Nop factsheet nummer 5, maart 2000

From Greenhouse to Green Housing:
CO2-reductie in nieuwbouwlocaties

Inleiding

Inleiding In stedelijke gebieden wordt veel energie gebruikt voor ruimteverwarming en elektrische apparaten in woningen en gebouwen en in het verkeer. Deze functies dragen in aanzienlijke mate bij aan uitstoot van CO2 en daarmee aan het broeikaseffect. Het onderwerp CO2-reductie krijgt bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties steeds meer aandacht. Toch zijn er nog vele belemmeringen en worden kansen gemist. De snelle ontwikkelingen op het terrein van de technologie vertalen zich niet direct in toepassing in de praktijk.

Opties voor CO2-reductie in nieuwbouwwijken

Ruim de helft van het energieverbruik van een huishouden in Nederland heeft betrekking op het directe energieverbruik, bestaande uit ruimteverwarming, elektriciteit en autogebruik. Het aandeel van deze categorien in het totale huishoudelijk energieverbruik was in 1995 voor een gemiddeld huishouden in Nederland respectievelijk 25%, 13% en 16%. Omdat nieuwbouwwoningen gemiddeld beter geïsoleerd zijn, is het gasverbruik in een nieuwbouwwoning zo'n 40% lager dan in bestaande huizen. Bij de ontwikkeling van nieuwe stedelijke gebieden zijn er mogelijkheden om CO2-emissies op lange termijn te verminderen. Er zijn veel opties voor energiebesparing in woningen en gebouwen, zoals isolatie, stadsverwarming, kleinschalige warmtekrachtkoppeling en vormen van zonne-energie. Op het gebied van verkeer kunnen maatregelen als aanleg van openbaar vervoer, menging van functies, deelautosystemen en parkeerbeleid CO2-emissies beperken. De Nederlandse overheid stimuleert toepassing van deze maatregelen in het kader van het beleid inzake duurzaam bouwen, ruimtelijke ordening en verkeer.

Toepassing van opties voor CO2-reductie in de praktijk

In de zomer van 1998 is geïnventariseerd welke maatregelen in de 26 grootste VINEX-locaties zijn toegepast om de CO2-uitstoot te verminderen. Daaruit bleek dat CO2-reductie een item is in veel locaties en dat een - soms aarzelende - start is gemaakt met toepassing van allerlei opties. Veel mogelijkheden, zoals zonneboilers, zonnecellen en warmtepompen, worden nog op kleine schaal of experimenteel toegepast. Uit de 26 onderzochte locaties zijn er drie gekozen voor een diepgaande case studie om te onderzoeken welke rol CO2-reductie speelt in de besluitvorming. Dit zijn de Kop van Zuid (Rotterdam), Nieuwland (Amersfoort) en Meerhoven (Eindhoven). In elk van deze gevallen bleek een redelijk aantal opties te worden toegepast, maar ook blijven overal mogelijkheden onbenut. In geen van de locaties heeft vanaf het begin van het proces een systematische analyse en beoordeling van mogelijkheden voor energiebesparing plaatsgevonden. De aandacht blijft bovendien beperkt tot een deel van het energiesysteem van een wijk. Zo wordt bijvoorbeeld alleen naar de warmtevoorziening en niet naar elektriciteit gekeken of ligt de nadruk op het niveau van de woning of het gebouw zonder dat er aandacht is voor de energievoorziening voor de locatie als geheel. In het algemeen is er weinig aandacht voor energiebesparing in de utiliteitsbouw. Bij energiebesparing wordt vooral gedacht aan energieverbruik in woningen en niet zozeer aan verkeer en vervoer. Bij de besluitvorming over verkeersmaatregelen, zoals aanleg van openbaar vervoer en de ruimtelijke structuur voor de auto en voor langzaam verkeer spelen energie-aspecten geen rol. Andere doelen, zoals bereikbaarheid voor economische activiteiten en leefbaarheid in de wijk, zijn het meest bepalend. De bevindingen zijn opmerkelijk gezien het feit dat de drie locaties juist waren geselecteerd omdat uit de eerdere inventarisatie bleek dat ze vooropliepen bij de CO2-reductie.

