Landdata

Periode vóór 1850

Periode 1850-1900

Periode na 1900

De Zwanenburg/De Bilt reeks

Referenties



 

Periode vóór 1850

Inleiding

Ook in de periode vóór 1850 vinden we al lange reeksen van instrumentele waarnemingen van bijvoorbeeld temperatuur en luchtdruk. De bekendste reeks is ongetwijfeld die van Zwanenburg (1735–1861). Dergelijke lange reeksen zijn van groot belang voor het klimaatonderzoek. Daarbij is het van belang dat de reeksen in digitale vorm beschikbaar zijn en homogeen zijn op dag- tot uurniveau. Om de reeksen homogeen te maken, bijvoorbeeld de Zwanenburg/De Bilt reeks, zijn metadata nodig en zoveel mogelijk digitaal beschikbare parallelreeksen van andere stations.

De periode vóór 1850 loopt parallel met de periode van vóór de oprichting van het KNMI door Buys-Ballot in 1854. Vanaf ongeveer het jaar 1700 hebben we al de beschikking over instrumentele waarnemingen van het weer. De waarnemingen uit deze pre-KNMI periode noemen we ook wel antieke waarnemingen. Het feit dat er in die tijd geen KNMI was wil overigens niet zeggen dat de waarnemingen volledig ongeorganiseerd werden verricht. In het begin van de 18e eeuw was er namelijk al een soort van waarnemingsnetwerk opgericht door Petrus van Musschenbroek (1692–1761). Hij coördineerde alle waarnemingen in dat netwerk, waarbij hij de richtlijnen volgde van de ‘English Royal Society’.

In de eerste helft van de 19e eeuw was het Wenckebach die de verschillende waarnemingen bij elkaar bracht en onderling vergeleek. Ongeveer een eeuw later was het Labrijn die in een verhandeling over ‘Het klimaat van Nederland gedurende de laatste twee en een halve eeuw’ (Labrijn, 1945) een overzicht gaf van alle tot dan toe bekende antieke waarnemingen. Ten slotte, is er in de jaren tachtig van de 20e eeuw, in het kader van een EU-project, veel werk verricht door Van Engelen en Geurts. Deze auteurs hebben de inventaristatie van antieke data van Labrijn verder uitgebreid. Daarnaast geven ze voor elk station een overzicht van de beschikbare metadata en hebben ze voor een twaalftal stations de dagelijkse (veelal driemaal daags) meteorologische waarnemingen gedigitaliseerd. De bevindingen zijn gepubliceerd in een vijftal rapporten onder de naam ‘Historische weerkundige waarnemingen’ (KNMI-publikatie 165).
 

Beschikbaarheid gegevens

Tabel 1 (PDF-bestand, 64 kB) geeft een overzicht van de stations met antieke waarnemingen gegroepeerd naar provincies, en hun doorloop tot 1900. De gegevens in de tabel zijn gebaseerd op Geurts en Van Engelen (1992). Voor elk station is aangeven voor welke elementen waarnemingen verricht werden, met welke frequentie en over welke periode. De kleur van de tijdbalk geeft aan of de gegevens al dan niet digitaal beschikbaar zijn. Blauw in de tabel betekent dat de gegevens digitaal beschikbaar zijn en rood dat de gegevens niet digitaal beschikbaar zijn. Een zwarte schaduw bij een rode balk geeft aan dat er een papieren kopie of een kopie op film op het KNMI aanwezig is.

Voor alleen het samenstellen van de Zwanenburg/De Bilt reeks is een minimum aantal stations nodig met waarnemingen in digitale vorm. Van Engelen en Geurts hebben destijds 15 stations gedigitaliseerd die van goede kwaliteit leken en die van belang waren met het oog op de Zwanenburg/De Bilt reeks. Echter, voor het standaardiseren, corrigeren en homogeniseren van deze reeks, met een zo hoog mogelijke tijdsresolutie, is het gewenst dat alle stations beschikbaar zijn in digitale vorm. Dit dient tevens het algemene belang van de klimaatbeschrijving van Nederland.

