Homogeniseren De Bilt 20e eeuw

Projectleider:     T. Brandsma
Start: maart 2000
Status: Afronding van het project in 2005 met oplevering van homogene De Bilt reeks op dagbasis (minimum, maxium, en gemiddelde temperatuur)
 

Probleemstelling

Hoewel het  KNMI de beschikking heeft over lange instrumentele klimaatreeksen zijn de reeksen nog niet homogeen en daardoor ook niet geschikt voor onderzoek naar klimaatverandering/variabiliteit. Voor de Zwanenburg/De Bilt reeks, heeft de ‘Climate Research Unit’ in Norwich de maandgemiddelde temperatuur van de Zwanenburg/De Bilt reeks onderzocht (o.a. vergelijking met de reeksen van Ukkel en Parijs) en kwam tot de conclusie dat de reeks belangrijke inhomogeniteiten vertoont (Jones et al., 1985). De slechte kwaliteit van de Zwanenburg/De Bilt reeks was al eerder opgemerkt door Schönwiese et al. (1986) in een vergelijkend homogeniteits-onderzoek van een groot aantal Europese en Noord-Amerikaanse reeksen. Te verwachten is dat de problemen op dagniveau nog groter zijn. Voor de andere klimatologische hoofdstations Den Helder/De Kooy, Groningen/Eelde, Vlissingen en Maastricht/Beek gelden soortgelijke problemen.

Deze pilotstudy richt zich op het homogeniseren van de temperatuur van het 20e eeuwse gedeelte van de Zwanenburg/De Bilt reeks. Tijdens vooronderzoek voor de KNMI-Klimaatrapportage 1999 bleken er met name in de maximum temperatuur van De Bilt inhomogeniteiten te zitten voor het zomerhalfjaar. Figuur 1 laat rond 1950 een grote sprong naar beneden zien, gevolgd door een kleinere sprong omhoog in 1960  (zie ook Klimaatrapportage, 1999). Enig speurwerk in de metadata voor De Bilt laat zien dat de sprongen waarschijnlijk het gevolg zijn van een horizontale verplaatsing van de thermometerhut in 1950 en een (landelijk doorgevoerde) verticale verplaatsing (verlaging) van de thermometerhut in 1960. Deze sprongen in de maximum temperatuur werken ook door in de gemiddelde temperatuur. Helaas zijn de problemen niet beperkt tot temperatuur en tot De Bilt, andere grootheden en stations hebben soortgelijke problemen. Voor temperatuur bijvoorbeeld, bleken de meeste ander hoofdstations grotere inhomogeniteiten te vertonen dan De Bilt. Een bijkomend probleem is de weersafhankelijkheid van inhomogeniteiten.

Figuur 1: Maximum temperatuur te De Bilt (1901–1998) gemiddeld over het zomerhalfjaar (april-september).  De golvende lijn geeft een voortschrijdend gewogen gemiddelde van de 15 dichtstbijzijnde jaren.
 
 

Resultaten

Het project heeft tot de volgende resultaten geleid (zie ook de publicatielijst):: De volgende resultaten worden nog  verwacht (2005/begin 2006)

Referenties

Jones, P.D., S.C.B. Raper, B.D. Santer, B.S.G. Cherry, C.M. Goodess, P.M. Kelly, T.M.L. Wigley, R.S. Brad-ley and H.F. Diaz, A Grid Point Surface Air Temperature Data Set for the Northern Hemisphere, Technical Report TRO22, U.S. Dept. of Energy, Carbon Dioxide Research Division, 251 pp., 1985.

Schönwiese, C.D., J. Malcher en C. Hartmann, Globale Statistiek langer Temperatur- und Niederslagreihen, Berichte des Instituts für Meteorologie und Geophysik der Universität Frankfurt/Main, Nr. 65, 1986.

intro-ne HISKLIM: programmabeschrijving | projecten | maritieme data | landdata | publikaties | datalinks | vacature