Achtergrond

De zin en onzin van winterverwachtingen

Er zijn veel weerspreuken en andere ervaringsregels in omloop die zouden aangeven of de winter koud wordt. Met moderne technologie is het vrij simpel om na te gaan of ze met de waarnemingen van de afgelopen eeuw kloppen.

Oktober warm, winter streng?

Is oktober warm en fijn, het zal een strenge winter zijn. Er zijn veel variaties op deze weerspreuk. Het is niet zo moeilijk om van de afgelopen 100 jaar de oktobertemperatuur tegen de wintertemperatuur uit te zetten. Met het rekenmodel KNMI Climate Explorer is dot zo gedaan, zie het resultaat in bijgaand figuur. Als de weerspreuk waar zou zijn, zouden er veel jaren rechtsonder moeten zitten. Vertaald in woorden: een warme oktober gevolgd door een koude winter. Rechtsonder is te zien dat de regel voor 1995/1996 is opgegaan, en ook voor 1969/1970. Maar in 1989/1990 en 2001/2002 ging het net zo hard niet op, en werd een warme oktober door een zeer zachte winter gevolgd. 

De oktobertemperatuur als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 100 jaar. Het jaartal is het jaar van de herfst en december, dus de winter van 1995/96 staat als 1995 in de grafiek. © KNMI
De oktobertemperatuur als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 100 jaar. Het jaartal is het jaar van de herfst en december, dus de winter van 1995/96 staat als 1995 in de grafiek. © KNMI

In het algemeen is er een lichte tendens voor koudere winters na een warmere oktober, maar die is zo klein dat het net zo goed toeval kan zijn.

Voor de statistisch onderlegde lezers: p=37 procent oftewel als er geen verband is, heb je een kans van 37 procent dat je een even scheve of schevere lijn vindt. Als het p-getal klein is, zeg onder de 5 procent, is er weinig kans dat het verband puur toeval is. 

Zonnevlekken als bepalende factor

Zo'n honderd jaar geleden werd algemeen aangenomen dat de zonnevlekkencyclus het weer bepaalde. Zelfs in de jaren vijftig werden er nog serieuze pogingen gedaan het weer hiermee een aantal jaren vooruit te voorspellen. Daarna is men zich toch gaan realiseren dat die voorspellingen niet vaak uitkwamen en zijn de zonnevlekken op het KNMI in onbruik geraakt bij het maken van verwachtingen. Maar op sommige plekken schijnen ze nog gebruikt te worden om winterverwachtingen te maken.

Vrijwel evenveel zachte winters met weinig zonnevlekken waren als strenge

In de meest simpele vorm wordt gesteld dat strenge winters een laag zonnevlekkengetal hebben. Bijvoorbeeld naar aanleiding van de observatie dat bijna alle elfstedentochten - behalve in 1947 - verreden zijn in een maand met minder dan vijftig zonnevlekken. Nu heeft tweederde van alle maanden een zonnevlekkengetal onder de vijftig, dus er moeten ook heel veel zeer zachte wintermaanden bij zijn. In de grafiek is te zien dat er vrijwel evenveel zachte winters met weinig zonnevlekken waren als strenge. Er is weer een heel licht verband de goede kant op, maar dit is weer weinig betrouwbaar (p=39%). Zelfs over de bijna 300 jaar van de Zwanenburgreeks wordt dit niet beter. 

Een recente variant van de zonnevlekkentheorie zegt dat de polariteit van het magnetische veld van de zon een rol speelt. Dat zou in de ene cyclus van elf jaar evenwijdig zijn aan dat van de aarde, en de volgende cyclus tegengesteld. Met behulp van KNMI Climate Explorer is naar de volle 22-jarige cyclus gekeken. Over de hele eeuw is weer geen enkel verband te zien.

Invloed van zeewater

De temperatuur van de oceanen beïnvloedt het weer in grote delen van de wereld. Het bekendste voorbeeld is El Niño, een opwarming langs de evenaar van de Stille Oceaan. El Niño en de tegenhanger La Niña verstoren het weer over grote delen van de wereld, en zijn daar de basis voor seizoensverwachtingen. Het effect van El Niño in de winter in Europa is echter heel erg klein, alleen in voor- en najaar is er een meetbaar effect.