Figuur 1 geeft tot 1900 als functie van de tijd een overzicht van de gedigitaliseerde en niet-gedigitaliseerde stations met antieke waarnemingen. Tezamen met tabel 1  laat deze figuur duidelijk zien dat er nog een enorme hoeveelheid materiaal beschikbaar is voor digitalisatie.


Figuur 1: Totaal aantal stations met antieke waarnemingen en het aantal stations met gedigitaliseerde antieke waarnemingen.

In tabel 1 zijn zo een drietal reeksen te vinden die van veel waarde kunnen zijn maar niet digitaal beschikbaar zijn. Een eerste reeks is die van Amsterdam van 1700–1914. Deze reeks is bekend als de ‘Stadswaterkantoor-reeks’ en is uniek in de zin dat vanaf 1784 uurlijks temperatuur, en vanaf 1822 ook luchtdruk, werd gemeten. De tweede reeks is een korte tweejarige reeks voor Leiden van 1697–1698 gemeten door Wolferd Senguerd. Het belang van deze reeks zit in de overlap met de recent ontdekte Parijse reeks 1670–1713 (Grand en Gaff, 1992), zijnde de oudst bekende luchtdrukreeks van Europa. Als derde reeks noemen we de reeks van Utrecht van 1828–1850 en daarvan vooral de periode met dagelijkse metingen 1836–1846. De metingen werden verricht door Petrus de Fremery bij de  Veerartsenijschool.  De  reeks  is  ook  wel  bekend  als  ‘Fremery-reeks’. Het belang van de reeks zit in de overlap met Zwanenburg (vóór de inpoldering van de Haarlemmermeer) in een data-arme periode. Daarnaast waren de waarneemcondities voor deze reeks (vlak terrein aan nauwelijks bebouwde Biltstraat) vermoedelijk beter dan die op de ‘Sonnenborgh’ (met bomen bezette heuvel langs een singel).

Naast de drie genoemde reeksen, is er nog een groot aantal andere niet-digitale beschikbare reeksen. Vooral die reeksen met dagelijkse waarnemingen van temperatuur en luchtdruk komen voor digitalisatie in aanmerking. Het merendeel van de reeksen bevatten echter alleen windrichting, dikwijls aangevuld met windkracht. De oudste reeks is een reeks met windrichtingen van Koog aan de Zaan van 1669–1729. Hoewel de waarde van dergelijke reeksen op dit moment niet meteen evident is, lijkt het toch verstandig ook dergelijke reeksen te digitaliseren.

Van der Hoeven (1989) geeft aan dat het aantal gedigitaliseerde antieke waarnemingen ca. 0,4 miljoen (368 stationsjaren) bedraagt. Het aantal niet-gedigitaliseerde waarnemingen waarvan een kopie op het KNMI aanwezig is bedraagt ca. 1,7 miljoen (761 stationjaren). Een groot gedeelte hiervan wordt gevormd door de uurlijkse Stadswaterkantoor-reeks (1,2 miljoen waarnemingen). Tenslotte zijn er nog ca. 0,7 miljoen waarnemingen (750 stationjaren) waarvan geen kopie op het KNMI aanwezig is (zie tabel 1).
 

Periode 1850-1900

Inleiding

De periode 1850–1900 vormt in feite de overgangsperiode tussen de antieke waarnemingen enerzijds en de steeds verder gestandaardiseerde waarnemingen van de 20e eeuw anderzijds. Hoewel de 1850–1900 waarnemingen dus een cruciale schakel vormen tussen de twee laatstgenoemde periodes, zullen we hieronder zien dat ze niet de aandacht hebben gekregen die ze verdienen.

Op 1 december 1848 begonnen Buys-Ballot en Krecke met driemaal daagse en uurlijkse waarnemingen op de ‘Sonnenborgh’ te Utrecht, waarmee de eerste aanzet werd gegeven tot het ontstaan van het KNMI. De feitelijke oprichting van het KNMI vond plaats op 31 januari 1854. Na België (1826), Duitsland (1847), Rusland (1849) en Oostenrijk (1851) was Nederland, tezamen met Engeland en Portugal, de vijfde in de rij van landen met een officieel weerkundig instituut.

