Klimaat
Klimaat en klimaatverandering
De belangrijkste feiten op een rij
6. Hoe ontstaan klimaatveranderingen?
Klimaatonderzoekers
proberen erachter te komen wat de oorzaken zijn van klimaatveranderingen, zowel
de natuurlijke veranderingen als veranderingen veroorzaakt door de mens (antropogeen).
Zij onderzoeken ook in hoeverre die veranderingen voorspelbaar zijn. Er zijn verschillende
oorzaken voor variaties van het klimaat, zoals verschuivingen van continenten
en zeestromen, inslagen op aarde van kometen of meteorieten, verhoogde vulkanische
activiteit, variaties in de aardbaan, veranderende zonneactiviteit, het chaotisch
gedrag van de atmosfeer, veranderend landgebruik en recent de door menselijke
activiteiten toegenomen hoeveelheid kooldioxide en andere broeikasgassen in de
atmosfeer. Een aantal mechanismen worden hieronder besproken en hierin is te zien
hoe ze gekenmerkt worden door bepaalde tijdschalen en patronen.
El Niño
Vissers
in Peru merkten eeuwen geleden al dat de vis in sommige jaren uitbleef en ze niets
vingen. Oorzaak was het plotseling warmere water aan de kust dat dan veel armer
is aan voedsel. Dat gebeurde meestal rond Kerst vandaar de naam El Niño,
het Spaanse woord voor Kerstkind. Tegenwoordig bedoelen we met El Niño's
periodes waarin warm water zich langs de kust en langs de evenaar over een groot
deel van de Stille Oceaan uitstrekt. Een koelere tijd wordt La Niña (het
meisje) genoemd.
El Niño doet zich onregelmatig maar gemiddeld om de
drie tot zeven jaar voor. Dan valt de passaat weg, die het warme water in de oostelijke
Stille Oceaan normaal richting Indonesië blaast. De gevolgen van een El Niño
voor het weer, met name de gevolgen voor temperatuur en neerslag, zijn tot in
de wijde omtrek groot, bijvoorbeeld overvloedige regen in droge woestijnen en
droogte waar het normaal veel regent.
Fig. 5a: De effecten van El Niño op neerslag
in Maart-Mei. Blauwe cirkels geven natter weer aan, rode droger; de grootte van
de cirkels is een maat voor de sterkte van het effect. Bron:
website
KNMI, hier zijn ook de effecten op temperatuur en andere seizoenen te vinden.
Fig.
5b: Idem voor Juni-Augustus.
Fig.
5c: Idem voor September-November.
Fig.
5d: Idem voor December-Februari.
Voor de samenleving en voor de economie
is dat van groot belang: denk aan de Peruaanse vissers, overstromingen, mislukte
oogsten of juist overvloedige jaren voor de boeren. Met satellieten en boeien
wordt de zeewatertemperatuur langs de evenaar gemeten, die aangeeft hoe sterk
El Niño is. Ook wordt het luchtdrukverschil tussen Tahiti en Darwin in
de gaten gehouden. Daaruit kan worden afgeleid hoe sterk de passaat is. Op basis
van deze gegevens worden voorspellingen van de sterkte van El Niño en de
gevolgen voor het weer over de wereld gemaakt, tot zo'n zes maanden vooruit (seizoensverwachtingen).
De invloed van El Niño op het weer in Europa is relatief klein. Uit KNMI-onderzoek
blijkt echter dat een sterke El Niño in de winter vaak wordt gevolgd door
een nat voorjaar in ons land en omringende landen. De hoge wereldgemiddelde temperaturen
van 1997 en 1998 worden voor een deel toegeschreven aan de zeer sterke El Niño.
Fig.
6: De Darwin SOI. In rood positieve luchtdruk anomalieën in Darwin en
derhalve El Niño condities. (Bron: IPCC 2007)
Noord Atlantische Oscillatie (NAO)
De recente warme periode in Nederland hangt deels samen met een ongewoon sterke en standvastigheid van de Noord Atlantische index, een maat voor het gemiddelde luchtdrukverschil tussen de Azoren en IJsland. Een groot drukverschil gaat gepaard met een karakteristiek patroon van sterkere westenwinden. In de winters geeft dit door zeewind warmer weer. Uit waarnemingen is bekend dat de Noord Atlantische index onregelmatige slingeringen vertoont. Deze slingeringen noemt men de Noord Atlantische Oscillatie (NAO). Het is een natuurlijke, onregelmatige slingering die vermoedelijk vooral te maken heeft met het chaotische karakter van de atmosfeer. Onderzoek suggereert dat het broeikaseffect de NAO zou kunnen beïnvloeden, maar duidelijkheid in hoeverre dit heeft bijgedragen aan de opwarming is er nog niet.
Fig. 7: Tijdreeksen van de winter NAO indices.Bovenste panel gebaseerd op verschil in luchtdruk Portugal-IJsland 1864-2005. Zwarte vloeiende lijn laat decade variaties zien.(Bron: IPPC 2007 fig3.31.).
Fig.
8: Correlatie NAO index en wintertemperatuur (december-maart) voor het Atlantisch/Europees
gebied over 1865-1994. In gebieden met positieve waarden is het warmer dan normaal
wanneer de index positief is (Bron:
de
toestand van het klimaat in Nederland 1999, KNMI, 1999).
De invloed van de zon
De activiteit van de zon vertoont een duidelijke cyclus van
11 jaar. Als de zon actiever is vertoont haar oppervlak zowel meer zonnevlekken
als meer explosieve fakkels. Sinds 1979 zijn er nauwkeurige satellietwaarnemingen
beschikbaar waaruit blijkt dat de intensiteit van de zonnestraling in de pas loopt
met die 11-jarige cyclus van zonneactiviteit. Maar de 11-jarige variaties in de
zonnestraling zijn klein en daarom verwacht men dat ze maar beperkte invloed hebben.
