KODAC
Infrasound data
Uitleg over infrageluid metingen en detecties
Infrageluid is geluid, een type luchtdrukvariatie, die voor de mens onhoorbaar is. Het infrageluid
heeft frequenties lager dan 20 Hz en heeft daarmee een nog lagere
toon dan de laagst hoorbare bastoon. Infrageluid kan door de mens als trilling ervaren worden.
In het algemeen wordt infrageluid opgewekt wanneer een groot volume aan lucht
verplaatst wordt. Bronnen van infrageluid zijn onder andere: vliegtuigen, vulkanen,
explosies, zeegolven, noorderlicht, kernbomproeven, meteoren,... Het KNMI meet
infrageluid om onderscheid te maken tussen bronnen in de aarde (aardbevingen) en
bronnen in de atmosfeer. Zodoende kunnen de verschillende bronnen geïdentificeerd
worden en kan ook voorlichting aangaande trillingen gegeven worden.
Bovendien is de meting van infragluid een van de verificatie
technieken voor het kernstopverdrag, CTBT. Onderzoeksresultaten van het KNMI dragen bij
aan de toepassing van infrageluid in het kernstopverdrag.
Infrageluid wordt met een serie van instrumenten gemeten, een array genaamd.
Door met een array te meten kan de richting waar vanuit het geluid komt bepaald
worden en de snelheid. Tevens kan de ruis, met name veroorzaakt door wind,
onderdrukt worden.
De eenheid waarin infrageluid weergegeven wordt is pascal (Pa), behorend
bij de grootheid druk. De druk geeft de kracht die uitgeoefend
wordt per oppervlakte eenheid. Voor de luchtdruk is dit de kracht waarmee
de lucht op het aardoppervlak duwt. De luchtdrukafname met de hoogte is
gemiddeld 1 hPa (hPa=hectopascal=100 pascal) per 8 meter. De gemeten
drukwaarden voor infrageluid liggen tussen 0.01 Pa tot enkele Pa's. Het betreft
dus zeer kleine waarden ten opzichte van de meteorologische fluctuaties, die
veelal in de orde van hPa's zijn. Vandaar dat infrageluid ook met een
microbarometer, zeer gevoelige barometer, gemeten wordt.
De getoonde maximale waarde van de geluidsdruk staat langs
de linker vertikale as weergegeven, zie figuur 1. In plaats van geluidsdruk wordt voor hoorbaar
geluid vaak het geluidsdrukniveau gegeven in dB. Echter worden de dB-waarden
voor infrageluid onrealistisch hoog als gevolg van de lage frequenties.
In totaal wordt 24 uur infrageluid data weergegeven, zoals gemeten door instrument 1
van het array. De metingen worden
per uur getoond in afwisselende groene en gele kleuren. De tijd is
UTC Tijd en wordt in minuten, langs de horizontale as, en
uren langs de rechter vertikale as, gegeven. In Figuur 1 staan de
verschillende betekenissen toegelicht.
LET OP: De getoonde tijd is volgens de Coordinated Universal Time
(UTC), deze is anders dan de Nederlandse tijd. De Nederlandse zomertijd
is 2 uur later dan UTC, de wintertijd is 1 uur later.
Figuur 1. Beschrijving van de verschillende elementen behorend bij de registraties.
Met een array kan de energie afkomstig van een infrageluid bron
-automatisch- gedetecteerd worden. Een detectie vindt plaats als een gelijkvormig
signaal door alle instrumenten gesignaleerd wordt. Indien er slechts omgevingsruis
aanwezig is, geeft deze op ieder instrument een andere uitslag en vindt er
geen detectie plaats. Een gelijkvormig signaal wordt ook wel een coherent
signaal genoemd; de detectie vindt plaats op basis van signaal-coherentie.