Vanaf het begin van de Utrechtse metingen op 1 december 1848, werd er op een toenemend aantal stations meest driemaal daags waarnemingen gedaan. Beperkte men zich in de eerste jaren nog tot windrichting en -kracht, al snel kwamen daar elementen bij als temperatuur, luchtdruk, dampdruk, relatieve vochtigheid, bewolking en neerslag. De stations waarop driemaal daags waarnemingen gedaan werden noemt men termijnstations. De waarnemingen werden gepubliceerd in de jaarboeken van het KNMI.

Naast de termijnstations waren er vijf klimatologische hoofdstations: Utrecht, Groningen, Den Helder, Vlissingen en Maastricht. Op deze stations werden naast de termijnwaarnemingen uurlijkse waarnemingen verricht van verschillende elementen.

Buys Ballot zag al snel het belang in van het uitwisselen van waarnemingen met andere landen. In de jaarboeken uit de periode 1850–1880 vinden we dan ook, naast de Nederlandse stations, waarnemingen (meest eenmaal daags) van een groot aantal Europese stations. Daarnaast zijn ook waarnemingen opgenomen van stations buiten Europa, waaronder de Nederlands koloniën.
 

Beschikbaarheid gegevens

Termijnstations
De termijnstations zijn de belangrijkste bron van informatie voor het homogeniseren van de Zwanenburg/De Bilt reeks in de periode 1850–1900. Tabel 2 geeft een overzicht van gedigitaliseerde en niet-gedigitaliseerde termijnstations uit de jaarboeken. Tevens geeft het de doorloop in de 20e eeuw van deze stations. De tabel toont dat van maar een beperkt aantal stations de gegevens digitaal beschikbaar zijn. Daarbij moeten we nog opmerken dat voor Utrecht de windwaarnemingen niet meegenomen zijn bij het digitaliseren.

Tabel 2: Perioden waarin de termijnstations uit de 19e eeuwse jaarboeken van het KNMI actief waren met hun doorloop in de 20e eeuw. De kleur van de balk geeft aan of in de betreffende periode de waarnemingen digitaal beschikbaar zijn (blauw) of niet (rood).
 

Juist omdat de termijnstations een belangrijke brugfunctie vervullen tussen de ‘antieke’ data en de ‘moderne’ data, is het van groot belang dat de waarnemingen van alle stations digitaal beschikbaar komen. Van der Hoeven (1989) schat de hoeveelheid niet gedigitaliseerde waarnemingen in tabel 2 op ca. 0,9 miljoen (812 stationsjaren). Als we daarbij ook nog bedenken dat het standaardiseren en corrigeren van deze gegevens niet eenvoudig is, dan is duidelijk dat hier nog een enorm stuk werk ligt te wachten.

Klimatologische hoofdstations
De vijf klimatologische hoofdstations leverden naast de termijnmetingen ook uurlijkse metingen van verschillende elementen. Vanaf 1890 werden de uurwaarnemingen van de alle hoofdstations opgenomen in de jaarboeken. Sinds 1920 werden alleen de uurwaarnemingen van De Bilt (in 1897 in de plaats van Utrecht gekomen) opgenomen. De oorspronkelijke uurwaarnemingen zijn te vinden in het  Centraal Registratie Archief Waarnemingen van het KNMI in de zgn. uurtabellen.

Tabel 3 geeft het resultaat van een ruwe inventarisatie van de perioden waarover uurtabellen beschikbaar zijn. Wanneer een reeks zonder onderbrekingen doorloopt in de 20e eeuw, is de doorloop ook gegeven. Regelmatig wordt melding gemaakt van ontbrekende stukken (jaren). Wanneer we de vier elementen samen nemen gaat het om ca. 1,2 miljoen waarnemingen (132 stationsjaren) gegevens in de 19e eeuw.


Tabel 3: Perioden (per element) waarvoor tabellen met uurwaarnemingen beschikbaar zijn in het CRAW.  De 19e eeuwse uurwaarnemingen zijn niet digitaal beschikbaar.

