De periode vóór 1850 loopt parallel met de periode van vóór de oprichting van het KNMI door Buys-Ballot in 1854. Vanaf ongeveer het jaar 1700 hebben we al de beschikking over instrumentele waarnemingen van het weer. De waarnemingen uit deze pre-KNMI periode noemen we ook wel antieke waarnemingen. Het feit dat er in die tijd geen KNMI was wil overigens niet zeggen dat de waarnemingen volledig ongeorganiseerd werden verricht. In het begin van de 18e eeuw was er namelijk al een soort van waarnemingsnetwerk opgericht door Petrus van Musschenbroek (1692–1761). Hij coördineerde alle waarnemingen in dat netwerk, waarbij hij de richtlijnen volgde van de ‘English Royal Society’.
In de eerste helft van de 19e eeuw was het Wenckebach die de verschillende
waarnemingen bij elkaar bracht en onderling vergeleek. Ongeveer een eeuw
later was het Labrijn die in een verhandeling over ‘Het klimaat van Nederland
gedurende de laatste twee en een halve eeuw’ (Labrijn, 1945) een overzicht
gaf van alle tot dan toe bekende antieke waarnemingen. Ten slotte, is er
in de jaren tachtig van de 20e eeuw, in het kader van een EU-project, veel
werk verricht door Van Engelen en Geurts. Deze auteurs hebben de inventaristatie
van antieke data van Labrijn verder uitgebreid. Daarnaast geven ze voor
elk station een overzicht van de beschikbare metadata en hebben ze voor
een twaalftal stations de dagelijkse (veelal driemaal daags) meteorologische
waarnemingen gedigitaliseerd. De bevindingen zijn gepubliceerd in een vijftal
rapporten onder de naam ‘Historische weerkundige waarnemingen’ (KNMI-publikatie
165).
Voor alleen het samenstellen van de Zwanenburg/De Bilt reeks is een minimum aantal stations nodig met waarnemingen in digitale vorm. Van Engelen en Geurts hebben destijds 15 stations gedigitaliseerd die van goede kwaliteit leken en die van belang waren met het oog op de Zwanenburg/De Bilt reeks. Echter, voor het standaardiseren, corrigeren en homogeniseren van deze reeks, met een zo hoog mogelijke tijdsresolutie, is het gewenst dat alle stations beschikbaar zijn in digitale vorm. Dit dient tevens het algemene belang van de klimaatbeschrijving van Nederland.
Figuur 1 geeft tot 1900 als functie van de tijd een overzicht van de gedigitaliseerde en niet-gedigitaliseerde stations met antieke waarnemingen. Tezamen met tabel 1 laat deze figuur duidelijk zien dat er nog een enorme hoeveelheid materiaal beschikbaar is voor digitalisatie.
Figuur 1: Totaal aantal stations met antieke waarnemingen en
het aantal stations met gedigitaliseerde antieke waarnemingen.
In tabel 1 zijn zo een drietal reeksen te vinden die van veel waarde kunnen zijn maar niet digitaal beschikbaar zijn. Een eerste reeks is die van Amsterdam van 1700–1914. Deze reeks is bekend als de ‘Stadswaterkantoor-reeks’ en is uniek in de zin dat vanaf 1784 uurlijks temperatuur, en vanaf 1822 ook luchtdruk, werd gemeten. De tweede reeks is een korte tweejarige reeks voor Leiden van 1697–1698 gemeten door Wolferd Senguerd. Het belang van deze reeks zit in de overlap met de recent ontdekte Parijse reeks 1670–1713 (Grand en Gaff, 1992), zijnde de oudst bekende luchtdrukreeks van Europa. Als derde reeks noemen we de reeks van Utrecht van 1828–1850 en daarvan vooral de periode met dagelijkse metingen 1836–1846. De metingen werden verricht door Petrus de Fremery bij de Veerartsenijschool. De reeks is ook wel bekend als ‘Fremery-reeks’. Het belang van de reeks zit in de overlap met Zwanenburg (vóór de inpoldering van de Haarlemmermeer) in een data-arme periode. Daarnaast waren de waarneemcondities voor deze reeks (vlak terrein aan nauwelijks bebouwde Biltstraat) vermoedelijk beter dan die op de ‘Sonnenborgh’ (met bomen bezette heuvel langs een singel).
