| |
Klimaatdesk: Veelgestelde Vragen
Vulkanen
Vulkanen emitteren zwavelhoudende gassen en CO2. CO2 is een sterk broeikasgas, maar de hoeveelheden die vulkanen emitteren zijn beduidend kleiner dan de antropogene emissies. Oxidatie van zwavelhoudende gassen (SOx) in de atmosfeer resulteert in sulfaataėrosolen. Sulfaataėrosolen zijn zwevende vaste deeltjes die bestaan uit een combinatie van zwavelzuur + water en amoniumsulfaat + water. In de troposfeer (onderste 13 km van de atmosfeer) hangt deze verhouding van de beschikbaarheid van amonium af. In de stratosfeer (13 tot 50 km) is het voornamelijk zwavelzuur + water.
Sterke vulkaanuitbarstingen zorgen voor een verhoging van sulfaataerosolen in zowel de troposfeer als stratosfeer. In de troposfeer is de levensduur van deze aerosolen slechts een week (door wash-out processen). In de stratosfeer is de verblijftijd van sulfaataerosolen in de orde van twee jaar, aangezien alleen de zwaartekracht voor een vermindering van aerosolen kan zorgen. Zowel in de stratosfeer als in de troposfeer werken aerosolen als spiegeltjes voor zonlicht. Het netto effect is dan ook een toename van het planetair albedo (reflecterend vermogen van de aarde) en bewerkstelligt daarom een afkoeling aan het aardoppervlak. In tegenstelling tot broeikasgassen, zoals CO2, die een opwarming veroorzaken.
Het is niet bekend of aerosolen invloed hebben op onweer. Wel is het zo dat een verhoogd aerosolgehalte in de troposfeer een effect heeft op de wolkendruppelgrootte in lage bewolking. Dit maakt lage bewolking witter, waarmee het afkoelende effect versterkt wordt. Ook duurt het langer voordat het neerslagproces op gang komt, waardoor de levensduur van lage bewolking verlengd wordt. Het neerslagproces bij lage bewolking (stratus) is essentieel anders dan bij buienwolken (cumulonimbi). Bij cumulonimbi is ijsvorming in het bovenste deel verantwoordelijk voor het neerslagproces en het eventueel ontstaan van onweer.
|
|
|