Over het KNMI Veel gestelde vragen Agenda Publicaties Contact Homepage Research KODAC: KNMI operationeel datacentrum Vacatures Grotere letters Kleinere letters Standaardletters
 
KNMI Klimaatscenario's
Effecten van klimaatverandering
17-04-2008

Gebruikers van klimaatinformatie zijn vooral geďnteresseerd in de effecten van klimaatverandering. Het grootste deel van het onderzoek naar de effecten wordt uitgevoerd door andere instituten en organisaties dan het KNMI. Wel levert het KNMI basisinformatie voor verscheidene effectstudies.

Informatie over al waargenomen en mogelijke toekomstige effecten van klimaatverandering is te vinden via het menu aan de rechterkant. Hieronder wordt een korte beschrijving gegeven van de organisaties en instituten in Nederland en daarbuiten die zich bezig houden met de effecten van klimaatverandering. Verder worden ook de voorbeelden van toekomstige effecten van klimaatverandering uit de brochure gegeven.

Organisaties en instituten binnen Nederland
Hieronder wordt een aantal organisaties en instituten genoemd die zich binnen Nederland bezig houden met de effecten van klimaatverandering (via het menu in de rechter kolom). De lijst is niet compleet.

  • Klimaatportaal: digitale toegang van de Nederlandse kennisinstituten voor informatie over klimaat, klimaatverandering, gevolgen, aanpassingsmogelijkheden en mitigatie. Wordt beheerd door het PCCC (Platform Communication on Climate Change)
  • Milieu en Natuur Planbureau (MNP): In de publicatie ‘Effecten van klimaatverandering in Nederland’ uit 2005 wordt een overzicht gegeven. In het dossier "klimaatverandering" en in het "Natuur- en Milieucompendium" is ook informatie te vinden
  • Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA): doet o.a. studies naar extreme rivierafvoeren en de effecten van droogte ("Droogtestudie"). Nu overgegaan in de Waterdienst en Deltares.
  • Rijkswaterstaat, thema "Kust en zee" (voorheen RIKZ): houdt zich o.a. bezig met het opstellen van beleidscenario's voor de kustverdediging
  • Deltares: Instituut voor toegepast onderzoek, dat bestaat vanaf 1 januari 2008. Bestaat uit WL|Delft Hydraulics (watervraagstukken), GeoDelft (geo-engeneering), een deel van TNO Bouw en Ondergrond (bodem en grondwater) en delen van RIZA en RIKZ (kennisontwikkeling m.b.t. bescherming tegen overstromingen en watervoorziening)
  • Vrije Universiteit Amsterdam (VU), Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM): houdt zich bezig met milieuvraagstukken
  • Universiteit van Maastricht (UNIMAAS), International Centre for Integrative Studies (ICIS): houdt zich o.a. bezig met toerisme en gezondheid
  • Klimaat voor Ruimte: programma dat zich richt op klimaatverandering en ruimtelijke ordening in Nederland
  • Natuurkalender: waarnemingsprogramma dat ecologische veranderingen in beeld wil brengen. Hiervoor wordt gekeken naar de timing van de natuur in relatie tot het klimaat
  • Opgewarmd Nederland: met nieuwsclips en korte films over klimaatverandering
Organisaties en instituten buiten Nederland
Hieronder twee organisaties die zich buiten Nederland bezig houden met de effecten van klimaatverandering (via menu in de rechter kolom):