De Atlantische Oceaan is een stuk dichter bij huis. Misschien heeft de temperatuur daarvan invloed op de wintertemperatuur? De standaardmanier om naar verbanden te zoeken is een kaartje maken van de correlatiecoëfficient: een getal tussen -1 en +1 dat aangeeft hoe sterk de zeewatertemperatuur samenhangt met de winter in Nederland. Een 0 geeft aan dat er geen enkele samenhang is en een +1 dat warmer zeewater altijd samengaat met een warmere winter. Een probleem is dat je door puur toeval altijd wel wat vlekken met correlatie vindt, dus die moeten je op basis van andere gegevens proberen te bevestigen.

Er zou een verband gevonden zijn tussen de zeewatertemperatuur in mei en de temperatuur in noordwest Europa de volgende winter.

Onderzoekers van het Britse weerinstituut Met Office hebben zo een verband gevonden tussen de zeewatertemperatuur in mei en de temperatuur in noordwest Europa de volgende winter. Over de periode 1948-1997 is dit duidelijk te zien als het patroon van warm water in de Noordzee, koud bij Groenland, warm bij de oostkust van de Verenigde Staten en koud bij Zuid-Amerika. Is het temperatuurverloop op de Atlantische Oceaan juist omgekeerd, dan zou er volgens het Met Office meer kans zijn op een strenge winter.

Of dit verband werkelijkheid is of toeval, zou terug moeten komen in onafhankelijke data. Omdat Met Office alleen naar de periode 1948-1997 heeft gekeken en de metingen van zeewatertemperatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw vrij goed zijn, kan dit gecheckt worden. Bijvoorbeeld in de periode 1900-1947. Dit blijkt niet het geval te zijn, zie hieronder.

De correlatie tussen de wintertemperatuur in De Bilt en zeewater (en land) temperatuur in mei van het jaar er voor. Links: de periode 1947-1997 waarop het Met Office zijn voorspellingen baseert.
De correlatie tussen de wintertemperatuur in De Bilt en zeewater (en land) temperatuur in mei van het jaar er voor. Links: de periode 1947-1997 waarop het Met Office zijn voorspellingen baseert.
 Rechts: de onafhankelijke periode 1900-1947. Het gebrek aan overeenstemming laat zien dat het verband op puur toeval was.
Rechts: de onafhankelijke periode 1900-1947. Het gebrek aan overeenstemming laat zien dat het verband op puur toeval was.

De conclusie is dus dat het verband waarschijnlijk toevallig is, en daardoor geen goede basis is voor weersverwachtingen. Dit wordt verder onderbouwd door het feit dat het in april en juni ook niet voorkomt. 

Veel orkanen, strenge winters?

Als er veel orkanen geweest zijn, zou een strenge winter volgen. De cijfers laten echter geen aantoonbaar verband zien. Het verband ging goed op in dezelfde twee jaren die bij oktober genoemd werden: de strenge winters van 1969 en 1996 werden voorafgegaan door seizoenen met respectievelijk 17 en 19 tropische stormen in het Atlantische gebied. Het gemiddeld aantal orkanen per jaar ligt op tien. Maar de twee jaren met 15 tropische stormen, 2001 en 2003, werden gevolgd door heel zachte winters. Ook omgekeerd gaat het verband slecht op: de winters van 1963 en 1947 werden voorafgegaan door slechts 5 en 6 tropische stormen, ver onder het gemiddelde.

Het aantal orkanen en iets minder sterke tropische stormen als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 61 jaar. Ook hier geeft het jaartal het jaar van het orkaanseizoen en dus de eerste helft van de winter aan. © KNMI
Het aantal orkanen en iets minder sterke tropische stormen als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 61 jaar. Ook hier geeft het jaartal het jaar van het orkaanseizoen en dus de eerste helft van de winter aan. © KNMI

Er is overigens wel een duidelijk verband tussen het aantal orkanen en de oktobertemperatuur (p<1%). Dit kan op twee manieren verklaard worden. Het kan zijn dat de resten van die orkanen voor een gemiddeld zuidelijker stroming zorgen of zachtere lucht naar het noorden transporteren. Of het kan zijn dat een factor die voor een gemiddeld warmere herfst zorgt, warm zeewater op de Noord-Atlantische Oceaan, ook voor gemiddeld meer orkanen zorgt. Nader onderzoek leert dat de eerste factor de belangrijkste is: in een actief orkaanseizoen in oktober zorgt voor gemiddeld meer zuidenwind (p=2%). 

Niet gevonden wat u zocht? Zoek meer achtergrond artikelen