Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; Ministerie van Infrastructuur en Milieu

 
Klimaat
Klimaat en klimaatverandering
De belangrijkste feiten op een rij
4. Wat weten we over het klimaat in het verleden?
IJstijden
Het klimaat is een komen en gaan van koude tijden en warmere periodes. Zo'n 140.000 jaar geleden was Noord-Europa bedekt met een ijskap die zich tot aan de Utrechtse Heuvelrug uitstrekte. De zeespiegel lag zo'n 120 m onder het huidige niveau. Kort daarop eindigde deze IJstijd waarbij de temperaturen opliepen. Daarna volgde een nieuwe IJstijd, die bijna 100.000 jaar duurde. Zo'n 18.000 jaar geleden begon een snelle opwarming naar de warmere periode waarin we nu leven.

De afgelopen duizend jaar
Ook de afgelopen duizend jaar varieerde de temperatuur. Opvallend waren in Europa een aantal warmere zomers in de Middeleeuwen en het vaker voorkomen van koude winters in de vijftiende tot achttiende eeuw. Deze laatste periode wordt wel de 'Kleine IJstijd' genoemd.
Fig. 1: Tien jaar gemiddelde wintertemperatuur 800-2000 voor de Lage Landen (de blauwe lijn is het lopend gemiddelde over 150 jaar) gereconstrueerd door Buisman, IJnsen en Van Engelen (Bron: de toestand van het klimaat in Nederland 1999, KNMI, 1999, data)
Warmterecords in de 20e eeuw
Het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur van de laatste 150 jaar is bepaald op basis van temperatuurmetingen op land en op zee. Hierbij is veel moeite gedaan om voor alle mogelijke onnauwkeurigheden te compenseren, tot aan het effect van verstedelijking toe. Voor het eind van de negentiende eeuw wijken de bepalingen van de wereldgemiddelde temperatuur naar schatting niet meer dan 0,1 à 0,2 graad af van de werkelijke waarden; in de twintigste eeuw is de wereldgemiddelde temperatuur nauwkeuriger gemeten. Er zijn duidelijke trends in temperatuur te zien, met daarnaast ook grote variaties van jaar tot jaar. Tussen de jaren 10 en 40 van de vorige eeuw is het warmer geworden, en ook weer vanaf 1979. Sinds 1983 is het record van de meetreeks herhaaldelijk bijgesteld. In 1998 was de wereldgemiddelde temperatuur 14,6 graden. Dat is 0,9 graden boven het gemiddelde van 1856-1899, en op basis van verscheidene aanwijzingen waarschijnlijk het warmste jaar van de afgelopen duizend jaar! In totaal is de wereldgemiddelde temperatuur in de twintigste eeuw met ongeveer 0,74 graden gestegen.

Fig. 2: Wereldgemiddelde jaarlijkse temperatuur, gecombineerd uit land- en zeewaarnemingen, en anomalieën (gradentekentje C) in rood van 1850 -2006 in vergelijking met het gemiddelde 1961-1990. De blauwe lijn laat de decade variaties zien. (Bron: IPCC2007)

Temperatuur-en neerslagveranderingen in Nederland
De recente periode met wereldwijd gemiddeld warme jaren valt deels samen met een serie warme jaren in Nederland. In ons land is de temperatuur sinds 1900 met gemiddeld 1,2 graad gestegen. Vooral sinds 1987 was het opmerkelijk warm: vrijwel alle jaren daarna horen tot de warmste van de twintigste eeuw. Het warmste jaar van de afgelopen honderd jaar was 2006 met gemiddeld 11,2 graden, daarna volgen 1990, 1999 en 2000, met gemiddeld 10,9 graden tegen 9,8 normaal. Voor een heel jaar is dat een enorme afwijking.
De jaarlijkse neerslag is in Nederland toegenomen, deels in samenhang met het warme weer; vanaf 1906 viel 18% meer regen: alle winterhalfjaren (nov-apr) met in De Bilt meer dan 500 mm neerslag kwamen na 1960 voor. Het jaar 1998 helemaal in het teken van de regen en wateroverlast: met 1240 mm in De Bilt was 1998 het natste jaar sinds het begin van de metingen.

Veranderingen in de samenstelling van de atmosfeer
Sinds 1750 is de concentratie van kooldioxide (CO2) in de atmosfeer met zo'n 30% toegenomen. Deze verandering is toe te schrijven aan de mens die fossiele brandstoffen, zoals steenkool, aardolie en aardgas verbrandt. Ook de concentraties van andere broeikasgassen zijn onder invloed van de mens aanzienlijk toegenomen. De hoeveelheid methaan (CH4) is meer dan verdubbeld (145%), lachgas (N2O) is met 15% toegenomen en alle chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) zijn door mensen geproduceerd. Er zijn ook meer stofdeeltjes (aerosolen) in de atmosfeer gekomen. De concentratie van ozon (O3) in de onderste tien kilometer van de atmosfeer (de troposfeer) is verdubbeld. In de stratosfeer daarentegen, op hoogtes tussen 10 en 40 km, is de hoeveelheid ozon juist afgenomen. Deze afname wordt veroorzaakt door chloorverontreinigingen die vrijkomen uit bovengenoemde CFK's.

Fig. 3: Atmosferische concentraties van koolstofdioxide, methaan en lachgas van de laatste 10.000 jaren sinds 1750(kleine kaders) De waarnemingen van ijsboringen worden voor verschillende studies met symbolen weergegeven; de atmosferische- met een rode lijn. De overeenkomstige stralingsforcering staat rechts in de uitvergrote kaders.

Schommelingen, variaties en veranderingen
Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen de begrippen klimaatschommeling, klimaatvariatie en klimaatverandering, en wordt het begrip klimaatverandering bijvoorbeeld gereserveerd voor veranderingen die door de mensen veroorzaakt zijn. In het algemeen is het echter niet zo eenvoudig om een waargenomen klimaatvariatie aan één bepaalde oorzaak toe te schrijven. In deze publicatie worden de begrippen variatie, verandering en schommeling zonder onderscheid gebruikt.