Uitleg over

Koudegetal

Het koudegetal is een maatstaf voor de totale hoeveelheid kou in de koudste periode van het jaar (november tot en met maart).

De meteorologische winter bestaat uit de maanden december, januari en februari. Vorst in november en maart telt voor de wintergemiddelde temperatuur dus niet mee. Vandaar dat er daarnaast een berekening bestaat, het zogenaamde koudegetal van Hellmann. Hierin telt ook vorst in het voor- en naseizoen mee. Het KNMI houdt sinds 1901 de Helmann-koudegetallen bij.

Tussentijdse balans

Het koudegetal is heel geschikt om een tussentijdse balans van de winter op te maken. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het dagelijks etmaalgemiddelde van de temperatuur. Dat is het gemiddelde over 24 uur, dat wordt bepaald uit de 24 uurlijkse temperatuurmetingen op een dag. 

Gustav Hellmann (1854 –1939), de bedenker van het koudegetal om de kou in het koude seizoen te kwantificeren
Gustav Hellmann (1854 –1939), de bedenker van het koudegetal om de kou in het koude seizoen te kwantificeren

Berekening koudegetal

Alle etmaalgemiddelden beneden het vriespunt over de periode 1 november tot en met uiterlijk 31 maart worden opgeteld. Deze optelsom levert één (koude)getal op. Daarvan wordt het minteken weggelaten. Bedraagt de gemiddelde etmaaltemperatuur op een bepaalde dag min 0,5 graden en de volgende dag min 0,8 graden, dan is het koudegetal over die twee dagen dus 1,3. 

Winterse benamingen

De winter krijgt op grond van het koudegetal in De Bilt benamingen als streng, koud, zacht of zeer zacht. Een koude winter heeft een koudegetal tussen 100 en 160. Dat criterium is sinds het begin van de twintigste eeuw 21 keer voorgekomen. Zes keer lag het koudegetal tussen 160 en 300 (zeer koud), drie winters kwamen boven 300 uit (streng).

Volgens de nieuwste berekeningen was de winter van 1947 de koudste met een koudegetal van 342,8. De winter van 1963 staat op de tweede plaats met 337,2 en daarna volgt die van 1942 met 331,8. Ook recentere winters hebben relatief veel kou opgeleverd: 2010 (94,7), 2011 (80,6), 2012 (88,4) en 2013 (73,2).

Een koudegetal van 0 in 2014

De winter van 2014 is echter een heel ander verhaal. Het koudegetal is uitgekomen op 0,0. Dat is in elk geval sinds 1901, zolang gegevens van het koudegetal beschikbaar zijn, niet voorgekomen. Het laagste koudegetal van alle winters stond op naam van de winter van 1989 met 1,9. De winter van 1989 verhuist dus naar de tweede plaats gevolgd door 1975 (3,2) op drie 2000 (3,6) op plaats vier.

De gemiddelde wintertemperatuur van 2014 over de maanden december, januari en februari bedraagt 6,0 graden tegen 3,4 graden normaal (gemiddeld over 1981-2010). Op basis van dat criterium was de meteorologische winter van 2014 de op één na de zachtste in zeker drie eeuwen.

Meer uitleg over

  • Hoeveelheid en duur van de neerslag per maand (Bron: KNMI)

    Zware neerslag

    In ons land valt jaarlijks zo'n 800 mm neerslag (gemiddeld over het tijdvak 1981-2010). Die hoeveelheid valt vrij gelijkmatig verspreid over het hele jaar.
  • Thermometerhutten op het KNMI-terrein in De Bilt waarin continu de temperatuur wordt gemeten (foto: KNMI)

    Warmtegetal

    Het warmtegetal is een waarderingscijfer voor de zomerwarmte. Het gaat om de dagelijkse waarden boven 18 graden tussen april en oktober.
Niet gevonden wat u zocht? Alle uitleg over