  • Intergovernmental Panel Climate Change (IPCC): werkgroep 2 richt zich op de effecten, adaptatie en kwetsbaarheid. In de publicatie "Climate Change 2001: Impacts, Adaptation and Vulnerability" is een uitgebreid overzicht te vinden
  • UK Climate Impacts Programme (UKCIP): verschaft o.a. informatie over de effecten van klimaatverandering in Groot-Brittannië
Effecten: enkele voorbeelden uit de "KNMI'06 scenario's" brochure
Energieverbruik voor verwarming
Bij een temperatuurstijging in Nederland zal de behoefte aan verwarming voor woningen, fabrieken en kantoren afnemen. De energiebehoefte voor verwarming vertoont een duidelijk verband met het aantal graaddagen (de som van de afwijkingen ten opzichte van 17°C voor alle dagen waarop de gemiddelde temperatuur lager is dan 17°C; bijvoorbeeld een dagtemperatuur van 14°C draagt 3 bij, een dagtemperatuur van –3°C draagt 20 bij). Afhankelijk van het klimaatscenario daalt het aantal graaddagen in 2050 met 9% (G+ scenario) tot 20% (W+ scenario) ten opzichte van 1990.
Fig.1 Aantal graaddagen in De Bilt tussen 1900 en 2005, en de vier klimaatscenario’s voor 2050 (gekleurde lijnen). De dikke zwarte lijn volgt een voortschrijdend 30-jaar gemiddelde in de waarnemingen. De grijze band illustreert de jaar-op-jaar variatie die is afgeleid uit de waarnemingen.
 Aantal graaddagen in De Bilt tussen 1900 en 2005, en de vier klimaatscenario’s voor 2050 (gekleurde lijnen). De dikke zwarte lijn volgt een voortschrijdend 30-jaar gemiddelde in de waarnemingen. De grijze band illustreert de jaar-op-jaar variatie die is afgeleid uit de waarnemingen.

Energieopbrengst windturbines
De afname van de windsnelheid in Nederland, zoals gemeten in de afgelopen decennia, heeft consequenties voor de energieopbrengst van windturbines. De maximale hoeveelheid energie die de turbines kunnen leveren is afgenomen. De scenario’s geven geen aanleiding om in de toekomst blijvend lagere windenergieopbrengsten te verwachten. Bij de scenario’s met meer westenwind (G+ en W+ scenario’s) is op den duur eerder sprake van een (kleine) toename. Maar de natuurlijke jaar-op-jaar variaties en schommelingen op langere termijn zijn voor deze toepassing van veel groter belang dan de kleine veranderingen in de scenario’s.
Landbouwproductie
Stijging van de temperatuur en CO2-concentratie in de lucht heeft in Nederland een gunstig effect op de landbouwproductie, onder andere van grasland. In de G+ en W+ scenario’s wordt dit gunstige effect echter weer (deels) teniet gedaan door de grotere kans op een tekort aan water in de zomer (figuur 2). Vooral op de hoger gelegen zandgronden kan dit leiden tot lagere productie. Dezelfde scenario’s hebben ook extra natte winters, waardoor vooral in het voorjaar in laag Nederland het grasland drassiger kan zijn, wat maaien of beweiden bemoeilijkt.
Fig.2 Cumulatief neerslagtekort (= verschil tussen neerslag en potentiële verdamping) in Nederland (gemiddelde van 13 stations) voor het historische klimaat (1906-2000: zwarte lijnen), en twee klimaatscenario’s voor 2050 (W en W+). Voor elke datum geldt steeds dat het cumulatief neerslagtekort in 50% van de jaren onder de doorgetrokken lijn ligt en in 90% van de jaren onder de onderbroken lijn. Potentiële verdamping is de verdamping bij optimale vochtvoorziening.
 Cumulatief neerslagtekort (= verschil tussen neerslag en potentiële verdamping) in Nederland (gemiddelde van 13 stations) voor het historische klimaat (1906-2000: zwarte lijnen), en twee klimaatscenario’s voor 2050 (W en W+). Voor elke datum geldt steeds dat het cumulatief neerslagtekort in 50% van de jaren onder de doorgetrokken lijn ligt en in 90% van de jaren onder de onderbroken lijn. Potentiële verdamping is de verdamping bij optimale vochtvoorziening.