De uurlijkse metingen werden verricht met zelfregistrerende apparatuur waarvan de betrouwbaarheid niet al te hoog moet worden ingeschat. Toch kunnen de metingen waardevol blijken te zijn voor: (1) het uitbreiden van de digitale uurreeksen van de 20e eeuw (zie volgende paragraaf); en (2) het vinden van weersafhankelijke verbanden om uit 19e eeuwse termijnwaarnemingen daggemiddelden te berekenen.

Maandreeksen Europa
In enkele jaarboeken bevinden zich reeksen met maandwaarden van temperatuur en/of luchtdruk van ca. 90 stations in Europa. De reeksen lopen door tot 1883. Voor de meeste stations zijn géén waarnemingen vóór 1800 gegeven. Ze zijn destijds deels uit kranten e.d. gehaald. We vermoeden dat deze reeksen met maandwaarden ook bekend zijn bij de meteorologische instituten van de landen waarin de stations gelegen zijn. Zekerheid hierover hebben we niet.

Dagreeksen Europa
Naast de maandwaarden zijn voor een groot aantal Europese stations, veelal dezelfde als bij de maandwaarden, ook dagwaarden gegeven in de jaarboeken. De verschillende reeksen bestrijken ruwweg de periode 1850–1880 waarbij de lengte van de reeksen per stations verschilt. Het betreft meestal eenmaal daagse waarnemingen van temperatuur en luchtdruk voor in totaal ca. 100 stations. In de periode 1870–1873 zijn er geen temperatuur en luchtdruk waarnemingen maar alleen waarnemingen van neerslag en bewolking voor 40 stations. Voor de periode 1874–1875 zijn er helemaal geen dagelijkse waarnemingen. Tenslotte worden vanaf 1876 ook waarnemingen van stations in Azië en Amerika vermeld. Net als voor de maandreeksen, vermoeden we dat deze gegevens bekend zijn in de desbetreffende landen. Zekerheid is er echter niet.

Dagreeksen buiten Europa
In de jaarboeken bevinden zich ook dagreeksen (meest driemaal daags) van stations buiten Europa. Tabel 4 (PDF-bestand, 18 kB) geeft een overzicht van deze stations. Uit de tabel blijkt dat het om meest korte reeksen gaat. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre de reeksen ook beschikbaar zijn in de desbetreffende landen. Er zijn geen dagreeksen in de jaarboeken die verder teruggaan dan 1848. Echter, voor een aantal plaatsen (Buitenzorg, Decima) zijn deze destijds gepubliceerd door de Academie van Wetenschappen (vanaf 1841).

In het ‘schaduwarchief’ van de KNMI-bibliotheek bevinden zich o.a. alle jaarboeken uit Indonesië (RMMO; MGS, 1866–1997). Deze boeken bevatten uurwaarnemingen van Batavia sinds 1866 en klimatologieën van andere stations sinds ca. 1920.
 

Periode na 1900

Inleiding

De periode direct na 1900 is de periode waarbinnen de metingen verder gestandaardiseerd werden (ook internationaal) en waarin de meeste waarnemingen in digitale vorm beschikbaar zijn. Naast de termijnstations en klimatologische hoofdstations, zijn er vanaf 1948 ca. 21 synoptische stations opgericht. Op deze stations werd uurlijks waargenomen, waaronder waarnemingen van o.a. temperatuuur, luchtdruk en weer (zicht e.d.). De metingen van de synoptische stations werden vooral gedaan om real-time een wereldwijd beeld te krijgen van het weer op een bepaald moment ten behoeve van de weersvoorspelling. De metingen van de klimatologische stations (termijnstations en klimatologische hoofdstations) waren echter vooral bedoeld om een zo goed mogelijk beeld van het klimaat te krijgen. Bij deze laatste waarnemingen werd aandacht besteed aan correcties e.d. achteraf.

Onder de synoptische stations bevonden zich ook de klimatologische hoofdstations. Zo ontstond er de vreemde situatie dat op één station een aantal dezelfde metingen parallel werden gedaan. Om aan deze situatie een eind te maken, zijn vanaf 1971 beide netwerken samengevoegd. De termijnstations zijn geleidelijk aan allemaal opgeheven.

