Naast waarnemingen van varende schepen, zijn er vanaf 1850 ook maritieme
waarnemingen van ‘vaste’ posities van belang zoals die van lichtschepen
en lichteilanden. Het KNMI heeft een grote hoeveelheid van dergelijke waarnemingen
in beheer. Hierdoor zijn een aantal unieke lange reeksen met oceanografische-
en klimaatparameters voorhanden die van groot belang zijn voor het klimaatonderzoek.
De homogeniteit van deze reeksen en fysieke toegankelijkheid verdienen
echter nog de nodige aandacht.
Figuur 1 geeft een indruk van de samenstelling van de COADS dataset in periode 1854–1950. De figuur laat een aantal interessante zaken zien. Duidelijk is dat Nederland een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan COADS. Vóór 1880 is het aandeel van Nederland zelfs bijna 100%. Opvallend is de stijging in het aantal waarnemingen per jaar vanaf 1880 tot WOI en de gaten gedurende WOI en WOII. Voor het Zuidelijk Halfrond is de periode vóór WOII recentelijk aangevuld door het beschikbaar komen van de Japanse Kobe Collectie (1 miljoen waarnemingen over de periode 1890–1932; niet opgenomen in figuur 1).
Figuur 1: Aantal waarnemingen per jaar in de COADS Release 1
(1854–1949), gegroepeerd naar land van herkomst plus ‘Historical Sea Surface
Temperature (HSST) project data (naar Woodruff et al., Phys. Chem. Earth,
23: 517–526, 1998).
Binnen COADS wordt aanvulling van WOI/II en verdere aanvulling van de
20e eeuw in ruimtelijke zin (Zuidelijk Halfrond) als eerste prioriteit
gezien. Aan de laatste doelstelling en aan WOII kan het KNMI geen substantiële
bijdrage leveren, aan WOI mogelijk wel. Van iets mindere prioriteit, maar
zeker niet onbelangrijk, is de aanvulling van de 19e eeuw. Internationaal
gezien is er voor die periode nog genoeg materiaal beschikbaar. Zo liggen
er in Engeland alleen al voor de periode 1850–1900 ca. 8 miljoen waarnemingen
van Marine schepen in de archieven te wachten op digitalisatie.
Ondertaande opsomming geeft een overzicht van het materiaal dat thans nog op het KNMI aanwezig is:
Uit een steekproef van ca. 20 stukken, verdeeld over de gehele periode 1813–1968, bleek dat er wel meteorologische informatie in de scheepsjournalen staat, maar dat die veelal beschrijvend van aard is. In een beperkt aantal gevallen werd de meteorologische informatie netjes in kolommen genoteerd. Wat in een paar gevallen opviel was dat er met gekleurd waskrijt in de journalen was ‘getekend’ op een zelfde manier als in de journalen die nog op het KNMI aanwezig zijn. Dit geeft de indruk dat de gegevens bewerkt zijn voor het ponsen (afgeperkt). Echter, de steekproeven gaven geen aanwijzingen dat de waarnemingen uit de journalen in het ARA ook daadwerkelijk elektronisch beschikbaar zijn. Geen van de gevonden waarnemingen werd namelijk in de bestaande database teruggevonden. Dit zou kunnen inhouden dat de inventaris nooit is gedigitaliseerd. Om een betere schatting te kunnen maken moet er uitgebreider in de journalen worden gezocht, waarbij o.a. ook moet worden gekeken naar de waarde van de meteorologische waarnemingen.
De journalen van de reizen naar de Indische Archipel gedurende de periode
1814–1890 zijn voor wind, weer en stromen bewerkt door Van der Stok in
Batavia en gepubliceerd in de atlas: East Indian Archipelago. Wind and
weather, currents, tides and tidal streams (Van der Stok, 1897). De journalen
zijn kennelijk eenmalig met de hand bewerkt. Een digitaal bestand hiervan
is niet gevonden. In de journalen wordt niet vermeld welke correcties
van toepassing zijn op barometer en thermometer aflezingen. Ook is het
vaak onduidelijk welke barometer (kwik of aneroïde) is afgelezen.
Belangrijk is dat deze gegevens een brug vormen tussen de zeilvaart-periode
en de daarbij behorende conventies, en de stoomvaart vanaf 1875.
Voor de periode 1910–1940 is de klimatologie van lichtschipwaarnemingen voortgezet door Verploegh (1956–59), voor de periode 1949–1957 door Dorrestein (1967), en voor de periode 1949–1980 door Korevaar (1987). Korevaar (1990) heeft o.a. de lichtschipwaarnemingen 1961–1980 gebruikt voor het maken van een klimatologie voor de Noordzee.