In de waarnemingen zijn ze dan ook niet of nauwelijks terug te vinden. Daarnaast
zijn er aanwijzingen dat de activiteit van de zon ook langzame variaties vertoont.
Deze langzame variaties zouden wel een merkbare invloed op het klimaat hebben
en mogelijk hebben bijgedragen aan de lage wintertemperaturen in de zeventiende
eeuw en aan de opwarming in de eerste helft van de twintigste eeuw. Verder onderzoek
is echter gewenst. Ook wordt wel gesuggereerd dat de zon nog op een andere manier
dan via de zonnestraling invloed zou kunnen hebben op het klimaat, maar dit is
nogal speculatief. (
zongedreven
klimaatveranderingen WAB)
Vulkaanuitbarstingen
Grote
vulkaanuitbarstingen kunnen veel stof in de atmosfeer brengen. Dit stof reflecteert
zonlicht en heeft daardoor een koelend effect. Gewoonlijk verdwijnt het stof binnen
een paar jaar vanzelf weer uit de atmosfeer. Satellietwaarnemingen bevestigen
dat sterke vulkaanuitbarstingen een flinke invloed kunnen hebben op de warmtebalans
van de aarde. Zo wordt de tijdelijke onderbreking van de stijging van de wereldgemiddelde
temperatuur in 1992 en 1993 toegeschreven aan de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo
op de Filippijnen in juni 1991.
Een
andere bron van variatie is de oceaan, bijvoorbeeld wanneer oceaanstromingen zich
verleggen. We lazen al dat de oceaan bij het ontstaan van El Niño een belangrijke
rol speelt. Ook elders op aarde hebben variaties in de oceaan invloed op het klimaat.
Bepaalde oceaanstromingen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in de atmosfeer.
Het klimaat in Europa wordt sterk beïnvloed door de noordwaartse stroming
in de Atlantische Oceaan die afkomt van de warme Golfstroom. Volgens sommige berekeningen
stopt deze stroming als er meer zoet water komt in het noorden, bijvoorbeeld door
meer neerslag of smeltwater van gletsjers of ijskappen. Dit lijkt ongeveer 12000
jaar geleden ook al eens gebeurd te zijn bij het afsmelten van het ijs van de
laatste IJstijd. Zo'n verandering zou tot een abrupte regionale klimaatverandering
kunnen leiden. Meteorietinslagen kunnen ook een abrupte klimaatverandering teweegbrengen.
Het uitsterven van de Dinosauriërs (65 miljoen jaar geleden) zou veroorzaakt
kunnen zijn door de inslag van een meteoriet. Dergelijke inslagen zijn echter
niet voorspelbaar en daarom is het voor klimaatonderzoekers onmogelijk om er in
klimaatvoorspellingen rekening mee te houden.
De
menselijke invloed: het versterkte broeikaseffect
Door industrie, ontbossing,
verkeer, energieverbruik in het huishouden, landbouw en veeteelt brengt de mens
extra broeikasgassen in de atmosfeer. CO2 is het belangrijkste broeikasgas.
Niet alle CO2 die uitgestoten wordt, blijft in de atmosfeer. Ongeveer
de helft wordt opgenomen door de oceaan en de biosfeer. Hoe en waar precies is
nog onduidelijk. Extra CO2, dat wel in de atmosfeer blijft, is herkenbaar
afkomstig van fossiele brandstoffen. Andere broeikasgassen zijn methaan (CH4),
lachgas (N2O), CFK's en ozon (O3, zie kader). Door de toename van de
concentratie van broeikasgassen wordt het broeikaseffect van de dampkring versterkt.
Dit versterkte broeikaseffect leidt tot een warmer klimaat en meer neerslag. Op
grote schaal kunnen wetenschappers deze veranderingen veroorzaakt door de mens
onderscheiden van natuurlijke klimaatveranderingen.
Andere
beïnvloeding door mensen

De mens brengt niet alleen broeikasgassen maar ook aerosolen in de atmosfeer,
bestaande uit zwevende druppeltjes en stofjes. Evenals vulkanisch stof kaatsen
ze het zonlicht terug en daardoor hebben ze een koelende werking. Op deze wijze
maskeren ze de gevolgen van het versterkte broeikaseffect. Aerosolen hebben daarnaast
een effect op de wolkenvorming. Er is nog weinig bekend over de precieze aard
van deze effecten. Tenslotte heeft ook verandering in landgebruik effect. Waar
de mens grootschalige veranderingen aanbrengt kan dit leiden tot klimaatveranderingen.
| Ozon en broeikas |
| Ozon komt voor zowel in de troposfeer (ruwweg
de onderste 10 km van de dampkring) als in de stratosfeer (de laag daarboven).
De concentratie van troposferisch ozon, een broeikasgas, is toegenomen en dit
draagt bij aan de opwarming van de aarde. De concentratie van stratosferisch ozon
is juist afgenomen. Het stratosferisch ozon is echter van groot belang voor het
filteren van schadelijke zonnestraling. De afname van stratosferisch ozon wordt
veroorzaakt door chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's). Internationaal zijn maatregelen
genomen om de productie van CFK's te beperken. Als de afspraken goed worden nageleefd,
zal de ozonlaag zich langzaam herstellen, nadat de hoeveelheid ozonafbrekende
stoffen naar verwachting rond de eeuwwisseling een hoogtepunt bereikt heeft. Het
broeikaseffect kan echter voor vertraging zorgen. Volgens de theorie van het versterkte
broeikaseffect gaat de opwarming van de troposfeer gepaard met een afkoeling van
de stratosfeer. Dit kan het herstel van de ozonlaag vertragen. |