Naast de drie genoemde reeksen, is er nog een groot aantal andere niet-digitale beschikbare reeksen. Vooral die reeksen met dagelijkse waarnemingen van temperatuur en luchtdruk komen voor digitalisatie in aanmerking. Het merendeel van de reeksen bevatten echter alleen windrichting, dikwijls aangevuld met windkracht. De oudste reeks is een reeks met windrichtingen van Koog aan de Zaan van 1669–1729. Hoewel de waarde van dergelijke reeksen op dit moment niet meteen evident is, lijkt het toch verstandig ook dergelijke reeksen te digitaliseren.
Van der Hoeven (1989) geeft aan dat het aantal gedigitaliseerde antieke
waarnemingen ca. 0,4 miljoen (368 stationsjaren) bedraagt. Het aantal niet-gedigitaliseerde
waarnemingen waarvan een kopie op het KNMI aanwezig is bedraagt ca. 1,7
miljoen (761 stationjaren). Een groot gedeelte hiervan wordt gevormd door
de uurlijkse Stadswaterkantoor-reeks (1,2 miljoen waarnemingen). Tenslotte
zijn er nog ca. 0,7 miljoen waarnemingen (750 stationjaren) waarvan geen
kopie op het KNMI aanwezig is (zie tabel 1).
Op 1 december 1848 begonnen Buys-Ballot en Krecke met driemaal daagse en uurlijkse waarnemingen op de ‘Sonnenborgh’ te Utrecht, waarmee de eerste aanzet werd gegeven tot het ontstaan van het KNMI. De feitelijke oprichting van het KNMI vond plaats op 31 januari 1854. Na België (1826), Duitsland (1847), Rusland (1849) en Oostenrijk (1851) was Nederland, tezamen met Engeland en Portugal, de vijfde in de rij van landen met een officieel weerkundig instituut.
Vanaf het begin van de Utrechtse metingen op 1 december 1848, werd er op een toenemend aantal stations meest driemaal daags waarnemingen gedaan. Beperkte men zich in de eerste jaren nog tot windrichting en -kracht, al snel kwamen daar elementen bij als temperatuur, luchtdruk, dampdruk, relatieve vochtigheid, bewolking en neerslag. De stations waarop driemaal daags waarnemingen gedaan werden noemt men termijnstations. De waarnemingen werden gepubliceerd in de jaarboeken van het KNMI.
Naast de termijnstations waren er vijf klimatologische hoofdstations: Utrecht, Groningen, Den Helder, Vlissingen en Maastricht. Op deze stations werden naast de termijnwaarnemingen uurlijkse waarnemingen verricht van verschillende elementen.
Buys Ballot zag al snel het belang in van het uitwisselen van waarnemingen
met andere landen. In de jaarboeken uit de periode 1850–1880 vinden we
dan ook, naast de Nederlandse stations, waarnemingen (meest eenmaal daags)
van een groot aantal Europese stations. Daarnaast zijn ook waarnemingen
opgenomen van stations buiten Europa, waaronder de Nederlands koloniën.
Juist omdat de termijnstations een belangrijke brugfunctie vervullen tussen de ‘antieke’ data en de ‘moderne’ data, is het van groot belang dat de waarnemingen van alle stations digitaal beschikbaar komen. Van der Hoeven (1989) schat de hoeveelheid niet gedigitaliseerde waarnemingen in tabel 2 op ca. 0,9 miljoen (812 stationsjaren). Als we daarbij ook nog bedenken dat het standaardiseren en corrigeren van deze gegevens niet eenvoudig is, dan is duidelijk dat hier nog een enorm stuk werk ligt te wachten.
Klimatologische hoofdstations
De vijf klimatologische hoofdstations leverden naast de termijnmetingen
ook uurlijkse metingen van verschillende elementen. Vanaf 1890 werden de
uurwaarnemingen van de alle hoofdstations opgenomen in de jaarboeken. Sinds
1920 werden alleen de uurwaarnemingen van De Bilt (in 1897 in de plaats
van Utrecht gekomen) opgenomen. De oorspronkelijke uurwaarnemingen zijn
te vinden in het Centraal Registratie Archief Waarnemingen van het
KNMI in de zgn. uurtabellen.
Tabel 3 geeft het resultaat van een ruwe inventarisatie van de perioden waarover uurtabellen beschikbaar zijn. Wanneer een reeks zonder onderbrekingen doorloopt in de 20e eeuw, is de doorloop ook gegeven. Regelmatig wordt melding gemaakt van ontbrekende stukken (jaren). Wanneer we de vier elementen samen nemen gaat het om ca. 1,2 miljoen waarnemingen (132 stationsjaren) gegevens in de 19e eeuw.