Op dit moment onderhoudt het KNMI, naast een netwerk van bemande en onbemande automatische synoptische stations, een net met zo’n 300 neerslagstations, waarbij door vrijwilligers iedere ochtend een aftapping gedaan wordt van de gevallen neerslag over de voorgaande 24 uur. Daarnaast zijn er enkele tientallen automatische stations, al dan niet bemand, met uurlijkse waarnemingen voor verschillende klimaatvariabelen. Een overzicht van alle stations is te vinden in de ‘Gids voor meteorologische stations in Nederland’.
 

Beschikbaarheid gegevens

Termijnstations
Voor de 20e eeuw vormen de termijnstations een belangrijke bron van informatie mede omdat ze kunnen dienen als parallel stations waarmee de Zwanenburg/De Bilt reeks en de reeksen van de overige vier hoofdstations gehomogeniseerd kunnen worden. Tabel 5 geeft een overzicht van deze stations voor de 20e eeuw (de stations met overlap in de 20e eeuw uit tabel 2 zijn hier niet opnieuw getoond).

Tabel 5: Perioden waarin de 20e eeuwse termijnstations actief waren. De blauwe balk geeft aan dat de waarnemingen digitaal beschikbaar zijn het KNMI.

Hoewel de waarnemingen van de termijnstations digitaal beschikbaar zijn ze niet gemakkelijk opvraagbaar. Op dit moment wordt er dan ook weinig tot niets mee gedaan. Een van de redenen is dat er onduidelijkheid is over de mate waarin de data gecorrigeerd zijn. Ook de berekeningswijze van daggemiddelden uit driemaal daagse waarnemingen is een punt van discussie. Het gaat hier echter wel om ca. 1400 stationsjaar waarnemingen waarvan we mogen aannemen dat de metingen met een grote nauwkeurigheid gedaan zijn. Het wordt dan ook tijd dat hier opnieuw naar gekeken wordt.

Klimatologische hoofdstations en synoptische stations
De hoofdstations en synoptische stations geven naast de termijnwaarnemingen ook uurlijkse waarnemingen. Lange reeksen van uurwaarnemingen zijn geschikt voor studies naar  variabiliteit van klimaatparameters met een hoge tijdsresolutie. Ook kunnen de uurreeksen goed gebruikt worden om daggemiddelden af te leiden uit termijnwaarnemingen. Tabel 6 geeft een overzicht van de digitaal beschikbare reeksen van klimatologische hoofdstations (Van der Hoeven, 1989) en synoptische stations tot 1970 en de voortzetting na de samenvoeging van het synoptische en klimatologische netwerk (gearceerde balken). Sommige stations zijn opgeheven of op een andere plaats voortgezet, hetgeen problemen geeft bij de toepassing voor klimaatonderzoek.

Tabel 6: Perioden waarin de 20e eeuwse hoofd- en synoptische stations naast elkaar of afzonderlijk van elkaar functioneerden (blauwe balk) en de voortzetting na het samen-voegen van beide type stations (gearceerde blauwe balk). De kleur blauwe geeft aan dat de waarnemingen digitaal beschikbaar zijn op het KNMI.

Neerslagstations
Figuur 2 geeft een overzicht van het verloop van het totaal aantal neerslagstations in Nederland vanaf 1850 en het aantal digitaal beschikbare stations. De figuur laat zien dat we sinds de jaren 50 op een redelijk stabiel aantal van iets meer dan 300 stations zitten. De waarnemingen van de stations vanaf 1951 zijn allemaal digitaal beschikbaar. In de periode daarvoor is er nog ca. 14000 stationsjaar  te digitaliseren.

Figuur 2: Totaal aantal neerslagstations en het aantal neerslagstations met digitaal beschikbare waarnemingen.

Hoewel veel neerslagstations in de loop van de tijd opgeheven zijn, is er toch een groot aantal stations met lange ononderbroken neerslagreeksen. Het continueren van deze reeksen is van groot belang voor het klimaatonderzoek (inclusief extreme-waarde analyse e.d.).

