Nop factsheet nummer 4, november 1999
Klimaatmaatregelen in het buitenland, de zogenaamde flexibele instrumenten
Industrielanden hebben zich in het
kader van het VN-Klimaatverdrag verplicht tot een vermindering van de uitstoot
van broeikasgassen. Deze verplichting is verder vastgelegd in een protocol dat
in 1997 in de Japanse stad Kyoto is opgesteld. In dit protocol zijn instrumenten
opgenomen die landen kunnen gebruiken bij het realiseren van de verplichtingen.
Onderdeel van dit instrumentarium
vormt een drietal zogenaamde 'flexibele instrumenten'. Deze instrumenten of
mechanismen maken het mogelijk voor landen emissiereducties te realiseren buiten
de landsgrenzen. De reductie kan hierdoor daar plaatsvinden waar dat het goedkoopste
kan, bijvoorbeeld in Oost-Europa of in ontwikkelingslanden. Hiermee kunnen landen
hun verplichtingen vervullen tegen lagere kosten.
De
wijze waarop landen en het bedrijfsleven succesvol gebruik kunnen maken van
de flexibele instrumenten is echter nog onzeker. Er staan nog enkele technische
en politieke vraagstukken open die eerst moeten worden opgelost.
Via de flexibele instrumenten kunnen
landen gezamenlijk in emissiereductie van CO2 en andere broeikasgassen investeren.
Bijvoorbeeld, Nederland investeert in een moderne technologie in een fabriek
in een Oosteuropees land. Met deze investering wordt het productieproces in
de fabriek milieuvriendelijker. Hierdoor stoot de fabriek onder andere minder
broeikasgassen uit. Deze in het Oosteuropese land gerealiseerde emissiereductie
mag Nederland vervolgens (gedeeltelijk) meetellen bij het vervullen van de eigen
binnenlandse verplichtingen.
Waarom doen landen dit? Voor
Nederland is het aantrekkelijk te investeren in een land waar de kosten van
emissiereductie lager zijn. Dit is het geval in veel landen in Oost-Europa en
in ontwikkelingslanden. De landen waar de projecten worden uitgevoerd profiteren
door de overdracht van schonere productietechnieken of krijgen financiële
ondersteuning voor technologische ontwikkeling. Hierdoor zijn zij beter in staat
hun economieën op een milieuvriendelijker wijze verder te ontwikkelen.
Het Kyoto Protocol heeft hierbij uitdrukkelijk bepaald dat een project slechts
dan kan worden goed gekeurd als het past in de binnenlandse prioriteiten van
het gastland.
Ook het milieu is een winnaar
bij deze vorm van samenwerking. Niet alleen wordt de uitstoot van broeikasgassen
verminderd. De projecten verminderen vaak ook de uitstoot van zwaveldioxide
en andere vervuilende stoffen en hebben daarmee een positief effect op bijvoorbeeld
de gezondheid.

Landen waar Nederlandse proefprojecten voor flexibele instrumenten plaatsvinden
De samenwerkingsvorm waarbij een industrieland investeert in een emissiereductieproject in een ander industrieland, zoals hierboven beschreven, noemt men Joint Implementation (JI). In de praktijk komt dit neer op een investering van een westers industrieland in Oost-Europa. In de landen van het voormalige Oostblok zijn de kosten van emissiereducties gemiddeld lager dan in westerse industrielanden. Momenteel kunnen slechts emissiereducties die behaald zijn via JI-projecten tijdens de door het Kyoto Protocol vastgestelde periode 2008-2012 worden meegeteld.
Projecten opgezet onder het zogenaamde Clean Development Mechanism (CDM) hebben als hoofddoel duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden te stimuleren. Daarnaast beoogt het CDM de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Deze met de projecten samenhangende uitstootvermindering wordt (gedeeltelijk) aan de investerende landen uitgekeerd in de vorm van certificaten. Deze certificaten kunnen industrielanden meetellen bij het realiseren van het eigen, binnenlandse klimaatbeleid. In tegenstelling tot JI kan uitstootvermindering via het CDM al vanaf het jaar 2000 door landen worden meegeteld.
Het internationale systeem van emissiehandel is het derde flexibele instrument in het Kyoto-protocol. Via dit instrument kunnen industrielanden onderling emissiereductietitels verhandelen. Een land dat gedurende de periode 2008-2012 meer emissiereductie realiseert dan waartoe het verplicht was, kan dit overschot verkopen aan landen met een tekort aan uitstootvermindering.
Op internationaal politiek niveau is een discussie gaande over mate waarin industrielanden flexibele instrumenten mogen gebruiken. De standpunten lopen hierbij uiteen tussen geen beperkingen op het gebruik van flexibele instrumenten en het standpunt dat landen alle emissiereducties binnen de eigen landgrenzen moeten realiseren.