Tabel 3: Perioden (per element) waarvoor tabellen met uurwaarnemingen
beschikbaar zijn in het CRAW. De 19e eeuwse uurwaarnemingen zijn
niet digitaal beschikbaar.
De uurlijkse metingen werden verricht met zelfregistrerende apparatuur waarvan de betrouwbaarheid niet al te hoog moet worden ingeschat. Toch kunnen de metingen waardevol blijken te zijn voor: (1) het uitbreiden van de digitale uurreeksen van de 20e eeuw (zie volgende paragraaf); en (2) het vinden van weersafhankelijke verbanden om uit 19e eeuwse termijnwaarnemingen daggemiddelden te berekenen.
Maandreeksen Europa
In enkele jaarboeken bevinden zich reeksen met maandwaarden van temperatuur
en/of luchtdruk van ca. 90 stations in Europa. De reeksen lopen door tot
1883. Voor de meeste stations zijn géén waarnemingen vóór
1800 gegeven. Ze zijn destijds deels uit kranten e.d. gehaald. We vermoeden
dat deze reeksen met maandwaarden ook bekend zijn bij de meteorologische
instituten van de landen waarin de stations gelegen zijn. Zekerheid hierover
hebben we niet.
Dagreeksen Europa
Naast de maandwaarden zijn voor een groot aantal Europese stations,
veelal dezelfde als bij de maandwaarden, ook dagwaarden gegeven in de jaarboeken.
De verschillende reeksen bestrijken ruwweg de periode 1850–1880 waarbij
de lengte van de reeksen per stations verschilt. Het betreft meestal eenmaal
daagse waarnemingen van temperatuur en luchtdruk voor in totaal ca. 100
stations. In de periode 1870–1873 zijn er geen temperatuur en luchtdruk
waarnemingen maar alleen waarnemingen van neerslag en bewolking voor 40
stations. Voor de periode 1874–1875 zijn er helemaal geen dagelijkse waarnemingen.
Tenslotte worden vanaf 1876 ook waarnemingen van stations in Azië
en Amerika vermeld. Net als voor de maandreeksen, vermoeden we dat deze
gegevens bekend zijn in de desbetreffende landen. Zekerheid is er echter
niet.
Dagreeksen buiten Europa
In de jaarboeken bevinden zich ook dagreeksen (meest driemaal daags)
van stations buiten Europa. Tabel 4
(PDF-bestand, 18 kB) geeft een overzicht van deze stations. Uit de tabel
blijkt dat het om meest korte reeksen gaat. Het is op dit moment niet duidelijk
in hoeverre de reeksen ook beschikbaar zijn in de desbetreffende landen.
Er zijn geen dagreeksen in de jaarboeken die verder teruggaan dan 1848.
Echter, voor een aantal plaatsen (Buitenzorg, Decima) zijn deze destijds
gepubliceerd door de Academie van Wetenschappen (vanaf 1841).
In het ‘schaduwarchief’ van de KNMI-bibliotheek bevinden zich o.a. alle
jaarboeken uit Indonesië (RMMO; MGS, 1866–1997). Deze boeken bevatten
uurwaarnemingen van Batavia sinds 1866 en klimatologieën van andere
stations sinds ca. 1920.
Onder de synoptische stations bevonden zich ook de klimatologische hoofdstations. Zo ontstond er de vreemde situatie dat op één station een aantal dezelfde metingen parallel werden gedaan. Om aan deze situatie een eind te maken, zijn vanaf 1971 beide netwerken samengevoegd. De termijnstations zijn geleidelijk aan allemaal opgeheven.
Op dit moment onderhoudt het KNMI, naast een netwerk van bemande en
onbemande automatische synoptische stations, een net met zo’n 300 neerslagstations,
waarbij door vrijwilligers iedere ochtend een aftapping gedaan wordt van
de gevallen neerslag over de voorgaande 24 uur. Daarnaast zijn er enkele
tientallen automatische stations, al dan niet bemand, met uurlijkse waarnemingen
voor verschillende klimaatvariabelen. Een overzicht van alle stations is
te vinden in de ‘Gids voor meteorologische stations in Nederland’.
