| |
Klimaatdesk: veelgestelde vragen
Klimaat algemeen
Wat zijn de voorspellingen voor ons klimaat voor de komende honderd jaar?
Temperatuurprojecties voor het jaar 2100 (t.o.v. 1990) liggen tussen de 1.4
en 5.8 °C. Deze grote onzekerheid is een gevolg van enerzijds modelonzekerheid
("klimaatgevoeligheid") en anderzijds van onzekerheid in de toekomstige
uitstoot van broeikasgassen en aerosolen ("scenarios"). De verwachte temperatuurstijging
zal gepaard gaan met een toename in de neerslag, zo'n 3% meer neerslag
per graad opwarming. Dit zijn wereldgemiddelde getallen. Met name de opwarming
zal op hoge breedte (Noordelijk Halfrond) en de winter het sterkst zijn.
De neerslagtoename zal zeer inhomogeen over de aardbol verdeeld zijn.
Modellen laten hier een grote spreiding zien. Een derde aspect, zeker
voor Nederland van belang is de zeespiegelstijging, 9 tot 88 cm in 2100
(t.o.v. 1990)
Voor Nederland verwachten we een temperatuurontwikkeling, die het wereldgemiddelde redelijk volgt (sommige modellen geven zelfs een meer dan gemiddelde opwarming). Regional neerslagprojecties hebben een zeer grote onzekerheid: gebaseerd op statistisch onderzoek (temperatuur, circulatie) geeft voor Nederland en voor ehet middelmatige scenario (2 graden warmer) 2% meer neerslag in de zomer en 10% meer in de winter
De meeste klimaatprojecties lopen tot 2100. Is er wat bekend wat er daarna kan gebeuren?
Er zijn zeer recent enkele artikelen verschenen over klimaatprojecties die verder
gaan dan 2100. De hoofdconclusies zijn verwoord in een paragraaf in een
document
(pdf) over klimaatverandering en klimaatbeleid dat onlangs aan de Tweede
Kamer is aangeboden op verzoek van de Tweede Kamer commissie klimaatverandering.
Bevestigen de waarnemingen van satellieten de opwarming? Satellieten kijken door de atmosfeer en meten de temperatuur van dikke luchtlagen. Zo kan de gemiddelde atmosferische temperatuur in de onderste 8 kilometer worden bepaald. Het blijkt dat deze temperatuur in bepaalde perioden afwijkt van de grondtemperatuur. Die verschillen worden bevestigd door ballonoplatingen en duiden op een reëel, fysisch effect, niet op meetfouten. De verklaring wordt gezocht in het effect van wolken, stofdeeltjes, El Niño en ozon op de temperatuur in de bovenlucht. De computermodellen waarmee het klimaat gesimuleerd wordt zijn nog niet goed in staat dat effect goed weer te geven. De satellietmetingen ontkennen de opwarming dus niet, maar geven aan dat de klimaatmodellen verbeterd moeten worden met betrekking tot de beschrijving van de bovenlucht.
Is de "2 graden" doelstelling veilig genoeg?
De normstelling van twee graden opwarming wordt gekoppeld aan de zogeheten stabilisatiescenario's en gaan uit van een meest waarschijnlijke klimaatgevoeligheid. In het IPCC-TAR (2001) werd als meest waarschijnlijke klimaatgevoeligheid 2,5 graden (voor een verdubbeling van de CO2 concentratie) gegeven. Recent onderzoek suggereert een grotere kans op een hogere klimaatgevoeligheid. Dit impliceert voor een bepaald stabilisatiescenario een grotere opwarming.
Wat de gevolgen zijn voor een 1,5 of 2 graden (gestabiliseerde) opwarming in termen van zeespiegelstijging is verder niet nauwkeurig aan te geven. Er bestaan behoorlijke onzekerheden mbt het tempo en de hoeveelheid landijs dat afsmelt t.g.v. de temperatuurstijging. Echter, afgaand op de huidige kennis lijkt 6 meter zeespiegelstijging in een eeuw niet realistisch.
|
|
|