Normaal gesproken is de oostelijke Grote Oceaan naar tropische begrippen relatief koud. Dat betekent dat de temperatuur van het oceaanwater altijd nog zo'n 24 C bedraagt. Dit "koude" water veroorzaakt een hogedrukgebied, waardoor er een stevige oostenwind naar Indonesie blaast, de zogenoemde passaat. Deze wind duwt het warme oppervlaktewater naar het westen, zodat de oceaan koud blijft.
Er is echter nog een tweede evenwichtstoestand mogelijk: overal warm water, ook in het oosten. Dan is er geen hogedrukgebied en verzwakt de passaat of valt geheel weg, zodat het water "blijft liggen". Deze toestand wordt "El Niño" genoemd en zorgt voor afwijkend weer in grote delen van de wereld.
De laatste jaren zijn veel meetinstrumenten gebouwd om "El Niño" op de voet te volgen. De zeewatertemperatuur wordt met satellieten en diepwaterboeien gemeten. De ontwikkeling van de huidige "El Niño"is daarmee "real-time" op het web te volgen.
De oorzaken van de klimaatfluctuaties zijn nog minder duidelijk. Voor de korte termijnen van drie tot zes maanden vooruit lijken hevige stormen in Indonesië en omgeving een belangrijke invloed te hebben op het verloop van de zeewatertemperatuur. Op langere tijdschalen lijkt het heen en weer klotsen van warm water in de oceaan een belangrijke factor te zijn. Deze invalshoek kan ertoe leiden dat in de toekomst misschien ook lange-termijnvoorspellingen van "El Niño" mogelijk worden.
De rook van de bosbranden in Sumatra en Kalimantan heeft geen grote invloed op het wereldklimaat. De rook komt tot enkele kilometers hoogte in de atmosfeer en verdwijnt daar weer door regen en wind. Wel komen er enorme hoeveelheden CO2 in de atmosfeer. De New Scientist bericht daarover in het artikel "Indonesia's inferno will make us all sweat".
De fluctuaties in de zeewatertemperatuur in het oosten van de Stille
Oceaan en de jaren waarin er hevige bosbranden op Kalimantan gewoed
hebben.
Geert Jan Oldenborgh, KNMI/NWO