Hoewel de waarnemingen van de termijnstations digitaal beschikbaar zijn ze niet gemakkelijk opvraagbaar. Op dit moment wordt er dan ook weinig tot niets mee gedaan. Een van de redenen is dat er onduidelijkheid is over de mate waarin de data gecorrigeerd zijn. Ook de berekeningswijze van daggemiddelden uit driemaal daagse waarnemingen is een punt van discussie. Het gaat hier echter wel om ca. 1400 stationsjaar waarnemingen waarvan we mogen aannemen dat de metingen met een grote nauwkeurigheid gedaan zijn. Het wordt dan ook tijd dat hier opnieuw naar gekeken wordt.
Klimatologische hoofdstations en synoptische stations
De hoofdstations en synoptische stations geven naast de termijnwaarnemingen
ook uurlijkse waarnemingen. Lange reeksen van uurwaarnemingen zijn geschikt
voor studies naar variabiliteit van klimaatparameters met een hoge
tijdsresolutie. Ook kunnen de uurreeksen goed gebruikt worden om daggemiddelden
af te leiden uit termijnwaarnemingen. Tabel 6 geeft een overzicht van de
digitaal beschikbare reeksen van klimatologische hoofdstations (Van der
Hoeven, 1989) en synoptische stations tot 1970 en de voortzetting na de
samenvoeging van het synoptische en klimatologische netwerk (gearceerde
balken). Sommige stations zijn opgeheven of op een andere plaats voortgezet,
hetgeen problemen geeft bij de toepassing voor klimaatonderzoek.
Tabel 6: Perioden waarin de 20e eeuwse hoofd- en synoptische
stations naast elkaar of afzonderlijk van elkaar functioneerden (blauwe
balk) en de voortzetting na het samen-voegen van beide type stations (gearceerde
blauwe balk). De kleur blauwe geeft aan dat de waarnemingen digitaal beschikbaar
zijn op het KNMI.
Neerslagstations
Figuur 2 geeft een overzicht van het verloop van het totaal aantal
neerslagstations in Nederland vanaf 1850 en het aantal digitaal beschikbare
stations. De figuur laat zien dat we sinds de jaren 50 op een redelijk
stabiel aantal van iets meer dan 300 stations zitten. De waarnemingen van
de stations vanaf 1951 zijn allemaal digitaal beschikbaar. In de periode
daarvoor is er nog ca. 14000 stationsjaar te digitaliseren.
Figuur 2: Totaal aantal neerslagstations en het aantal neerslagstations
met digitaal beschikbare waarnemingen.
Hoewel veel neerslagstations in de loop van de tijd opgeheven zijn, is er toch een groot aantal stations met lange ononderbroken neerslagreeksen. Het continueren van deze reeksen is van groot belang voor het klimaatonderzoek (inclusief extreme-waarde analyse e.d.).
Stroken met waarnemingen
Een belangrijke bron met waarnemingen vormen de stroken van met name
neerslag en windsnelheid/richting. Deze stroken bevinden zich in het Centraal
Registratie Archief Waarnemingen van het KNMI. In het verleden zijn de
stroken uitgetrokken om uurgemiddelden (sommen) of, i.g.v. windsnelheid,
het gemiddelde van het laatste 10 minuten vak in een uur te bepalen. In
plaats van per uur een waarde te bepalen kunnen de stroken ook gebruikt
worden om voor kortere intervallen waarden te bepalen. Hierbij kan 10 minuten
als minimum tijdsduur worden aangehouden.
Voor de neerslag bestaan er al enkele korte duur digitale files. Voor De Bilt, Eelde en Vlissingen zijn er gecorrigeerde 15-minuten waarden beschikbaar over het tijdvak 1955–1979 (het zgn. de ‘Grontmij bestand’). Verder zijn er voor De Bilt ongecorrigeerde 5-minuten waarden voor de jaren 1928, 1933 en 1951–1960. De stroken voor De Bilt gaan echter terug tot 1897.
Alles bij elkaar gaat het om een grote hoeveelheid materiaal. Voor windstations
met 20 of meer jaren waarnemingen gaat het om ca. 1700 stationsjaar en
bij de neerslag om ca. 380 stationsjaar. Voor stations met minder dan 20
jaar komt daar respectievelijk nog ca. 170 en 89 jaar bij . Het digitaliseren
is dus een enorm arbeidsintensieve taak.
De Zwanenburg/De Bilt reeks strekt zich uit over de periode 1706–heden.
