Erasmusbrug (de Zwaan) bij ochtendmist (foto: Wendelien van Oldenborgh)
Mist
Je kijkt 's morgens uit het raam en de overkant van de straat is verdwenen. Mist bestaat uit kleine waterdruppeltjes die zweven in de lucht en het zicht beperken. Een wolk op de grond dus. Meteorologen spreken van mist als je minder dan een kilometer ver kunt kijken. Als het zicht minder dan 200 meter is wordt het dichte mist genoemd, bij 50m is sprake van zeer dichte mist. Beperkt zicht van meer dan een kilometer door waterdruppels wordt aangeduid met nevel, als het door droge stofdeeltjes komt wordt het heiig genoemd.

Herinneringen zijn niet de betrouwbaarste manier om het heden met het verleden te vergelijken. De heftigste gebeurtenissen herinneren we ons het best. We hebben daarom naar de waarnemingen gekeken. Sinds 1955 hebben waarnemers elk uur gekeken of vaste merkpunten zichtbaar waren of niet. De reeksen staan nu op internet, en het kost weinig moeite om te berekenen dat De Bilt in de periode tot 1985 per jaar zo'n 80 mistdagen telde, dagen waarop het zicht op minstens één van die uren minder dan een kilometer was. De laatste tijd ligt dat aantal rond de 40, de helft van wat het vroeger was (zie Figuur 1). Ook het aantal dagen per jaar met dichte mist is gehalveerd van gemiddeld 30 in de jaren zestig tot 15 dagen de laatste jaren. Sinds 2001 is de waarnemer door een automaat vervangen, die weliswaar nauwkeuriger meet maar waarvan de uitkomsten niet te vergelijken zijn met de eerdere waarnemingen.

Figuur 1. Het aantal dagen in De Bilt met zicht kleiner 100m, 200m, 500m, 1km, 2km en 5km.
Figuur 1. Mistdagen in De Bilt


Deze afname is niet alleen in De Bilt gemeten. Op de meeste Nederlandse weerstations is een soortgelijke afname waargenomen. Ook voor andere stations in Europa zijn waarnemingen beschikbaar in een grote database, hoewel die niet verder terug gaan dan 1976. Bijna overal zijn mist, nevel en heiigheid afgenomen, het meest in Oost-Europa. In Zuid-Europa komt mist al heel weinig voor, en hangt de percentuele afname dus erg van het toeval af.

Voor nevel met zicht minder dan 2 km noteren vrijwel alle stations buiten Zuid-Europa, Ierland en Schotland een afname van 1% tot 2% per jaar, dus rond 50% in 30 jaar. Dichte mist neemt ook vrijwel overal af, maar dit hangt veel sterker van de lokale omstandigheden af. Er zijn enkele stations die tegen de trend ingaan, maar het merendeel laat dezelfde afname zien als de nevel. Aan de kust van Ierland en Schotland is er echter een duidelijke toename van dichte mist te zien (Figuur 2).

Figuur 2. De afname van de hoeveelheid dichte mistdagen (zicht kleiner dan 200m) en neveldagen (zicht kleiner dan 2km) in Europa over 1976-2006 in procent per jaar.
afname van de hoeveelheid mist- en neveldagen in Europe 1976-2006

Oorzaken van de afname
Grote vraag is uiteraard waardoor deze afname veroorzaakt wordt. Het blijkt dat de afname het snelst gaat in gebieden waar de luchtvervuiling het meest is teruggedrongen, voornamelijk Oost-Europa. Een verband met aërosolen (zwevende stofdeeltjes) ligt dan ook voor de hand. Heiigheid is niets anders dan verstrooiing van het licht aan stofdeeltjes. Als de luchtvochtigheid hoger is werken de deeltjes ook als condensatiekernen: de vorming van een mistdruppeltje begint als er zich water afzet op eens stofdeeltje, zonder stofje kan zich geen druppel vormen. Hoe meer luchtvervuiling, hoe makkelijker de druppeltjes zich vormen. Veel kleine druppeltjes blijven bovendien makkelijker hangen dan het kleinere aantal grotere druppels dat je krijgt als er minder condensatiekernen aanwezig zijn.

