatuur en dauwpuntstemperatuur van de operationele (blauw/geel) en test opstelling (groen/rood).

Door het vocht hadden er zich mistdruppeltjes op het spinrag afgezet. Om exact 07.54 UT werd het spinrag verwijderd. Verder werd geconstateerd dat de schotelhutjes van beide opstellingen waarin zich de temperatuur- en vochtsensor bevinden nog behoorlijk nat waren na de mistsituatie maar dat bij de testopstelling een zwakke wind stond en bij de operationele opstelling het windstil was (er staan enkele windmeters in de buurt). 

Metingen

Uit de minuutwaarden (fig.2) blijkt dat er een sprong in de zichtwaarden plaatsvindt (van 6 naar 16 km en hoger) vlak voor 08 UT. Dit komt dus overeen met het verwijderen van het spinrag. Na die tijd loopt het zicht van de meter De Bilt mooi in het spoor van de “De Bilt test” zichtmeter. Echter, wat is er aan de hand met de (te) hoge vochtigheid? De relatieve vochtigheid blijft nog lang op circa 100% staan (op de operationele locatie zelfs tot ongeveer 09 UT) terwijl de zichtwaarden toch zo groot zijn geworden dat die een lagere relatieve vochtigheid veronderstellen. Uitgaande van de zichtmeter bij de testopstelling reageert de vochtmeting ruim 2 uur na de zichtverbetering, de operationele opstelling ruim een half uur later. Het verschil tussen beide dauwpuntstemperaturen( fig.3) loopt op tot bijna 2 graden om 09.15 UT. Het verschil tussen beide meetpunten kan samenhangen met een verschil in ”natheid” in relatie tot een beetje windverschil. 

Resultaat

Meten is niet altijd weten. De zichtmeting kan beïnvloed worden door zoiets fragiels als een spinragje met druppeltjes erop dat zich bevindt in de meetbundel tussen zender en ontvanger. Droog spinrag heeft nauwelijks invloed op de meting. Meting van zichtvermindering door nat spinrag zal echter naar verwachting zelden voorkomen vanwege de kleine kans op het samenvallen van de positie van het spinragje en de afzetting van mistdruppels ten opzichte van de meetbundel. De vochtigheidsmeting kan na een zichtverbetering een vertraagde sprong laten zien omdat de aanwezige druppels eerst moeten verdampen. Het te lang vochtig blijven van het schotelhutje kan hier debet aan zijn. Ventileren zou de verdamping kunnen stimuleren maar geeft ook minder gewenste effecten zoals het aanzuigen van “andere” lucht of vervuiling (Brandsma, 2007). 

Literatuur 

  • Brandsma, T., 2007: Vergelijking van thermometerhutten, Meteorologica jaargang16 no.2, pag. 21-25.
  • Floor, K. 1999: Visuele waarnemingen en waarnemingen door een automaat, Meteorologica jaargang 8 no. 4, pag. 9-12.
  • Handboek Waarnemingen KNMI
  • Automatische weerstations KNMI
Niet gevonden wat u zocht? Zoek meer achtergrond artikelen