Nop factsheet nummer 2, november 1999
De invloed van klimaatverandering op de Rijn en de gevolgen ervan voor het waterbeheer in Nederland
Het klimaat heeft invloed op de waterstanden van rivieren. Maar wat gebeurt er met de waterhuishouding en de watersystemen van Nederland als er klimaatverandering optreedt? En wat zijn de gevolgen voor de verschillende functies van de Rijn? Het Rijnproject wil een antwoord vinden op deze veelomvattende vragen.
Er worden modellen ontwikkeld voor de waterafvoer en voor de productie en transport van fijn sediment in het stroomgebied van de Rijn. Daarnaast richt het onderzoek zich op de effecten van klimaatveranderingen voor de Rijn en de gevolgen die dat heeft voor de waterhuishouding van Nederland. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar drie deelsystemen: rivieren, IJsselmeer en landelijke gebieden. Daarbij gaat de aandacht met name uit naar de gebruiksfuncties: welke gevolgen heeft klimaatverandering voor de inrichting van rivieren, voor de binnenvaart, voor natuurbeheerders, waterschappen en voor de landbouw?
De Rijn bovenstrooms
Bij meetstation Lobith passeert
de Rijn met gemiddeld 2200 m3 water per seconde. Tijdens het hoge water van
januari 1926 werd daar 12.600 m3/s gemeten; in januari 1995 zon 12.000
m3/s. De laagste afvoer was in 1947: 620 m3/s. De rivier wordt gevoed door een
gebied met een oppervlakte van 185.000 km2. In de winter bestaat de afvoer voornamelijk
uit regenwater. In de Alpen blijft een groot deel van de neerslag die in de
winter valt immers als sneeuw liggen. Pas aan het eind van het voorjaar smelt
de sneeuw. In de zomer bestaat de Rijnafvoer voornamelijk uit regen- en smeltwater
uit de Alpen. De bijdrage van regen uit de rest van het stroomgebied is dan
gering door de hogere verdamping in die periode. Dit gemengde regime bezorgt
de Rijn een regelmatig afvoerpatroon waardoor de rivier het hele jaar door bevaarbaar
is.
Door klimaatverandering zal dat regime veranderen. Het wordt warmer, waardoor er minder sneeuw valt en meer regen. Bovendien zal de sneeuw die s winters valt, eerder smelten. De rivier zal meer en meer een regenrivier worden. De gevolgen zijn duidelijk: de winterafvoeren van de Rijn worden groter en de zomerafvoeren verminderen doordat de verdamping toeneemt als gevolg van de stijgende temperatuur. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de veiligheid, maar ook voor andere functies van de rivier, zoals de scheepvaart.
|
Het Rhineflow model |
Veiligheid
Uiteraard
moet de veiligheid gewaarborgd blijven, ook als de afvoer in de winter hoger
wordt. We moeten er rekening mee houden dat extreme afvoeren in de Rijn aan
het eind van de komende eeuw in de orde van 10% hoger worden. Het winterbed
moet daarom zo ingericht worden dat de afvoer- en bergingscapaciteit van de
rivieren vergroot wordt. Verruiming van het winterbed is mogelijk door verlaging
en verbreding van uiterwaarden, door hoogwatervrije terreinen te verwijderen,
nevengeulen aan te leggen, kribben te verlagen en door de verplaatsing van dijken.
Deze ingrepen hebben een positief effect op de natuur: ze bevorderen natuurontwikkeling,
maar beperken tegelijkertijd het landbouwkundig gebruik van de uiterwaarden.
Bovendien tasten ze de huidige landschaps- en cultuurhistorische waarden aan.
De overheid zal uiteindelijk deze belangen en risico's moeten afwegen.
Binnenvaart
In de zomer zullen vaker perioden
voorkomen met een erg lage afvoer - zo laag dat de binnenvaart daar hinder van
ondervindt. Bovendien zullen deze periodes langer zijn dan nu het geval is.
Tijdens langdurige perioden van lage afvoer is de kans groot dat binnenschippers
geruime tijd hun schip maar gedeeltelijk kunnen beladen of zelfs voor anker
moeten. Deze potentiële beperkingen spelen naar verwachting pas in de tweede
helft van de volgende eeuw. Niettemin is het voor de sector zinvol om tijdig
stil te staan bij de effecten van een ander afvoerregime. De binnenvaart is
een belangrijke economische spil voor Nederland. Zonder maatregelen kunnen de
extra kosten door vaarbeperkingen naar schatting oplopen tot honderden miljoenen
per jaar. Mogelijke maatregelen zijn het aanpassen van de infrastructuur, de
bouw van andere schepen en het anders organiseren van de binnenvaartmarkt zelf.
De invoering van dergelijke maatregelen vergt vermoedelijk tientallen jaren
tijd.
De landelijke gebieden zijn onder te verdelen in de hoge zandgronden waar water afgevoerd wordt en de lage poldergebieden waar een nauwkeurig systeem bestaat voor de regulering van waterstanden. Bij een toename van de neerslag worden kwel en infiltratie versterkt, wat leidt tot hogere grondwaterstanden. Dit laatste veroorzaakt een stijging van de natschade en een geringe afname van de droogteschade voor de landbouw in Nederland.
Nattere condities in Nederland zorgen voor een toename van de natuurwaarden. Het verdrogingsprobleem zal echter niet verdwijnen; de verhoging van de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand is te laag om de achtergrondverdroging van 30 cm te compenseren. Daarnaast wordt het neerslagoverschot in de zomer lager, omdat de totale verdamping stijgt.
Het IJsselmeer is een belangrijke sleutel in de waterhuishouding van Noord-Nederland. De beheerders van het IJsselmeer hebben te maken met de aanvoer van Rijnwater via de IJssel, maar ook met de hoogte van de zeespiegel. Deze is van directe invloed op de spuicapaciteit naar de Waddenzee. Alleen bij eb kan IJsselmeerwater naar de Waddenzee worden gespuid. Bij een stijgende zeespiegel kan er minder water afgevoerd worden, waardoor de waterstanden in het IJsselmeer in de toekomst de huidige peilen zullen overschrijden. Hogere IJsselmeerpeilen leveren weer beperkingen op voor de afwatering vanuit de omliggende poldergebieden, waar s winters juist een groter wateroverschot zal ontstaan.
|
Andere projecten
|
|
Enkele projectgegevens Naam project:The impact
of climatic change on the river Rhine and the implications for water management
in the Netherlands; Meer informatie: Hans
Middelkoop, |
|
Het Nationaal Onderzoek Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP) is een strategisch onderzoeksprogramma ter ondersteuning van het klimaat-beleid en ter stimulering van het klimaatonderzoek in Nederland. Het NOP richt zich op de beantwoording van vragen voor de (middel)lange termijn. De doelstellingen van het programma luiden als volgt:
|
Gezien de aard van het klimaatprobleem, is een multi-disciplinaire benadering noodzakelijk. Het onderzoek in de vier thema's waaruit het programma bestaat, wordt uitgevoerd door onderzoekers uit diverse disciplines van een groot aantal onderzoeksinstellingen en universiteiten. De vier thema's zijn: Thema
I Gedrag van het klimaatsysteem als geheel en in onderdelen Voor meer informatie kunt u terecht bij het Programmabureau van het NOP: NOP (postbak 59) Postbus 1 3720 BA Bilthoven Tel: +31 30 274 32 11 Fax: +31 30 274 44 36 E-mail: nopsecr@rivm.nl |