Achtergrond

Klimaatverandering verklaart voorjaarsdroogte ten dele

De huidige voorjaarsdroogte kan slechts ten dele verklaard worden door de stijgende temperatuur in de wereld. Dit blijkt uit toetsing van de huidige situatie met de klimaatscenario’s die het KNMI in 2006 heeft uitgebracht.

Dit blijkt uit toetsing van de huidige situatie met de klimaatscenario’s die het KNMI in 2006 heeft uitgebracht. Hierin wordt uitgebreid aandacht besteed aan de veranderingen in het potentieel neerslagtekort (het verschil tussen de neerslag en de potentiële verdamping in het groeiseizoen van april t/m september). De scenario's zijn in 2009 aangevuld met onder meer gegevens voor de overgangsseizoenen lente en herfst.

Vooral onder het G+ en W+ scenario (de scenario's met de meest uitgesproken veranderingen in zomerdroogte) neemt in de zomer de potentiële verdamping sterk toe door de hogere luchttemperatuur en de grotere kans op aanvoer van droge lucht uit delen ten zuiden en oosten van ons. Tegelijk neemt de neerslag in die scenario’s af, waardoor het potentiële neerslagtekort verder toeneemt (zie figuur). De droogte tot september die nu eens in de tien jaar voorkomt wordt in het W+ scenario normaal. In het voorjaar (maart, april, mei) lijken de scenario's nog sterk op de waarnemingen van de 20e eeuw: pas vanaf eind mei beginnen de scenario’s en de waarnemingen uit elkaar te lopen. 

Figuur: Verloop van het cumulatief potentieel neerslagtekort (neerslag minus potentiële verdamping) gemiddeld voor Nederland gerekend vanaf 1 april. De zwarte getrokken lijn toont het gemiddelde verloop gedurende de 20e eeuw.
Figuur: Verloop van het cumulatief potentieel neerslagtekort (neerslag minus potentiële verdamping) gemiddeld voor Nederland gerekend vanaf 1 april. De zwarte getrokken lijn toont het gemiddelde verloop gedurende de 20e eeuw.

Wat is er nodig om in het voorjaar een sterk neerslagtekort op te bouwen? En welke kenmerken daarvan kunnen we terugvinden in de KNMI’06 klimaatscenario’s? Droogte wordt veroorzaakt door weinig regen en veel verdamping.

In de eerste plaats moet de lokale neerslag flink uitblijven. Het potentieel neerslagtekort is in april en mei opgelopen tot zo’n 135 mm, terwijl het normale tekort eind mei ca 50 mm bedraagt. In april en mei valt gemiddeld ongeveer 100 mm neerslag in De Bilt, terwijl er in 2011 slechts 38 mm viel. 

In het KNMI'06 scenario waarin de zomerneerslag het sterkst afneemt (W+) neemt de winterneerslag toe. In het voorjaar hebben we te maken met een overgangsperiode, waarin volgens KNMI’06 de neerslagverandering geleidelijk overgaat van een toename vroeg in het voorjaar naar een afname in mei. Het aantal natte dagen neemt gemiddeld iets af, waardoor de kans op langere perioden zonder neerslag weer wat groter wordt
In het W-scenario neemt de neerslag in alle seizoenen juist toe. De extreem lage neerslag in het voorjaar van 2011 past dus niet in het beeld dat de KNMI’06 scenario’s laten zien en moet dus primair als een natuurlijke fluctuatie gezien worden.

De andere component die van belang is voor het neerslagtekort is de potentiële verdamping. Deze hangt af van de temperatuur en van de hoeveelheid inkomende zonnestraling. Hoe warmer en hoe meer straling, hoe hoger de potentiële verdamping en dus hoe hoger het potentieel neerslagtekort. In alle scenario’s neemt de temperatuur toe, ook in het voorjaar. In de G+/W+ scenario’s is deze toename sterker dan in de G/W scenario’s. Deze toename van de temperatuur is verantwoordelijk voor het toegenomen potentieel neerslagtekort in het voorjaar ten opzichte van de waarnemingen gedurende de 20e eeuw (zie figuur), maar zoals eerder al is geconstateerd: de geprojecteerde veranderingen in het voorjaar zijn nog vrij klein. Hierbij moet worden opgemerkt dat de waargenomen temperatuurstijging in Nederland in het voorjaar veel sterker is dan die in de KNMI'06 scenario's.

Helaas zeggen de KNMI’06 scenario’s weinig over de verandering van de inkomende zonnestraling. Bij een wijziging van de atmosferische circulaties (windrichting) die ten grondslag ligt aan de G+ en W+ scenario’s komen er over het algemeen wat meer dagen zonder neerslag en met minder bewolking, maar dit effect is slechts indirect meegenomen en begint pas in het zomerseizoen van belang te zijn voor het potentieel neerslagtekort. Een verklaring voor de beperkte aandacht voor straling in de KNMI’06 scenario’s is het feit dat resultaten van klimaatmodellen – die een belangrijk onderdeel vormen van de informatie die in de scenario’s is verwerkt – allerminst eenduidig zijn. Bovendien komen veel modelresultaten slecht overeen met waargenomen trends in de straling. Deze trends hangen samen met een aantal factoren (luchtvervuiling, verandering in bewolking door gewijzigde hydrologie en gewijzigde circulatie) die nog niet goed kunnen worden gerepresenteerd in de gebruikte klimaatmodellen.

Samenvattend is de droogte een som van drie factoren:

  • weinig regen: er is geen enkele aanwijzing dat dit door klimaatverandering veroorzaakt wordt;
  • hoge temperaturen, samenhangend met de opwarming van de aarde;
  • veel zonnestraling, waarvan onduidelijk is wat de relatie is met klimaatverandering. 

Voor de volgende generatie klimaatscenario's wordt onderzocht wat de factoren zijn achter de toename van zonnestraling en de resulterende sterkere temperatuurstijging en indien mogelijk wordt dit verwerkt in de projecties.

Niet gevonden wat u zocht? Zoek meer achtergrond artikelen