Royal Netherlands Meteorological Institute

Research
Ozon en ultraviolette straling: 1997
Waarnemingen en onderzoek in Nederland en België

Een gezamenlijke BIRA-KMI-KNMI-RIVM-uitgave over ozon- en UV-onderzoek in Nederland en België, met medewerking van de vakgroep Dermatatologie van de Universiteit Utrecht, het IMAU, de IRCEL en de universiteiten van Luik en Brussel.

BIRA:Belgisch Instituut voor Ruimte Aëronomie
IMAU:Instituut voor Marien en Atmosferisch onderzoek Utrecht
IRCEL:Interregionale Cel voor het Leefmilieu
KMI:Koninklijk Meteorologisch Instituut van België
KNMI:Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
RIVM:Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Eindredactie: Peter Siegmund

Samenvatting
  • De waargenomen hoeveelheid CFK's en soortgelijke ozonafbrekende stoffen in de troposfeer neemt de laatste jaren af.

    • Deze afname is het gevolg van internationale maatregelen om de productie en emissie van deze stoffen terug te dringen.

    • Naar verwachting zal nog deze eeuw ook in de stratosfeer de hoeveelheid van deze stoffen gaan afnemen en zal de ozonlaag beginnen te herstellen. Het zal echter vermoedelijk nog minstens twintig jaar duren voordat dit verwachte herstel te onderscheiden valt van de natuurlijke variaties in de hoeveelheid ozon en door metingen kan worden bevestigd.

    • Volledig herstel van de ozonlaag is op zijn vroegst te verwachten halverwege de volgende eeuw.

  • Het `ozongat' boven het zuidpoolgebied is qua omvang en diepte de laatste jaren nauwelijks veranderd.

  • De dikte van de ozonlaag is boven onze streken afgenomen, vooral sinds de jaren tachtig. Volgens waarnemingen in Ukkel nam over de periode januari 1980 t/m juni 1997 de ozonkolom af met gemiddeld 0,42% per jaar.

    • Deze trend hangt sterk af van het seizoen: tijdens de lente (maart-mei) bedroeg de afname 0,75% per jaar, terwijl in de herfst slechts een zwakke, statistisch niet significante daling werd waargenomen.

    • De dalende trend van de ozonkolom wordt grotendeels veroorzaakt door een afname in de ozonconcentratie in de lagere stratosfeer.

    • Aan het einde van de winters van 1995-96 en 1996-97 (met name in april) was de ozonlaag boven Nederland en België uitzonderlijk dun. Waarschijnlijk was dit het gevolg van zowel de afbraak van ozon boven het noordpoolgebied als de bijzondere weersituatie in Europa.

  • In de afgelopen drie winters (1994-95, 1995-96 en 1996-97) was boven het noordpoolgebied de temperatuur in de lagere stratosfeer uitgesproken laag en werden ongewoon lage ozonwaarden gemeten.

    • Onderzoek heeft laten zien dat in deze drie winters boven dit gebied ozon chemisch werd afgebroken als gevolg van de aanwezigheid van polaire stratosferische wolken, volgens hetzelfde proces, maar minder grootschalig, als boven het zuidpoolgebied.

    • Deze afbraak was het gevolg van de aanwezigheid van antropogene ozonafbrekende stoffen in combinatie met uitzonderlijk lage temperaturen in de lagere stratosfeer boven het noordpoolgebied.

    • De temperatuur in de lagere stratosfeer is de afgelopen decennia wereldwijd gedaald. Dit is waarschijnlijk voor een groot deel het gevolg van de dunner wordende ozonlaag, en daarmee van menselijke activiteiten.

  • Niet alleen nabij het aardoppervlak in gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid maar in de gehele troposfeer wordt het ozonniveau sterk beïnvloed door antropogene emissies van koolstofverbindingen en stikstofverbindingen.

    • In Nederland en België wordt de norm voor de ozonconcentratie in de grenslaag regelmatig overschreden, hetgeen nadelige effecten heeft op de volksgezondheid en schade veroorzaakt aan gewassen en ecosystemen.

    • Door vliegtuigemissies neemt op kruisvluchthoogte de concentratie van stikstofoxiden t.o.v. de achtergrondconcentratie aanzienlijk toe (deze hoogte ligt, afhankelijk van de luchtcirculatie, in de hogere troposfeer of in de lagere stratosfeer). Modellen geven aan dat dit op die hoogte leidt tot een toename van de ozonconcentratie met ongeveer 3-5%. De toename in stikstofoxiden door vliegverkeer is ook waargenomen; de toename in ozon is moeilijk met waarnemingen aan te tonen door de sterke natuurlijke variabiliteit van ozon op deze hoogte.

  • De effectieve UV-straling, afgeleid uit UV-metingen in Ukkel sinds 1989, vertoont duidelijke schommelingen van jaar tot jaar. De lengte van deze meetreeks is echter nog te kort om zinvolle conclusies te kunnen trekken over een mogelijke langjarige trend in de effectieve UV-straling.

    • Toch kan iets worden gezegd over veranderingen in de UV- belasting in de afgelopen jaren, door relaties te onderzoeken van de beschikbare UV-metingen met relevante grootheden waarvan wel lange meetreeksen bestaan. De UV- metingen in Bilthoven sinds 1993 zijn gebruikt om dergelijke relaties af te leiden. Gecorrigeerd voor variaties in de bewolking laten de resultaten zien dat de UV-belasting de afgelopen 15-20 jaar met ongeveer 10-15% is toegenomen. Met name in de periode na 1991 is de toename sterker dan verwacht.

  • De mogelijk grootschalige effecten van een toename van de UV- straling op ecosystemen en menselijke populaties zijn grotendeels onbekend; alleen de toename in huidkankers valt te kwantificeren.

  • Met de zonkrachtverwachting wordt beoogd mensen regelmatig te attenderen op UV-straling, en ze zo bewust te maken van hun UV- blootstellingsgedrag, opdat dit gedrag zoveel mogelijk gematigd wordt.

  • De toename in huidkanker in de afgelopen tientallen jaren is voornamelijk toe te schrijven aan een eerdere toename in de blootstelling aan de zon, bijvoorbeeld tijdens zonvakanties.

    • Het verwachte minimum in de ozonlaagdikte rond de eeuwwisseling zal, bij gelijkblijvend UV- blootstellingsgedrag, pas rond 2050 leiden tot een maximum in de toename van huidkanker. In Nederland en België bedraagt deze maximale toename ongeveer 100 gevallen per miljoen inwoners per jaar.

    • Indien de internationale afspraken over ozonafbrekende stoffen niet worden nagekomen, kan dit extra aantal in de tweede helft van de volgende eeuw oplopen tot enkele duizenden per miljoen inwoners per jaar.


Een exemplaar van dit rapport is verkrijgbaar bij de bibliotheek van het KNMI, telefoon 030-2206855.

[an error occurred while processing this directive]