Stroken met waarnemingen
Een belangrijke bron met waarnemingen vormen de stroken van met name neerslag en windsnelheid/richting. Deze stroken bevinden zich in het Centraal Registratie Archief Waarnemingen van het KNMI. In het verleden zijn de stroken uitgetrokken om uurgemiddelden (sommen) of, i.g.v. windsnelheid, het gemiddelde van het laatste 10 minuten vak in een uur te bepalen. In plaats van per uur een waarde te bepalen kunnen de stroken ook gebruikt worden om voor kortere intervallen waarden te bepalen. Hierbij kan 10 minuten als minimum tijdsduur worden aangehouden.

Voor de neerslag bestaan er al enkele korte duur digitale files. Voor De Bilt, Eelde en Vlissingen zijn er gecorrigeerde 15-minuten waarden beschikbaar over het tijdvak 1955–1979 (het zgn. de ‘Grontmij bestand’). Verder zijn er voor De Bilt ongecorrigeerde 5-minuten waarden voor de jaren 1928, 1933 en 1951–1960. De stroken voor De Bilt gaan echter terug tot 1897.

Alles bij elkaar gaat het om een grote hoeveelheid materiaal. Voor windstations met 20 of meer jaren waarnemingen gaat het om ca. 1700 stationsjaar en bij de neerslag om ca. 380 stationsjaar. Voor stations met minder dan 20 jaar komt daar respectievelijk nog ca. 170 en 89 jaar bij . Het digitaliseren is dus een enorm arbeidsintensieve taak.
 

De Zwanenburg/De Bilt reeks

Inleiding

Een belangrijk doel van het onderzoek naar oude klimaatreeksen is het construeren van zo lang mogelijke homogene reeksen, voor een bepaalde plaats of gebied, met een zo hoog mogelijke tijdsresolutie. Op die manier kunnen we een beeld krijgen van klimaatverandering/variabiliteit. De Zwanenburg/De Bilt reeks is algemeen bekend als de belangrijkste instrumentele lange klimaatreeks van Nederland. In HISKLIM neemt deze reeks dan ook een centrale plaats in bij de landdata.

De Zwanenburg/De Bilt reeks strekt zich uit over de periode 1706–heden. Hoewel de naam anders doet vermoeden, is de reeks een samenvoeging van reeksen van een zestal stations: Delft, Rijnsburg, Zwanenburg, Haarlem, Utrecht en De Bilt (zie Tabel 7). Het is daarbij gebruikelijk dat de gegevens van de verschillende stations worden herleid tot het meest recente station, in dit geval De Bilt. Hoewel voor de meeste stations driemaal daagse waarnemingen beschikbaar zijn, heeft de nadruk tot nu toe gelegen op de daaruit berekende maandwaarden (vooral temperatuur). Bekend is de zogenaamde Labrijnreeks van maandtemperatuur en maandneerslag (Labrijn, 1945). De in tabel 7 gegeven samenvoeging heeft betrekking op een up-to-date en enigszins gewijzigde versie die verkrijgbaar is bij de Klimatologische Dienst van het KNMI.

 Tabel 7: Opbouw van de Zwaneburg/De Bilt reeks in de geüpdate Labrijnreeks van maandtemperatuur en –neerslag.

Hoewel we de beschikking hebben over een lange instrumentele klimaatreeks is de reeks nog niet geschikt voor onderzoek naar klimaatverandering/variabiliteit. De ‘Climate Research Unit’ in Norwich heeft de maandgemiddelde temperatuurreeks onderzocht (o.a. vergelijking met de reeksen van Ukkel en Parijs) en kwam tot de conclusie dat de reeks belangrijke inhomogeniteiten vertoont (Jones et al., 1985). De slechte kwaliteit van de Zwanenburg/De Bilt reeks werd ook opgemerkt door Schönwiese et al. (1986) in een vergelijkend homogeniteits-onderzoek van een groot aantal Europese en Noord-Amerikaanse reeksen. Te verwachten is dat de problemen op dagniveau nog groter zijn. In de volgende paragraaf zullen we een aantal zwakke punten in de reeks aanstippen.