Afvoer Rijn en Maas
Toename van de winterneerslag, niet alleen in Nederland maar ook elders in de stroomgebieden van Maas en Rijn, zal resulteren in een toename van de piekafvoer van rivieren, het meest in het W+ scenario. Bovendien zal in berggebieden meer neerslag vallen in de vorm van regen in plaats van sneeuw. Hierdoor neemt de Rijnafvoer in de winter toe.

In de zomer neemt in het W+ scenario de gemiddelde neerslag juist fors af. Tegelijkertijd neemt de verdamping toe (zolang er voldoende vocht aanwezig blijft). In de stroomgebieden van Rijn en Maas betekent dit een lagere rivierafvoer, en vaker een lage waterstand die de scheepvaart kan hinderen. Lagere rivierafvoeren gecombineerd met hogere temperaturen hebben ook een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de beschikbare hoeveelheid koelwater. In combinatie met zeespiegelstijging veroorzaken lagere rivierafvoeren het verder binnendringen van zout water vanuit zee.

Ontwaken natuur
Door de hogere temperaturen in de winter en in het voorjaar start het groeiseizoen van veel planten vroeger, een tendens die we in de afgelopen jaren al hebben gezien (zie www.natuurkalender.nl). Een temperatuur van 5°C wordt vaak gebruikt als grens waarboven planten beginnen te groeien. Het dagnummer in het jaar waarop de gemiddelde temperatuur 5°C bereikt en daar niet meer onder komt tot na 1 juli is een benadering van de start van het groeiseizoen. Volgens deze definitie start het groeiseizoen bij de vier klimaatscenario’s in 2050 gemiddeld tussen de 6 dagen (G en G+ scenario) en 19 dagen (W+ scenario) eerder dan in 1990 het geval was (figuur 3).
Fig.3 Dagnummer waarop in De Bilt de gemiddelde temperatuur 5°C bereikt en daar niet meer onder komt tot na 1 juli tussen 1900 en 2005, en de vier klimaatscenario’s voor 2050 (gekleurde lijnen). De dikke zwarte lijn volgt een voortschrijdend 30-jaar gemiddelde in de waarnemingen. De grijze band illustreert de jaar-op-jaar variatie die is afgeleid uit de waarnemingen.
Dagnummer waarop in De Bilt de gemiddelde temperatuur 5°C bereikt en daar niet meer onder komt tot na 1 juli tussen 1900 en 2005, en de vier klimaatscenario’s voor 2050 (gekleurde lijnen). De dikke zwarte lijn volgt een voortschrijdend 30-jaar gemiddelde in de waarnemingen. De grijze band illustreert de jaar-op-jaar variatie die is afgeleid uit de waarnemingen.

Luchtkwaliteit
Weersomstandigheden zoals windrichting en zonneschijn bepalen in belangrijke mate de luchtkwaliteit door hun invloed op de aanvoer en vorming van verontreinigende stoffen. Zo vallen periodes met zomersmog (hoge ozonconcentraties) vaak samen met hittegolven (veel zonneschijn). Bij een toename van het aantal tropische dagen (maximum temperatuur = 30°C) in Nederland zal vooral in het W+ scenario bij gelijkblijvende emissies de kans op zomersmog groter worden. In de winter neemt de kans op wintersmog af in de G+ en W+ scenario’s, doordat vaker relatief schone lucht wordt aangevoerd uit westelijke richting.
Elfstedentochten
De kans op perioden met strenge vorst zal bij een temperatuurstijging in de toekomst kleiner worden. Daardoor neemt in alle vier klimaatscenario’s de kans op een elfstedentocht af. In het klimaatscenario met de sterkste temperatuurstijging en verandering van de luchtstromingspatronen (W+ scenario) is de kans op een elfstedentocht rond 2050 het kleinst. Die kans neemt meer af dan op grond van alleen de gemiddelde opwarming zou worden verwacht, omdat in dit scenario de koudste dagen in de winter meer opwarmen dan het gemiddelde.
 
© KNMI