Ontwikkeling van een handleiding

In de tweede fase van het project wordt in drie nieuwbouwlocaties in het begin van de planontwikkeling een workshop over CO2-reductie georganiseerd. In de onderzochte cases bleek dat het belangrijk is juist vroeg in het beleidsproces de focus te verbreden van stedenbouwkundige doelen naar andere aspecten zoals CO2-reductie en om alle partijen die bij de uitvoering een rol kunnen spelen bij het beleid te betrekken. De workshops zijn erop gericht deze verbreding tot stand te brengen. De workshop bestaat uit twee dagen, met een tussenperiode van drie tot vier weken. Voor de workshop wordt een groot aantal partijen uitgenodigd, namelijk gemeenteraadsleden, ambtenaren, projectontwikkelaars, woningcorporaties, het energiebedrijf, het vervoersbedrijf, bewoners, locale organisaties en bedrijven. Op de eerste dag worden visies ontwikkeld voor de toekomstige wijk en worden kennisvragen en onzekerheden geïdentificeerd. Voor de volgende workshopbijeenkomstdagen zoeken de deelnemers of de organisatoren deze vragen, voor zover mogelijk, uit. Op de tweede dag worden de visies uitgewerkt in drie thema's, te weten energie, verkeer en stedenbouw. Bovendien worden acties geformuleerd voor het realiseren van een energie-efficiënte en duurzame woonwijk. Eindproduct van de workshop is een slotverklaring met actiepunten die wordt overhandigd aan de verantwoordelijke wethouder. De workshop wordt gedurende het project systematisch geëvalueerd, in het bijzonder de organisatie van de workshop zelf, het draagvlak voor de resultaten en de uitvoering van de acties. Het is de bedoeling om de ervaringen te verwerken in een handleiding die gemeenten zelf kunnen gebruiken bij het organiseren van de workshop. De aanpak komt het best tot haar recht zo vroeg mogelijk in het beleidsproces, nog voor het opstellen van een stedenbouwkundig plan, energievisie of Milieu Effect Rapportage.

Conclusies en aanbevelingen

Momenteel kunnen we slechts conclusies trekken over de eerste fase van het project en nog niet over de workshops. We noemen er twee:

Projectgegevens

Naam project: From Greenhouse to Green Housing
Aanvang project: 1998
Duur van het project: drie jaar
Betrokken instituten: TNO Strategie, Technologie en Beleid en Centrum voor Omgevingsrecht en PBeleid van de Universiteit Utrecht, in samenwerking met TNO Inro, Ecofys en OD 205
Projectleider: drs. A.F.L. Slob (TNO Strategie, Technologie en Beleid)
Projectnummer: 953241
Eindrapport: juni 2001

Publicaties: CO2-reduction in building locations: a survey and three case studies about the role of options for CO2-reduction in planning processes te bestellen bij het Programma Bureau onder nr. 410 200 036; Opties voor CO2-reductie in nieuwbouwlocaties, overzicht van maatregelen voor beperking van CO2-emissies door energieverbruik en mobiliteit te bestellen bij het Programma Bureau NOP onder nr. 410 200 043. Business locations and CO2-reduction: (ir)reversibility of preferences and trends in private decision making te bestellen bij het Programma Bureau onder nr. 410 200 042.

Meer informatie:


Het Nationaal Onderzoek Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP) is een strategisch onderzoeksprogramma ter ondersteuning van het klimaat-beleid en ter stimulering van het klimaatonderzoek in Nederland. Het NOP richt zich op de beantwoording van vragen voor de (middel)lange termijn. De doelstellingen van het programma luiden als volgt:

  • het versterken en ondersteunen van het Nederlands klimaatbeleid, in nationale en internationale context
  • het bevorderen van de actieve communicatie tussen wetenschap, beleiden samenleving over klimaatverandering
  • het versterken van de Nederlandse onderzoeksstructuur met betrekking tot klimaatverandering

Gezien de aard van het klimaatprobleem, is een multi-disciplinaire benadering noodzakelijk. Het onderzoek in de vier thema's waaruit het programma bestaat, wordt uitgevoerd door onderzoekers uit diverse disciplines van een groot aantal onderzoeksinstellingen en universiteiten. De vier thema's zijn:

Thema I Gedrag van het klimaatsysteem als geheel en in onderdelen
Thema II Kwetsbaarheid van natuurlijke en maatschappelijke systemen voor klimaatverandering
Thema III Maatschappelijke oorzaken en oplossingen
Thema IV Integratie en assessment

Voor meer informatie kunt u terecht bij het Programmabureau van het NOP: NOP (postbak 59) Postbus 1 3720 BA Bilthoven Tel: +31 30 274 32 11 Fax: +31 30 274 44 36 E-mail: nopsecr@rivm.nl