Hoewel de naam anders doet vermoeden, is de reeks een samenvoeging van
reeksen van een zestal stations: Delft, Rijnsburg, Zwanenburg, Haarlem,
Utrecht en De Bilt (zie Tabel 7). Het is daarbij gebruikelijk dat de gegevens
van de verschillende stations worden herleid tot het meest recente station,
in dit geval De Bilt. Hoewel voor de meeste stations driemaal daagse waarnemingen
beschikbaar zijn, heeft de nadruk tot nu toe gelegen op de daaruit berekende
maandwaarden (vooral temperatuur). Bekend is de zogenaamde Labrijnreeks
van maandtemperatuur en maandneerslag (Labrijn, 1945). De in tabel 7 gegeven
samenvoeging heeft betrekking op een up-to-date en enigszins gewijzigde
versie die verkrijgbaar is bij de Klimatologische Dienst van het KNMI.
Tabel 7: Opbouw van de Zwaneburg/De Bilt reeks in de geüpdate
Labrijnreeks van maandtemperatuur en –neerslag.
Hoewel we de beschikking hebben over een lange instrumentele klimaatreeks is de reeks nog niet geschikt voor onderzoek naar klimaatverandering/variabiliteit. De ‘Climate Research Unit’ in Norwich heeft de maandgemiddelde temperatuurreeks onderzocht (o.a. vergelijking met de reeksen van Ukkel en Parijs) en kwam tot de conclusie dat de reeks belangrijke inhomogeniteiten vertoont (Jones et al., 1985). De slechte kwaliteit van de Zwanenburg/De Bilt reeks werd ook opgemerkt door Schönwiese et al. (1986) in een vergelijkend homogeniteits-onderzoek van een groot aantal Europese en Noord-Amerikaanse reeksen. Te verwachten is dat de problemen op dagniveau nog groter zijn. In de volgende paragraaf zullen we een aantal zwakke punten in de reeks aanstippen.
Op maandniveau springen er vijf zwakke perioden uit. De eerste periode betreft het begin van de reeks van ca. 1706–1734. In die periode zijn er weinig waarnemingen beschikbaar en zijn er eigenlijk geen stations waarmee vergeleken kan worden. Van Engelen (1993) beschrijft hoe dit gedeelte, dat nog niet in de oorspronkelijke Labrijn reeks aanwezig was, herleid is tot De Bilt.
De tweede periode waarvan de kwaliteit twijfelachtig is, loopt van ca. 1786–1815. In die tijd was het onrustig in ons land hetgeen ook aan de waarnemingsreeksen te merken is. De derde periode omvat het laatste gedeelte van de Zwanenburg reeks van ca 1851–1861. Door de droogmaking van de Haarlemmermeer (gereed gekomen in 1852) is dit gedeelte niet erg betrouwbaar. In de in tabel 7 gegeven samenvoeging van de Zwanenburg/De Bilt reeks is dit gedeelte dan ook vervangen door Utrecht . De vierde periode met een zwakke plek viel ten tijde van de overgang van Utrecht naar De Bilt in 1897, vanwege de geringe overlap van de reeksen.
Tenslotte moeten we ook nog de 20e eeuwse waarnemingen in De Bilt noemen.
Tijdens vooronderzoek voor de KNMI
klimaatrapportage van Nederland 1999 bleken er met name in de maximum
temperatuur van De Bilt inhomogeniteiten te zitten voor het zomerhalfjaar.
Figuur 3 laat rond 1950 een grote sprong naar beneden zien, gevolgd door
een kleinere sprong omhoog in 1960 (zie ook Klimaatrapportage,
1999). Enig speurwerk in de metadata voor De Bilt laat zien dat de
sprongen waarschijnlijk het gevolg zijn van een horizontale verplaatsing
van de thermometerhut in 1950 en een (landelijk doorgevoerde) verticale
verplaatsing (verlaging) van de thermometerhut in 1960. Deze sprongen in
de maximum temperatuur werken ook door in de gemiddelde temperatuur. Helaas
zijn de problemen niet beperkt tot temperatuur en tot De Bilt, andere grootheden
en stations hebben soortgelijke problemen. Voor temperatuur bijvoorbeeld,
bleken de meeste ander hoofdstations grotere inhomogeniteiten te vertonen
dan De Bilt.
