Nop factsheet nummer 6, maart 2000
Klimaatverandering en natuurlijke ecosystemen
Voor veel planten en insecten blijkt dat er duidelijke klimaatgrenzen zijn aan te wijzen voor hun verspreiding. Naast de verspreiding van soorten zijn ook de groei en de ontwikkeling afhankelijk van klimaatvariabelen als temperatuur en neerslag. Een beuk bijvoorbeeld komt niet meer voor wanneer de gemiddelde temperatuur van de koudste maand lager is dan -3ºC. Speenkruid begint pas te bloeien wanneer de temperatuursom (de som van de gemiddelde etmaaltemperaturen na 1 januari, waarbij negatieve etmaaltemperaturen niet zijn meegeteld) boven de 250ºC is gekomen. Zo zijn alle soorten op hun eigen manier afhankelijk van klimaatvariabelen. In het project Lange-termijn effecten van klimaatveranderingen op de biodiversiteit in Nederland wordt onderzocht wat de effecten zijn van verandering in klimaat op de diversiteit, verspreidingspatronen en ontwikkeling van planten en kleine vlinders in Nederland. Deze factsheet belicht enkele achtergronden bij dit recent gestarte onderzoek.
Een stijging van de temperatuur...
De afgelopen decennia is de gemiddelde temperatuur wereldwijd met 0,6ºC toegenomen. Wanneer bekend is op welke manier planten en insecten afhankelijk zijn van klimaatfactoren, wordt het mogelijk te bepalen of planten en insecten op deze verandering hebben gereageerd. Onderzoekers kijken of er al veranderingen in verspreidingsgebieden van soorten of veranderingen in de start en duur van het groeiseizoen zijn opgetreden. De verwachting is dat soorten die in de noordelijke gebieden door koude beperkt worden zich als gevolg van de temperatuurstijging meer naar het noorden verspreiden. Andere gevolgen kunnen zijn dat planten eerder in bloei komen en eerder hun bladeren ontplooien, insecten eerder tevoorschijn komen, en vogels eerder hun eieren leggen of eerder aan de trek beginnen. Sommige soorten zullen snel op veranderingen reageren terwijl andere soorten helemaal niet reageren.
De laatste paar jaar komen er steeds meer wetenschappelijke bewijzen dat er veranderingen gaande zijn als gevolg van de recente temperatuurstijging. Hieronder worden enkele voorbeelden gegeven waarbij een verandering van het klimaat als belangrijkste oorzaak wordt verondersteld.
| Verschuiving in de verspreiding
van insecten heeft gevolgen voor de menselijke gezondheid Op een groot aantal plaatsen is aangetoond dat insecten die ziekten verspreiden hun grenzen verleggen naar nieuwe, ook hoger gelegen gebieden. Zo is waargenomen dat het verspreidingsgebied van muggen die ziekten als malaria en knokkelkoorts kunnen overbrengen op mensen onder meer groter is geworden in Tanzania, Indonesië en Mexico. In Europa is de verandering in verspreiding van de teek relevant, omdat deze de ziekte van Lyme kan overbrengen. Meer informatie over klimaatverandering en gezondheid vindt u in factsheet 3. |
Veranderingen in verspreiding van soorten
Planten
Insecten
Veranderingen in de ontwikkeling van soorten
Ook in de ontwikkeling van soorten zijn duidelijke voorbeelden van veranderingen aanwezig. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
Planten

Bladontplooiing van eik in Surrey, UK
Insecten
De hier gegeven voorbeelden laten zien dat planten en insecten wereldwijd reageren op veranderingen in het klimaat. Deze reactie is in overeenstemming met de stijging van de temperatuur in de afgelopen jaren.
De
huidige opwarming is nog maar een vijfde of minder dan wat we in de komende
honderd jaar verwachten. Bij de verwachte veranderingen in temperatuur en neerslag
zou de lengte van het groeiseizoen op verschillende plaatsen met maximaal drie
maanden kunnen toe of afnemen, wat grote gevolgen zal hebben voor de diversiteit
in ecosystemen. In Nederland zal de lengte van het groeiseizoen waarschijnlijk
toenemen. De vraag is hoe planten en insecten hierop zullen reageren. We kunnen
verwachten dat bij een verdere toename van de temperatuur veel soorten hun verspreidingsgrens
verder naar het noorden of naar grotere hoogten zullen verleggen waarbij lokale
populaties aan de zuidgrens van hun verspreidingsgebied zullen uitsterven. Soorten
die overal groeien of zich makkelijk verspreiden zullen zich mogelijk sterk
uitbreiden. Als gevolg van ongelijke verschuivingen in de ontwikkeling van soorten
kunnen er "mismatches" ontstaan tussen bijvoorbeeld de groei van een
waardplant en de ontwikkeling van een van deze plant afhankelijk insect. Een
langer groeiseizoen kan ook veranderingen veroorzaken in de nutriënten-
en waterhuishouding van ecosystemen. Een langer groeiseizoen betekent potentieel
meer groei en meer verdamping (zie box). Of deze effecten ook optreden is weer
afhankelijk van factoren als vorstschade in het voorjaar, veranderingen in soortensamenstelling,
insectenplagen, de hoeveelheid neerslag en de temperatuur.