Zwakke plekken in de reeks

De Zwanenburg/De Bilt reeks bevat verschillende stukken waarvan de kwaliteit, ook wat betreft temperatuur, te wensen overlaat. In het verleden is vooral gekeken naar maandgemiddelden van de temperatuur. Vanwege uitmiddeling van fouten in die gemiddelden, valt te verwachten dat het aantal zwakke plekken toeneemt wanneer we op dagniveau kijken.

Op maandniveau springen er vijf zwakke perioden uit. De eerste periode betreft het begin van de reeks van ca. 1706–1734. In die periode zijn er weinig waarnemingen beschikbaar en zijn er eigenlijk geen stations waarmee vergeleken kan worden. Van Engelen (1993) beschrijft hoe dit gedeelte, dat nog niet in de oorspronkelijke Labrijn reeks aanwezig was, herleid is tot De Bilt.

De tweede periode waarvan de kwaliteit twijfelachtig is, loopt van ca. 1786–1815. In die tijd was het onrustig in ons land hetgeen ook aan de waarnemingsreeksen te merken is. De derde periode omvat het laatste gedeelte van de Zwanenburg reeks van ca 1851–1861. Door de droogmaking van de Haarlemmermeer (gereed gekomen in 1852) is dit gedeelte niet erg betrouwbaar. In de in tabel 7 gegeven samenvoeging van de Zwanenburg/De Bilt reeks is dit gedeelte dan ook vervangen door Utrecht . De vierde periode met een zwakke plek viel ten tijde van de overgang van Utrecht naar De Bilt in 1897, vanwege de geringe overlap van de reeksen.

Tenslotte moeten we ook nog de 20e eeuwse waarnemingen in De Bilt noemen. Tijdens vooronderzoek voor de KNMI klimaatrapportage van Nederland 1999 bleken er met name in de maximum temperatuur van De Bilt inhomogeniteiten te zitten voor het zomerhalfjaar. Figuur 3 laat rond 1950 een grote sprong naar beneden zien, gevolgd door een kleinere sprong omhoog in 1960  (zie ook Klimaatrapportage, 1999). Enig speurwerk in de metadata voor De Bilt laat zien dat de sprongen waarschijnlijk het gevolg zijn van een horizontale verplaatsing van de thermometerhut in 1950 en een (landelijk doorgevoerde) verticale verplaatsing (verlaging) van de thermometerhut in 1960. Deze sprongen in de maximum temperatuur werken ook door in de gemiddelde temperatuur. Helaas zijn de problemen niet beperkt tot temperatuur en tot De Bilt, andere grootheden en stations hebben soortgelijke problemen. Voor temperatuur bijvoorbeeld, bleken de meeste ander hoofdstations grotere inhomogeniteiten te vertonen dan De Bilt.

Figuur 3: Maximum temperatuur te De Bilt (1901–1998) gemiddeld over het zomer-halfjaar (april-september).  De golvende lijn geeft een voortschrijdend gewogen gemiddelde van de 15 dichtstbijzijnde jaren.
 

Wat moet er nog gebeuren?

Het uiteindelijke doel van het werk aan de Zwanenburg/De Bilt reeks is het verkrijgen van een lange homogene reeks op zo hoog mogelijke tijdresolutie van tenminste dagwaarden van temperatuur en luchtdruk. Dit betekent dat niet langer gefocust wordt op de maandreeksen van voornamelijk temperatuur. Internationaal is de belangstelling voor dergelijke reeksen afgenomen en verschoven naar homogene dagreeksen van meerdere elementen.

Om het bovenstaande doel te bereiken moet er nog veel gebeuren waarbij het verstandig is zoveel mogelijk terug in de tijd te werken. In de eerste plaats moeten dan de reeksen voor De Bilt van de 20e eeuw gehomogeniseerd worden. Dit houdt in dat voor De Bilt en verschillende vergelijkingsstations de metadata op een rijtje gezet moeten worden. Naast Nederlandse stations, moeten hierbij ook buitenlandse stations betrokken worden. Daarna kunnen we de verschillende stations, muli-elementaal, vergelijken en corrigeren voor eventuele inhomogeniteiten.

