De relatie tussen El Niño / Southern Oscillation (ENSO) en droogte in Indonesië is geen nieuws: H. H. Hildebrandsson (1914) meende al een duidelijk verband tussen de droogte op Java in het natte seizoen en de luchtdruk in Zuid-Amerika te zien, nadat hij in 1897 de Zuidelijke Schommeling al beschreven had. Berlage (1957) had een beter oog voor het werkelijke verband tussen El Niño en het Indonesische weer: een El Niño gaat juist samen met droogte in de droge tijd op Java (juli-september).

Figuur 1: de relatie tussen regen op Java en de luchtdruk in
Zuid-Amerika uit Hildebrandsson (1914)
Op de standaard kaartjes met effecten van El Niño rond de wereld staat op Indonesië `droog'. Dit is correct, maar doet geen recht aan de grote verscheidenheid aan klimaten en El-Niño effecten die dit uitgestrekte land (van 95°O tot 145°O en 5°N tot 10°Z) heeft. Ik bekijk daarom Java, Zuidoost-Indonesië, het noord-oosten, Kalimantan en Sumatra apart. De jaarlijkse gang verschilt al aanzienlijk in deze gebieden. De gordel eilanden van Sumatra tot de kleine Sunda eilanden hebben de regentijd (de west-moesson) in onze winter, waarbij het begin van de regens tussen september en november van west naar oost trekt. In de droge tijd komt de wind uit het oosten. Verder wordt de totale hoeveelheid neerslag minder naar het oosten. Het landschap verandert dan ook van regenwoud in Sumatra tot savanne op Oost-Java en Lombok. In de Molukken is de regentijd in onze zomer, een staartje van de Aziatische moesson. In Kalimantan ten slotte regent het normaal het hele jaar door, hoewel het zuiden en westen meer regen hebben in november-december.
Met de gegevens van het Global Historical Climatological Network is het simpel de effecten van ENSO in het verleden te analyseren. Dit zijn stationdata, die natuurlijk vertekend kunnen zijn door lokale omstandigheden (bv. bergen). Daarom kijk ik steeds naar een aantal stations. Een simpele lineaire correlatie van de neerslag met de NINO3.4 index (de anomalie van de zeewatertemperatuur in de oostelijke Stille Oceaan, vanaf 1950) en de Southern Oscillation Index (het luchtdrukverschil tussen Darwin en Tahiti, vanaf 1866) geeft een indruk wat gemiddeld het effect van een El Niño is. Met 30-40 jaar data is een correlatie groter dan ongeveer 0.3 statistisch significant (95%).
In Figuur 2 zijn de jaarlijkse gang en de correlaties van de neerslag met de NINO3.4 index uitgezet voor drie stations op Java. Het duidelijkste effect van ENSO is een sterke negatieve correlatie in september tot november: het begin van de natte moesson wordt uitgesteld als er een El Niño is. Het begin van de droge tijd is ook droger dan gemiddeld. Het afgelopen jaar heeft de natte moesson langer dan ooit op zich laten wachten. Pas op 11 november begon het in Jakarta te regenen, drie weken te laat. Sommigen hadden de hoop al opgegeven dat er ooit een einde aan de droogte zou komen. De invloed tijdens de regentijd is gemengd: in Bandung regent het dan gemiddeld zelfs meer in El Niño-jaren!
Het effect van El Niño is op Sumbawa en Timor hetzelfde als op Java; op de Kai eilanden (Zuid-oost Molukken) regent het echter de hele droge tijd veel minder in een El-Niño jaar (Figuur 3). Uiteraard is minder regen in de droge tijd voor de boeren veel erger dan minder regen in de natte tijd, vooral op de kleine droge eilanden in die regio. Tijdens de El Niño van 1997 heeft het in vrijwel heel Oost-Indonesië tot in december niet geregend. In de Indonesische pers waren er dan ook berichten over voedselschaarste op Timor en de Zuid-oost Molukken. Ook op Nieuw Guinea waren grote problemen, maar een analyse daarvan zou nog een heel artikel vullen.
Op Ambon (Molukken) wordt het eind van de regentijd door een El Niño sterk vervroegd, terwijl de invloed in Baubau (Zuid-Sulawesi), in dezelfde tijd, juist het droge seizoen langer en nog droger maakt. In Manado (Noord-Sulawesi) valt er het hele jaar door veel minder regen gedurende een El-Niño jaar.
Op Kalimantan (Figuur 5) wordt het in een El-Niño jaar in juli droger. Deze droogte duurt maar kort in het westen (Pontianak), maar houdt in het midden (Buntok) tot november aan, en in het oosten (Balikpapan) regent het tot in februari minder. Er is de laatste jaren dan ook een heel sterk verband tussen ENSO en bosbranden op Kalimantan: tijdens de grote El Niño van 1982-1983 is een aanzienlijk gedeelte van Kalimantan in de as gelegd, terwijl er in de El-Niño jaren 1987, 1992 en 1995 ook branden waren, en de rookoverlast van 1997 staat nog vers in het geheugen. Dit voorjaar zijn de problemen tot oost en noord Borneo teruggebracht.
Op Sumatra is de invloed van El Niño gemiddeld genomen gering; alleen in het zuid-oosten komt de moesson iets later aan. De droogte en de bosbranden van augustus-september 1997 tot in Medan (Noord-Sumatra) kunnen dus niet met statistiek van vorige El-Niño episodes verklaard worden.
Behalve met dit soort statistische relaties kunnen ook met modellen voorspellingen gemaakt worden. Sinds enige tijd maakt het ECMWF seizoensverwachtingen met een gekoppeld atmosfeer-oceaan model. De droogte in vrijwel heel Indonesië in januari, die in vorige El-Niño jaren meestal niet voorkwam, was in oktober al correct voorspeld (zie Figuur 6). De regenzone boven Sulawesi is waarschijnlijk een artefact van het zeer grove land-zee masker.
Hoe ernstig het Indonesische weer het afgelopen jaar door El Niño ontwricht was blijkt uit de cumulatieve neerslaggrafieken (CDC/NOAA). Van augustus tot oktober is er vrijwel nergens een drup gevallen. Deze droogte was vanaf juni goed voorzien, maar die kennis heeft veel problemen niet kunnen voorkomen. Een tweede droogteperiode in januari in de zuidelijke helft van het land is geen `standaard' El-Niño effect, maar werd door het ECMWF model correct voorspeld.