Nop factsheet nummer 7, maart 2000

Het GreenHouse project: vermindering van de broeikasgasemissies door veranderingen in de huishoudens

Energiegebruik van huishoudens

Huishoudens gebruiken op twee manieren energie: aan de ene kant energie voor verwarming, koken, verlichting en transport, aan de andere kant ook indirect in de vorm van de producten die de huishoudens gebruiken. Dit wordt indirecte energie genoemd. Producten die huishoudens aanschaffen zijn namelijk ooit gemaakt en bij de productie ervan is energie nodig geweest. Deze indirecte energiestroom is haast net zo groot als de directe energiestroom. Bovendien beïnvloeden de twee stromen elkaar. Voor het verwarmen van een kant-en-klaar maaltijd is bijvoorbeeld maar weinig energie nodig, maar de hoeveelheid energie die nodig is voor de productie van die kant-en-klaar maaltijd (de indirecte energie) is zeer groot. Het totale energiebeslag van een warme kant-en-klaar maaltijd is hierdoor bijna driemaal zo groot als van een warme zelf bereide maaltijd (zie tabel 1).

Energiegebruik van de hele Nederlandse samenleving

Door op deze manier naar het energiegebruik van een huishouden te kijken breng je het energiegebruik van de hele samenleving in kaart. Je gaat er van uit dat alles wat we in Nederland produceren (inclusief diensten) uiteindelijk in de huishoudens wordt gebruikt. Vanuit deze invalshoek kun je op drie manieren energie besparen:

  1. minder producten kopen;
  2. producten kopen met een lager energiebeslag:
  3. het productieproces van energetisch dure producten verbeteren waardoor ze goedkoper worden.

Energie 'in' producten

In het GreenHouse project is met de boven beschreven bril gekeken naar de mogelijkheden die er in huishoudens zijn om het totale energiegebruik te verminderen. Voor voeding is bijvoorbeeld onderzocht hoeveel energie er nodig is voor de productie van de verschillende voedingsmiddelen. Dus: hoeveel energie is er nodig om een bosje wortelen te telen en hoeveel voor een kilo sperziebonen en wat is het verschil tussen hier in Nederland verbouwde groenten en groenten die geïmporteerd worden. Dit is een ingewikkelde berekening, waarbij je veel verschillende gegevens moet gebruiken.

Vervangen van een energetisch duur product door een goedkoop product

Voor alle energetisch dure opties is nagegaan of ze door iets goedkopers vervangen kunnen worden. Het verschil tussen die twee is de energiebesparing. Er is steeds opgelet dat de functie van het product niet veranderde. De teelt van snijbloemen bijvoorbeeld kost veel energie, je kunt dus energie besparen door snijbloemen te vervangen door iets anders bijvoorbeeld: een doos bonbons of een boek. Het verschil tussen het energiebeslag van een bos snijbloemen en het boek is dan de energiebesparing. Je kunt alleen niet alle bloemen die in Nederland worden gekocht vervangen door boeken, denk maar aan die ene rode roos of de bloemen in een bruidsboeket. In het onderzoek is daar rekening meegehouden.

Soort maaltijd Energie 'in' de gekochte producten Energie nodig voor bereiding Totaal
Kant en klaar 28 1.5 29.5
Zelf klaargemaakt 10 2.2 12.2

Tabel 1. Vergelijking van de totale hoeveelheid energie (in MegaJoule) die nodig is voor de bereiding van een kant-en-klaar maaltijd en een zelf gekookte maaltijd.

Product

16 rozen
2 bossen chrysanten
3 bosjes freesia's
vaste plant

Energiebeslag (MegaJoule)

in februari

280
230
165
210

in augustus

110
80
60
165

4 zakjes bloembollen
boek (hardcover)
boek (paperback)
videoband (bespeeld)
cd
45
108
35
147
54

Tabel 2: Overzicht energiebeslag van verschillende producten

Vervangen van een energetisch duur product door een goedkoop product

Voor alle energetisch dure opties is nagegaan of ze door iets goedkopers vervangen kunnen worden. Het verschil tussen die twee is de energiebesparing. Er is steeds opgelet dat de functie van het product niet veranderde. De teelt van snijbloemen bijvoorbeeld kost veel energie, je kunt dus energie besparen door snijbloemen te vervangen door iets anders, bijvoorbeeld: een doos bonbons of een boek (tabel 2). Het verschil tussen het energiebeslag van een bos snijbloemen en het boek is dan de energiebesparing. Je kunt alleen niet alle bloemen die in Nederland worden gekocht vervangen door boeken, denk maar aan die ene rode roos of de bloemen in een bruidsboeket. In het onderzoek is daar rekening meegehouden.

Andere broeikasgassen

Tot nu toe is steeds alleen gesproken over energiebesparing. Maar er is in het onderzoek ook gekeken naar de uitstoot van andere broeikasgassen dan CO2 zoals CH4 en N2O. Soms blijkt dat een maatregel die leidt tot een vermindering van CO2 een toename van de uitstoot van een ander broeikasgas tot gevolg heeft. Door de toepassing van aluminium of magnesium in auto's bijvoorbeeld zal het energiegebruik - en daarmee de uitstoot van CO2 - afnemen. Maar zowel bij de productie van aluminium als bij het gieten en smelten van magnesium komen stoffen vrij die een sterke broeikaswerking hebben en extreem lang in de atmosfeer verblijven. Uit het oogpunt van klimaatverandering is een dergelijke maatregel niet zinvol.

Besparingsmogelijkheden

Dit onderzoek heeft geleid tot een hele lijst van mogelijke veranderingen in de huishoudelijke praktijk die een besparing van energie tot gevolg hebben. In tabel 3 is een gedeelte van de lijst weergegeven.

