5. Hoe werkt het klimaat?
De aarde wordt verwarmd
door de zon. Een deel van de zonnestraling wordt teruggekaatst; een ander deel
wordt omgezet in warmte. Broeikasgassen zoals waterdamp en CO2 leggen
een warme deken om de aarde: ze zorgen ervoor dat een deel van de warmtestraling
van de grond wordt vastgehouden. Zonder dat warme-deken-effect zou de aarde veel
kouder zijn. Wind en oceaanstromingen spelen een belangrijke rol bij de verdeling
van de warmte over de aarde. Die warmtetransporten zorgen ervoor dat het temperatuurverschil
tussen de tropen en de polen niet veel groter is dan waargenomen. De relatie tussen
de atmosfeer, de oceaan, het landoppervlak, sneeuw en ijs, en de biosfeer (bomen,
plankton, enz) is van groot belang. Om een paar voorbeelden te noemen: planten
nemen CO2 op, de oceaan neemt warmte op, ijskappen en woestijnen weerkaatsen
zonnestraling sterker dan bos en toendra en smeltend ijs maakt de oceaan minder
zout. Deze processen kunnen elkaar versterken of verzwakken. Zo leidt een opwarming
van de oceaan tot meer verdamping. Dat versterkt het broeikaseffect waardoor de
oceaan nog warmer wordt. De extra verdamping, die optreedt als de oceaan warmer
wordt, onttrekt anderzijds ook warmte aan de oceaan en heeft daardoor een koelende
werking op het zeewater. Ook dit zijn maar voorbeelden; er zijn tal van effecten
die elkaar beïnvloeden, wat het zo lastig maakt om te doorzien hoe verstoringen
in het klimaatsysteem doorwerken.
Fig.4:
Schematische weergave van de elementen, processen en onderlinge
interacties van het klimaatsysteem