| Veranderingen in de transpiratie
van planten In reactie op een verhoogde atmosferische kooldioxide concentratie kunnen planten hun transpiratie beperken door de verdamping per eenheid bladoppervlak te verminderen. Planten hebben op deze manier een efficiënter watergebruik. Wanneer water de meest beperkende factor is voor de groei van planten kan dit leiden tot een verhoogde biomassa-productie, maar ook tot een gewijzigde soortensamenstelling. Onduidelijk is nog welke planten met een efficiënter watergebruik kunnen reageren en hoe groot die reactie is. |
Een verandering van het klimaat veroorzaakt een verandering in de geografische verspreiding en in de ontwikkeling van planten en insecten. De laatste paar jaren wordt duidelijk dat veranderingen momenteel al plaats vinden. Door deze veranderingen in het klimaat zal de soortensamenstelling van natuurlijke ecosystemen veranderen. Het aantal soorten kan hierdoor lokaal toenemen maar wereldwijd zal het aantal soorten afnemen door klimaatverandering. Tegelijkertijd vinden er complexe veranderingen plaats in de productiviteit, water- en nutriëntenhuishouding van ecosystemen en in de vele interacties tussen soorten. Het huidige project onderzoekt aan de hand van gegevens uit het verleden welke veranderingen in biodiversiteit in Nederland zijn opgetreden als gevolg van klimaatverandering. Op basis hiervan worden de mogelijke gevolgen bij toekomstige klimaatveranderingen geëvalueerd. Het project is in 1999 gestart en conclusies worden halverwege 2001 verwacht.
Ondanks het feit dat er nog geen concrete resultaten zijn uit dit project is het wel mogelijk om een aantal aanbevelingen te doen. De eerste aanbeveling is het verder vormgeven van de ecologische hoofdstructuur in Nederland en Europa door versnipperde natuurgebieden met elkaar te verbinden. Verder zou het aantal verstoringen van natuurlijke systemen door menselijke invloeden, zoals verzuring, vermesting en verstoring, zoveel mogelijk beperkt moeten worden. Met deze twee maatregelen wordt de 'bewegingsruimte' als ook de weerstand en het aanpassingsvermogen van natuurlijke ecosystemen aan veranderingen in het klimaat bevorderd. Het belangrijkste is echter om menselijke invloeden op het klimaatsysteem tot een minimum te beperken.
|
Projectgegevens Auteurs: ir. Arnold
J.H. van Vliet en dr. ir. Harmke van Oene Meer informatie Prof. Dr. Frank Berendse, Wageningen Universiteit, Departement Omgevingswetenschappen, Leerstoelgroep Natuurbeheer en Plantenecologie, Bornsesteeg 69, 6708 PD Wageningen Tel: 0317 484973, Fax: 0317 484845, e-mail: Frank.Berendse@staf.ton.wag-ur.nl |
|
Het Nationaal Onderzoek Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP) is een strategisch onderzoeksprogramma ter ondersteuning van het klimaat-beleid en ter stimulering van het klimaatonderzoek in Nederland. Het NOP richt zich op de beantwoording van vragen voor de (middel)lange termijn. De doelstellingen van het programma luiden als volgt:
|
Gezien de aard van het klimaatprobleem, is een multi-disciplinaire benadering noodzakelijk. Het onderzoek in de vier thema's waaruit het programma bestaat, wordt uitgevoerd door onderzoekers uit diverse disciplines van een groot aantal onderzoeksinstellingen en universiteiten. De vier thema's zijn: Thema
I Gedrag van het klimaatsysteem als geheel en in onderdelen Voor meer informatie kunt u terecht bij het Programmabureau van het NOP: NOP (postbak 59) Postbus 1 3720 BA Bilthoven Tel: +31 30 274 32 11 Fax: +31 30 274 44 36 E-mail: nopsecr@rivm.nl |