  • Minder kasgroenten eten
  • Minder diepvriesproducten kopen
  • Minder vlees eten
  • Afwas voorspoelen met koud water
  • Lagere temperatuur wassen
  • Kleding langer dragen (tussen twee wasbeurten)
  • Beter centrifugeren
  • Was drogen aan de lijn
  • Snijbloemen vervangen door andere cadeautjes
  • Minder ver weg met vakantie
  • Vaker op de fiets
  • Meer gebruik openbaar vervoer
  • Energie-efficiënt witgoed aanschaffen
  • Producten/apparaten langer gebruiken

Tabel 3. Voorbeelden van veranderingen in huishoudens die tot energiebesparing leiden (de totale lijst is veel langer)

Totale besparing voor heel Nederland: de theorie

Als alle voorgestelde mogelijkheden door huishoudens ingevoerd zouden worden zou het totale energiegebruik in Nederland met 30% kunnen dalen. Als er vervolgens ook nog in de industrie energiebesparende maatregelen genomen worden kom je op een totale besparing van 50%. Dit is een heel bemoedigend gegeven. Door het invoeren van een groot aantal kleine veranderingen in de huishoudvoering is het in principe mogelijk om een grote reductie van het totale Nederlandse energiegebruik te realiseren.

De praktijk: wat willen de huishoudens?

De energiebesparing die in de praktijk kan worden gehaald hangt af van het aantal huishoudens die een bepaalde verandering realiseren. Daarom is er een enquête gehouden onder bijna 400 huishoudens waarin gevraagd is of ze een bepaalde verandering zouden invoeren. Uit dat onderzoek komt naar voren dat alleen de aanschaf van energiezuinig witgoed, de vervanging van snijbloemen en een verandering in de samenstelling van het menu door de meeste huishoudens gezien wordt als uitvoerbaar. Onder de huidige omstandigheden is de energiebesparing die verwacht kan worden dus veel minder dan de eerder genoemde 50%.

En waarom niet?

In de enquête is ook gevraagd waarom een bepaalde verandering niet uitvoerbaar is. Antwoorden op deze vraag geven informatie over welke belemmeringen er opgeheven moeten worden voordat huishoudens overgaan tot bepaalde veranderingen. Een belangrijke barrière is het gebrek aan kennis bij consumenten over het energiebeslag van hun leefwijze en de producten die ze kopen. Deze informatie is belangrijk voor de ontwikkeling van beleid. Als iemand niet wil overschakelen op een vegetarisch menu omdat hij niet weet op welke manier het vlees kan worden vervangen, dan is die belemmering met een voorlichtingscampagne wel weg te nemen. Wanneer men niet wil omschakelen omdat men het niet lekker vindt is dat veel moeilijker.

Conclusies

Het is theoretisch mogelijk door de invoering van een groot aantal kleine veranderingen in de huishoudens een grote reductie van het energiegebruik (50%) van de Nederlandse samenleving te realiseren. De huishoudens geven aan dat ze niet over de juiste kennis beschikken om de gevolgen van hun aankoopgedrag voor het energiegebruik te kunnen beoordelen. Verbetering van het kennisniveau van huishoudens op dit gebied is van wezenlijk belang voor het terugdringen van het Nederlandse energiegebruik.

Projectgegevens

Naam project: The GreenHouse project; evaluation of options for reduction of greenhouse gas emissions by changes in household consumption patterns.
Aanvang: 1995
Duur project: 4 jaar
Samenwerking met: Huishoud- en Consumentenstudies, Landbouwuniversiteit Wageningen en vakgroep Natuurwetenschap en Samenleving, Universiteit Utrecht.
Projectleider: dr. Henk Moll
Projectnummmer: 953216
Eindrapport: The GreenHouse project; evaluation of options for reduction of greenhouse gas emissions by changes in household consumption patterns (voorjaar 2000).

Meer informatie:

Dr. Henk Moll, dr ir Sanderine Nonhebel, Ivem, Centrum voor Energie en Milieukunde, Rijksuniversiteit Groningen, Nijenborgh 4, 9747 AG Groningen Tel: 050 3634609, Fax: 050 3637168, e-mail: h.c.moll@fwn.rug.nl of s.nonhebel@fwn.rug.nl


Het Nationaal Onderzoek Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP) is een strategisch onderzoeksprogramma ter ondersteuning van het klimaat-beleid en ter stimulering van het klimaatonderzoek in Nederland. Het NOP richt zich op de beantwoording van vragen voor de (middel)lange termijn. De doelstellingen van het programma luiden als volgt:

  • het versterken en ondersteunen van het Nederlands klimaatbeleid, in nationale en internationale context
  • het bevorderen van de actieve communicatie tussen wetenschap, beleiden samenleving over klimaatverandering
  • het versterken van de Nederlandse onderzoeksstructuur met betrekking tot klimaatverandering

Gezien de aard van het klimaatprobleem, is een multi-disciplinaire benadering noodzakelijk. Het onderzoek in de vier thema's waaruit het programma bestaat, wordt uitgevoerd door onderzoekers uit diverse disciplines van een groot aantal onderzoeksinstellingen en universiteiten. De vier thema's zijn:

Thema I Gedrag van het klimaatsysteem als geheel en in onderdelen
Thema II Kwetsbaarheid van natuurlijke en maatschappelijke systemen voor klimaatverandering
Thema III Maatschappelijke oorzaken en oplossingen
Thema IV Integratie en assessment

Voor meer informatie kunt u terecht bij het Programmabureau van het NOP: NOP (postbak 59) Postbus 1 3720 BA Bilthoven Tel: +31 30 274 32 11 Fax: +31 30 274 44 36 E-mail: nopsecr@rivm.nl