Figuur 3: Maximum temperatuur te De Bilt (1901–1998) gemiddeld
over het zomer-halfjaar (april-september). De golvende lijn geeft
een voortschrijdend gewogen gemiddelde van de 15 dichtstbijzijnde jaren.
Om het bovenstaande doel te bereiken moet er nog veel gebeuren waarbij het verstandig is zoveel mogelijk terug in de tijd te werken. In de eerste plaats moeten dan de reeksen voor De Bilt van de 20e eeuw gehomogeniseerd worden. Dit houdt in dat voor De Bilt en verschillende vergelijkingsstations de metadata op een rijtje gezet moeten worden. Naast Nederlandse stations, moeten hierbij ook buitenlandse stations betrokken worden. Daarna kunnen we de verschillende stations, muli-elementaal, vergelijken en corrigeren voor eventuele inhomogeniteiten.
In de tweede plaats zal voor gedeelte van vóór 1900 opnieuw gekeken moeten worden naar het standaardiseren van de waarnemingen. Een vertaalprogramma waarmee de eenheden gestandaardiseerd kunnen worden is reeds beschikbaar. Echter, met name voor de luchtdrukken is dit programma voor verbetering vatbaar.
In de derde plaats zal opnieuw gekeken moeten worden naar de procedure om uit termijnwaarnemingen het verloop over het etmaal (en dus ook het daggemiddelde) te berekenen. Voor temperatuur hebben Van Engelen en Geurts (1983) en Van der Hoeven (1992) hiervoor twee van elkaar verschillende procedures ontwikkeld. Waarschijnlijk zijn hier nog wel verbetering mogelijk, vooral door de dagelijkse gang afhankelijk te zien van de weersomstandigheden. Daarnaast moet ook naar de daggemiddelden van andere elementen gekeken worden.
Tenslotte zal er naar de verschillende genoemde zwakke plekken in de
reeks gekeken moeten worden. Voor elk zwak plek zullen zoveel mogelijk
stations met parallelle waarnemingen opgespoord en gedigitaliseerd moeten
worden. Daarna kunnen de betreffende stukken gehomogeniseerd worden. Als
laatste stap kan de reeks geïntegreerd worden in de Trekvaartreeks
1634–1839.
Engelen, A.F.V. van, Reconstitution of the oldest XVIII-th century instrumental temerature-observational series in the Netherlands, paper presented at the First NACD Seminar, Brussels, November 29 to December 1, 1993.
Geurts, H.A.M. en A.F.V. Van Engelen, Historische weerkundige waarnemingen, Deel V: Beschrijving antieke meetreeksen, KNMI, De Bilt, 310 pp., 1992.
Grand, J.P. en M. Gaff, Les observations meteorologique de Louis Moris entre 1670 et 1713, In: Direction de La meteorologique nationale, Monograph No. 6, 1992.
Hart, H. de, Korte samenvatting van de geschiedenis van het ponsen van de scheeps-waarnemingen, Notitie, KNMI, 1972.
Hoeven, P.C.T. Van der, Etmaaltemperatuur en dagextremen uit termijnwaarnemingen, Memorandum KD 92-08, KNMI, De Bilt, 23 pp., 1992.
Hoeven, P.C.T. Van der, Historische klimaatreeksen, vooronderzoek, Memorandum FM-89-08, KNMI, De Bilt, 33 pp., 1989.
Jones, P.D., S.C.B. Raper, B.D. Santer, B.S.G. Cherry, C.M. Goodess, P.M. Kelly, T.M.L. Wigley, R.S. Bradley and H.F. Diaz, A Grid Point Surface Air Temperature Data Set for the Northern Hemisphere, Technical Report TRO22, U.S. Dept. of Energy, Carbon Dioxide Research Division, 251 pp., 1985.
Labrijn, A., Het klimaat van Nederland gedurende de laatste twee en een halve eeuw, Med. en Verh. 49, KNMI, De Bilt, 114 pp., 1945 (ook als proefschrift verschenen).
RMMO; MGS, Observations made at Batavia / Djakarta Vol. I, Gepubliceerd door diverse instanties, o.a. Royal Magnetical and Meteorological Oservatory Batavia en Meteorological and Geophysical Service, Djakarta, 1866–1997.
Schönwiese, C.D., J. Malcher en C. Hartmann, Globale
Statistiek langer Temperatur- und Niederslagreihen, Berichte des Instituts
für Meteorologie und Geophysik der Universität Frankfurt/Main,
Nr. 65, 1986.