Een spectaculair voorbeeld van het effect van luchtverontreiniging is te zien in het voormalige Oost-Duitsland. Met de val van het communisme zijn veel vervuilende fabrieken gesloten en de verwarming schoner gemaakt. Mede als gevolg hiervan liep het aantal dagen met minder dan 5 km zicht in Potsdam tussen 1988 en 1995 terug van 150 per jaar tot 60 per jaar.

Luchtvervuiling is echter niet de enige factor die mistvorming beïnvloedt. Ook het weertype is van invloed. Mist ontstaat bij lage windsnelheden als het koud is. In winters met overheersende zachte westenwinden, zoals 2007/2008, kan weinig mist ontstaan. De afgelopen winter, met weinig wind en relatief veel kou, gaf weer veel meer mist te zien. De invloed van weertypes heeft ook bijgedragen aan de trend: de laatste jaren hebben we vooral in de tweede helft van de winter vaak westenwind gehad, en heel weinig oostenwind of een hogedrukgebied boven Nederland. Een bijkomend effect van westenwind is dat de lucht dan ook schoner is, wat ook voor minder mist zorgt. Bovendien staat de kachel dan ook minder hard, wat ook minder vervuiling oplevert. Het is nog niet duidelijk via welk mechanisme het weertype het meest effect heeft.

Extra zetje opwarming
Op dagen met mist blijft het vaak lang kil, omdat de zonnestraling de grond niet bereikt maar wordt teruggekaatst door de witte bovenkant. Anderzijds ontstaat mist juist als het koud is. Je kunt voor onderzoek naar de klimaatgevolgen van mist dus niet zonder meer de temperatuur op mistdagen vergelijken met de normale temperatuur, omdat dan niet duidelijk is of de mist de kou veroorzaakt heeft, of de kou de mist. Een mogelijkheid is om telkens twee stations met elkaar te vergelijken die niet ver van elkaar af liggen. Als de een mist heeft en de ander niet zal het temperatuurverschil voornamelijk daardoor komen – alle andere factoren zijn min of meer hetzelfde. Deze methode geeft als resultaat dat mist 's overdag gemiddeld een afkoeling van 1º tot 2ºC geeft, terwijl er 's nachts geen effect op de temperatuur is. Dit is heel anders dan bij wolken, die overdag ook afkoelen, maar 's nachts de aarde als een dekentje warm houden.

De afname van de mist door de afname van de luchtvervuiling heeft dus een lichte extra temperatuurstijging overdag opgeleverd, bovenop het broeikaseffect. Dit effect is wat kleiner dan het directe effect van aërosolen: het afschermen van zonlicht door de stofdeeltjes zelf. Het is echter in klimaatmodellen niet gerepresenteerd, en verklaart zo een deel van de extra opwarming die we hebben waargenomen ten opzichte van de verwachting op basis van deze modellen.

Verwachting
Voor de toekomst verwachten we een veel langzamere afname van mist, nevel en heiigheid. Het wordt steeds moeilijk de lucht schoner te krijgen. Wel verwachten we op grond van modelstudies dat de winters steeds meer door westenwind gedomineerd zullen worden, wat een verdere kleine afname zal geven in Nederland. Enerzijds door de aanvoer van schonere lucht, anderzijds door het minder vaak voorkomen van heldere koude nachten met weinig wind. Zoals de afgelopen winter liet zien betekent dat niet dat we geen mist meer zullen hebben. Blijf de actuele waarschuwingen van het KNMI volgen!

Referenties

  • Vautard, R., P. Yiou en G.J. van Oldenborgh, Decline of fog, mist and haze in Europe during the last 30 years.
    Nature Geoscience, 2009 2 115-119, doi:10.1038/NGEO414.
  • Van Oldenborgh, G.J., P. Yiou and R. Vautard, On the roles of circulation and aerosols in the decline of mist and dense fog in Europe over the last 30 years, ingediend bij Atm. Phys. Chem.