In de tweede plaats zal voor gedeelte van vóór 1900 opnieuw gekeken moeten worden naar het standaardiseren van de waarnemingen. Een vertaalprogramma waarmee de eenheden gestandaardiseerd kunnen worden is reeds beschikbaar. Echter, met name voor de luchtdrukken is dit programma voor verbetering vatbaar.

In de derde plaats zal opnieuw gekeken moeten worden naar de procedure om uit termijnwaarnemingen het verloop over het etmaal (en dus ook het daggemiddelde) te berekenen. Voor temperatuur hebben Van Engelen en Geurts (1983) en Van der Hoeven (1992) hiervoor twee van elkaar verschillende procedures ontwikkeld. Waarschijnlijk zijn hier nog wel verbetering mogelijk, vooral door de dagelijkse gang afhankelijk te zien van de weersomstandigheden. Daarnaast moet ook naar de daggemiddelden van andere elementen gekeken worden.

Tenslotte zal er naar de verschillende genoemde zwakke plekken in de reeks gekeken moeten worden. Voor elk zwak plek zullen zoveel mogelijk stations met parallelle waarnemingen opgespoord en gedigitaliseerd moeten worden. Daarna kunnen de betreffende stukken gehomogeniseerd worden. Als laatste stap kan de reeks geïntegreerd worden in de Trekvaartreeks 1634–1839.
 

Referenties

Engelen, A.F.V. en H.A.M. Geurts, Historische weerkundige waarnemingen, Deel III: Een rekenmodel dat het verloop van de termperatuur over een etmaal berekent uit drie termijnmetingen van temperatuur, KNMI, De Bilt, 44 pp., 1983.

Engelen, A.F.V. van, Reconstitution of the oldest XVIII-th century instrumental temerature-observational series in the Netherlands, paper presented at the First NACD Seminar, Brussels, November 29 to December 1, 1993.

Geurts, H.A.M. en A.F.V. Van Engelen, Historische weerkundige waarnemingen, Deel V: Beschrijving antieke meetreeksen, KNMI, De Bilt, 310 pp., 1992.

Grand, J.P. en M. Gaff, Les observations meteorologique de Louis Moris entre 1670 et 1713, In: Direction de La meteorologique nationale, Monograph No. 6, 1992.

Hart, H. de, Korte samenvatting van de geschiedenis van het ponsen van de scheeps-waarnemingen, Notitie, KNMI, 1972.

Hoeven, P.C.T. Van der, Etmaaltemperatuur en dagextremen uit termijnwaarnemingen, Memorandum KD 92-08, KNMI, De Bilt, 23 pp., 1992.

Hoeven, P.C.T. Van der, Historische klimaatreeksen, vooronderzoek, Memorandum FM-89-08, KNMI, De Bilt, 33 pp., 1989.

Jones, P.D., S.C.B. Raper, B.D. Santer, B.S.G. Cherry, C.M. Goodess, P.M. Kelly, T.M.L. Wigley, R.S. Bradley and H.F. Diaz, A Grid Point Surface Air Temperature Data Set for the Northern Hemisphere, Technical Report TRO22, U.S. Dept. of Energy, Carbon Dioxide Research Division, 251 pp., 1985.

Labrijn, A.,  Het klimaat van Nederland gedurende de laatste twee en een halve eeuw, Med. en Verh. 49, KNMI, De Bilt, 114 pp., 1945 (ook als proefschrift verschenen).

RMMO; MGS, Observations made at Batavia / Djakarta Vol. I, Gepubliceerd door diverse instanties, o.a. Royal Magnetical and Meteorological Oservatory Batavia en Meteorological and Geophysical Service, Djakarta, 1866–1997.

Schönwiese, C.D., J. Malcher en C. Hartmann, Globale Statistiek langer Temperatur- und Niederslagreihen, Berichte des Instituts für Meteorologie und Geophysik der Universität Frankfurt/Main, Nr. 65, 1986.
 
 

intro-ne HISKLIM: programmabeschrijving | projecten | maritieme data | landdata | publikaties | datalinks | vacature

 


Theo Brandsma