De meteorologische en oceanografische journalen van de lichtschepen (sinds ca. 1890) zijn onlangs weggegooid bij een schoningsactie mede in verband met de verhuizing van het archief.
Tabel 1 geeft een overzicht van de perioden waarin de verschillende lichtschepen actief waren.
Tabel 1: Perioden waarin de lichtschepen uit figuur 1 actief
waren. De kleur van de balk geeft aan of in de betreffende periode de waarnemingen
digitaal beschikbaar zijn (blauw) of niet (rood).
De digitale dataset van de meteorologische lichtschipwaarnemingen staat
in het 120-character format en is thans in beheer bij Frits
Koek. Er bestaat ook een oceanografische dataset van de lichtschepen
(80-character; code 41; circa 1951–1981). Deze bevat naast stroomgegevens
en zoutgehaltes (ook op verschillende dieptes) tevens windgegevens. Ook
deze dataset is in beheer bij Frits Koek.
Het merendeel van de Nederlandse weerschipjournalen is nog beschikbaar op het KNMI
Figuur 3: Positie van de weerschepen op de Noord-Atlantische
Oceaan..
Naast het onderzoek van case-studies, zou een internationale database van pre-1800 maritieme waarnemingen van windrichting en –kracht gebruikt kunnen worden om grootschalige stromings (= luchtdruk) patronen te achterhalen, zoals dit ook in andere werelddatabases gebeurt. De internationale samenwerking die hier voor nodig krijgt op dit moment gestalte middels het EU-project CLIWOC waarin ook het KNMI participeert.
Benevens gegevens die gebruikt worden voor de reconstructie van het synoptische weerbeeld, zijn mededelingen over het voorkomen van zee-ijs belangrijk. Aan deze informatie is in toenemende mate behoefte.
Instrumentele waarnemingen van luchtdruk en temperatuur op schepen zijn
pas vanaf ca. 1800 beschikbaar. Omstreeks 1880 kon door het KNMI geld beschikbaar
gesteld worden om de koopvaardijschepen kosteloos van goede instrumenten
te voorzien (De Zee, 1900). Daarvóór had het tot ongeveer
1850 geduurd voordat men de waarde van gestandaardiseerde meteorologische
en oceanografische gegevens goed ging inschatten en gebruiken (Maury, 1856).
Vandaar dat de COADS dataset in zijn huidige vorm pas in 1854 begint. Thans
worden echter voorbereidingen getroffen om de COADS database met pre-1854
gegevens uit te breiden.
De getraceerde journalen zijn per periode van 10 jaar grafisch weegegeven in figuur 4.
Figuur 4: Totaal aantal getraceerde scheepsjournalen (logs)
per periode van 10 jaar voor de pre-1850 periode.
Dorrestein, R., Wind and wave data of Netherlands lightvessels since 1949, Staatsuitge-verij, ’s-Gravenhage, 1967 (KNMI-publicatie 102–90).
Douglas, K.S., H.H. Lamb en C. Loader, A meteorological study of July to October 1588: the Spanish Armada storms, Climatic Research Unit Research Publication No. 6, University of East Anglia, Norwich, UK,1978.
Douglas, K.S., en H.H. Lamb, Weather observations and a tentative meteorological analysis of the meriod May to July 1588, Climatic Research Unit Research Publication No. 6a, University of East Anglia, Norwich, UK,1979.
Gawronski, J. en P. Boyarsky (eds.), Northbound with Barents, Jan Mets, Amsterdam, 255 pp., 1997 (Engels en Russies).
Korevaar, C.G., Climatological data of the Netherlands lightvessels over the period 1949–1980, WR 87–9, KNMI, De Bilt, 1987.
Korevaar, C.G., North Sea climate based on observations form ships and lightvessels, Kluwer, Dordrecht, (published in cooperation with KNMI) 137 pp., 1990
Maury, F.M., The Physical Geography of the Sea, 1856.
Stok, J.P. Van der, East Indian Archipelago: Wind and weather, currents, tides and tidal streams, 1897.
Stok, J.P. Van der, Da Klima des südöstlichen Teiles der Nordsee, unweit der Niederländischen Küste, KNMI mededelingen en verhandelingen 13 a, b, c, Utrecht, 1912.
Verploegh, G., Climatological data of the Netherlands
lightvessels over the period 1910–1940, Part I: Statistics of Gales; Part
II: Air pressure and wind; Part III: Temperatures and hydrometeors, thunderstorms,
general discussion, KNMI mededelingen en verhandelingen 67, ’s-Gravenhage,
1956–59.