De Fisher ratio, F-ratio, of signaal-ruis verhouding, snr, geven
de mate van gelijkvormigheid van het signaal aan. Des te hoger de waarde des te meer
het signaal er op de verschillende instrumenten hetzelfde uitziet. De F-ratio wordt
als detector gebruikt. Als de waarde 7 of hoger wordt, vindt er een detectie
plaats. De bijbehorende snr is dan 1 of hoger wat betekent dat het signaal, op z'n minst,
net zo sterk of sterker dan de ruis is.
In Figuur 1 is een detectie zichtbaar als rood balkje rond 10:47 uur.
Als er een detectie gedaan is, kunnen de signaalkarakteristieken afgeleid worden. Deze
staan weergegeven in Figuur 2. De detecties worden gedaan in de frequentie-band
1 tot 15 Hz. De dominante frequentie van de energie is die frequentie die de
grootste bijdrage levert aan het signaal.
Twee belangrijke karakteristieken zijn de richting en
de schijnbare snelheid. Ieder instrument van het array meet de energie op een ander
tijdstip. Deze tijdsverschillen worden gebruikt om de richting waar vanuit de energie
komt te bepalen. De richting wordt gegeven in graden ten opzichte van het noorden,
hierbij is 0 of 360 graden het noorden en 90 het oosten.
De schijnbare snelheid geeft de snelheid waarmee de infrageluid golf
over het array gereisd heeft. De snelheid is meestal vrijwel gelijk
aan geluidssnelheid. Indien een bron zich boven het array bevindt en/of
de golf meer verticaal invalt, wordt de snelheid hoger dan de geluidssnelheid.
Dit is bijvoorbeeld het geval als een vliegtuig over het array vliegt.
Figuur 2. Beschrijving van de parameters indien een detectie plaatsgevonden heeft.
Voor gedetecteerde coherente energie is een meer gedetailleerde analyse beschikbaar.
De resultaten van deze analyse kunnen bereikt worden door op het rode balkje,
zie Figuur 1, of het tijdsstip, zie Figuur 2, te klikken. Een deel van de analyse
staat weergegeven in Figuur 3. De beschreven parameters als: Fisher ratio, richting en
snelheid, worden als functie van de tijd weergegeven.
Figuur 3. Beschrijving van de grafiek die de detectie-parameters
als functie van de tijd weergeeft.
De Fisher ratio bereikt een maximale waarde in het onderste frame van Figuur 3.
Bij de maximale waarde vindt een detectie plaats, indien deze 7 of hoger is.
Bij deze detectie horen signaalkarakteristieken voor de schijnbare snelheid en richting,
deze zijn zichtbaar als met oranje gevulde cirkels.
Het bovenste frame geeft de zogenaamde "best beam". Dit is de beste benadering van de
infrasone golf die over het array gereisd heeft. De "best beam" wordt samengesteld uit
de optelling van de registraties van de individuele instrumenten. De registraties
zijn eerst in de tijd verschoven zodat ze oplijnen, feitelijk worden de looptijdverschillen
over het array van de signalen afgetrokken.
Het kaartje geeft nogmaals de richting waar vanuit de energie komt ten opzichte van
het array, en laat zien op welke lijn de bron te verwachten is. Door deze richting te kruispeilen
met de richting gevonden in een ander array, kan de locatie van de bron bepaald worden.
Onderaan de pagina wordt een zogenaamd spectrogram getoond. Een spectrogram laat
zien welke frequentie de grootste bijdrage geeft aan het signaal, in dit geval
de best beam. In het bovenste frame staat de best beam in rood weergegeven. Tevens
zijn de in de tijd opgelijnde registraties van de individuele instrumenten in blauw
weergegeven. In het onderste panel staat het spectrogram van de best beam. De kleuring
geeft de bijdrage van de frequenties aan, een lichte kleur voor een hoge bijdrage
en een donkere voor een lage. Het voorbeeld in Figuur 4 laat zien dat de meeste
frequenties tussen 1 en 15 Hz bijdragen aan het signaal, ofwel de kleuren zijn
lichter dan zwart. De piek in bijdrage is voor 3.8 Hz, corresponderend met de
lichtste kleur.
Figuur 4. Beschrijving van het spectrogram.