Een aantal landen (waaronder Nederland) en de Europese Unie is van mening dat industrielanden een substantieel deel van de noodzakelijke emissiereducties in eigen land moeten realiseren. Het standpunt van de Nederlandse regering is dat ongeveer de helft van de Nederlandse inspanningen in eigen land moeten plaatsvinden en dus de andere helft in het buitenland gerealiseerd mag worden. Onlangs heeft ook de EU voorgesteld het gebruik van flexibele instrumenten te beperken. Tijdens de VN-klimaattop van eind 2000 in Nederland zal over dit onderwerp worden beslist.
Hoe meet men de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van JI- en CDM-projecten? Belangrijk hierbij is te berekenen hoe hoog de uitstoot was geweest zonder JI- of CDM-project: het zogenaamde referentiescenario. Dit is niet eenvoudig. Immers, dit vereist een schatting van een toekomstige situatie die door het project juist wordt voorkomen.
Hoe kan worden voorkomen dat het referentiescenario een foutief beeld van de toekomst geeft? Uiteraard kan alle beschikbare informatie zo gedetailleerd mogelijk in het scenario worden opgenomen. Dit is echter een kostbaar en tijdrovend proces. Internationale deskundigen hebben verschillende voorstellen ontwikkeld om de kosten van projectontwikkeling laag en de accuratesse van referentiescenarios hoog te houden. Daarbij speelt tevens het vraagstuk hoe te voorkomen dat landen emissie-veroorzakende activiteiten gaan verplaatsen in plaats van stopzetten of vervangen (weglekeffecten in het systeem). Over deze voorstellen zal tijdens de VN-klimaattop van 2000 een besluit worden genomen.
Op voorhand is niet duidelijk in
hoeverre ook het Nederlandse bedrijfsleven aan internationale emissiehandel
kan deelnemen. Door een aantal landen is voorgesteld om ook de particuliere
sector aan dit systeem te laten meedoen. In dat geval krijgen bijvoorbeeld Nederlandse
bedrijven een emissiequotum. Wanneer een bedrijf beneden dit quotum blijft kan
het dit overschot verkopen aan andere bedrijven in binnen- en buitenland.
Een aantal multinationals experimenteert
inmiddels intern met emissiehandel. Zo start BP Amoco vanaf januari 2000 met
een emissiehandelssysteem waaraan alle interne bedrijfseenheden zullen deelnemen.
Een
belangrijke vraag is wie aansprakelijk is in geval van wanprestatie. Stel, Nederland
koopt emissierechten van een ander industrieland. Naderhand blijkt dit laatste
land geen overschot te hebben. Is Nederland hiervoor nu aansprakelijk of het
verkopende land? Het Kyoto-protocol geeft hierover nog geen duidelijkheid. Dit
vraagstuk is ook een belangrijk agendapunt tijdens de komende VN-onderhandelingen.
Nederland heeft zich verplicht tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Gedurende 2008-2012 moet de Nederlandse uitstoot jaarlijks 6% lager zijn dan in 1990. Voor Nederland vormen de flexibele instrumenten daarbij een belangrijk middel.
Naar verwachting zal de Nederlandse overheid een actieve rol spelen bij het gebruik van de instrumenten. Daarnaast zal het Nederlandse bedrijfsleven een belangrijke rol kunnen spelen bij het identificeren en implementeren van JI- en CDM-projecten. De creditering van JI loopt via overheden; van CDM mogelijkerwijs ook via bedrijven.
Op termijn is het niet denkbeeldig dat de Nederlandse nationale klimaatdoelstelling wordt vertaald in afzonderlijke sector- of bedrijfsdoelstellingen. Het bedrijfsleven zou in dat geval zelf kunnen bepalen hoe de uitstootvermindering in te vullen, daarbij gebruik makend van de flexibele instrumenten.
|
Projectgegevens Naam project: Onderzoek
naar de relatie tussen de flexibiliteitsinstrumenten in het Kyoto Protocol Naam project: International
CO2 control strategies |
|
Het Nationaal Onderzoek Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP) is een strategisch onderzoeksprogramma ter ondersteuning van het klimaat-beleid en ter stimulering van het klimaatonderzoek in Nederland. Het NOP richt zich op de beantwoording van vragen voor de (middel)lange termijn. De doelstellingen van het programma luiden als volgt:
|
Gezien de aard van het klimaatprobleem, is een multi-disciplinaire benadering noodzakelijk. Het onderzoek in de vier thema's waaruit het programma bestaat, wordt uitgevoerd door onderzoekers uit diverse disciplines van een groot aantal onderzoeksinstellingen en universiteiten. De vier thema's zijn: Thema
I Gedrag van het klimaatsysteem als geheel en in onderdelen Voor meer informatie kunt u terecht bij het Programmabureau van het NOP: NOP (postbak 59) Postbus 1 3720 BA Bilthoven Tel: +31 30 274 32 11 Fax: +31 30 274 44 36 E-mail: nopsecr@rivm.nl |