Klimaatdata en -advies
Bijzondere weersituatie
11-12 maart 2013: Sneeuw
Extreem weer (code oranje)
Boven ons land stond op 11 en 12 maart een krachtige noordooststroming waarmee zeer koude lucht werd aangevoerd. Een lagedrukgebied trok van Bretagne via Parijs naar het oosten. Een frontaal systeem van de depressie veroorzaakte in het zuiden van ons land langdurige sneeuwval. Door de sterke wind verwaaide de sneeuw bovendien tot hopen. Het KNMI vaardigde vanwege de sneeuwval een code oranje af (extreem weer) voor de provincies Noord-Brabant en Limburg.
Weerkundige situatie
Een krachtig hogedrukgebied nabij IJsland had een uitloper naar Scandinavië.
Aan de zuidflank van dit hogedrukgebied stroomde in het weekend van
9 maart zeer koude lucht uit over ons land. Het binnendringen van de koude lucht ging gepaard met langdurige neerslag. In De Bilt
regende het op de 9e zonder onderbreking 24 uur. Dat was sinds het begin van de waarnemingen in 1930 niet eerder voorgekomen.
Een lagedrukgebied, op 10 maart boven de Golf van Biskaje, trok via
Bretagne (11 maart) en Parijs (12 maart) oostwaarts. Een frontaal systeem
van het lagedrukgebied veroorzaakte vanaf maandagmiddag 11 maart in
het uiterste zuiden van het land sneeuw. De sneeuwval breidde zich
geleidelijk uit tot aan de grote rivieren. In de loop van 12 maart werd
het overal droog, het laatst in het zuiden van Limburg.
Behalve de sneeuw in het zuiden, vielen er vooral op 11 maart in het Waddengebied talrijke sneeuwbuien.
Weerkaart van 12 maart 2013 (06 uur UT). Het lagedrukgebied dat de
sneeuwval veroorzaakte lag op dat moment nabij Parijs.
Opgetreden weersverschijnselen
De dikte van het sneeuwdek wordt door 325 waarnemers van het KNMI eenmaal per dag, om 09.00 uur gemeten. Onderstaande kaart toont de sneeuwdikte op 12 maart 2013, om 09.00 uur. Op dat moment sneeuwde het nog in het zuidoosten van het land.
In Limburg en het zuiden van de provincie Noord-Brabant was op dat moment 5 tot 10 cm sneeuw gevallen. Door de sterke wind (vrij krachtig tot krachtig, kracht 5 tot 6) was de sneeuw op veel plaatsen verwaaid tot sneeuwhopen en was het zuiver meten van de sneeuwdikte niet goed mogelijk (code '99' in de kaart). De sneeuwhopen of sneeuwduinen bereikten plaatselijk een hoogte van 1 meter. Met name in Limburg liep de dikte van het sneeuwdek op de 12e overdag verder op naar plaatselijk ca. 15 cm.
Ook op de Wadden viel lokaal 5 tot 10 cm sneeuw en ook daar verwaaide de sneeuw door de krachtige wind tot hopen.
In het hele land bleef het het gehele etmaal van de 11e maart vriezen ("ijsdag"). In onderstaande kaart wordt de maximumtemperatuur op de 11e getoond voor alle KNMI-stations. Een ijsdag zo laat in maart is bijzonder. In De Bilt gebeurde dat voor het laatst in 1928 (11 maart) en in 1942 en 1947, toen op 12 maart.
In de nacht van 12 op 13 maart was het in een deel van het land vrijwel
windstil en helder. De temperatuur daalde op diverse plaatsen tot beneden
de -10,0 °C ("strenge vorst"). Boven het verse sneeuwdek in het zuidoosten
van het land werd de laagste temperatuur gemeten: -13,3 °C in Ell (Limburg).
Niet eerder sinds het begin van de regelmatige metingen in 1901 werd
er zo laat in het seizoen nog strenge vorst waargenomen in ons land.
Winters weer met vorst en sneeuw komt in maart vaker voor. Recent, in 2005 viel er begin maart lokaal een halve meter sneeuw. In Marknesse daalde de temperatuur op 4 maart tot -20,7 °C. Maart 1987 behoorde tot de koudste van de eeuw. Op 2 maart viel in het noorden toen een extreme hoeveelheid ijzel waardoor het openbare leven tot stilstand kwam. Extreem koud begon ook maart 1971, toen ook menig record is geboekt en er nog volop op natuurijs werd geschaatst. Gemiddeld over de eerste tien dagen had De Bilt -2,5 °C. Op vijf dagen vroor het meer dan 10 graden en bleef het ook overdag vriezen.
De winters zijn weliswaar gemiddeld warmer en natter geworden, maar dit sluit het voorkomen van zeer koud weer zoals we dat nu beleven, zeker niet uit. De grilligheid van het winterweer is namelijk tot nu toe veel groter dan de trend. De mogelijke variatie in de wintertemperatuur is zo'n 3,5 ēC, terwijl de gemeten opwarming ongeveer 1,5 ēC bedraagt.
Voor maand- en daggemiddelde temperaturen geldt dit nog veel sterker. De variatie in daggemiddelde temperatuur is in Nederland ongeveer 10 ēC, waarbij de uitschieters naar de koude kant groter zijn dan naar de warme kant. Dit betekent dat koudegolven kunnen blijven voorkomen. De kans daarop is de afgelopen eeuw wel afgenomen.
De hoeveelheid sneeuw is de afgelopen eeuw ook duidelijk afgenomen. Opvallend genoeg waren drie van de vier afgelopen winters wel sneeuwrijk. Daarvoor hadden we juist 14 sneeuwarme winters. Voor de volgende eeuw verwachten we op basis van de waargenomen trends, theorie van het winterweer en modelberekeningen gemiddeld een verdere afname van koudegolven en de hoeveelheid sneeuw.
Laatste update 13 maart 2013, 17.00 uur.