Winterse buien kunnen in het verkeer bijzonder hinderlijk zijn (foto Robert Hoetink)
Zeker wanneer de route over het zeegebied tussen IJsland en Scandinavië loopt en een lange weg over zee aflegt warmt de lucht onderweg op en wordt vocht opgenomen. Weerkundigen noemen dat maritiem arctische lucht, op de weerkaart afgekort als mAl. Het binnenvallen van die lucht gaat vaak met een stormachtige noordwestenwind, waarbij de temperatuur fors kan dalen. Vooral op grote hoogte is de lucht meestal zeer koud, wat vooral goed te merken is in berggebieden, waar het snel kouder wordt met de hoogte. De harde wind maakt het vooral daar soms bitter koud.

Deze lucht komt voor in herfst, winter en lente en levert dan guur weer op met buien. De buien zijn die over het land trekken en kunnen vergezeld gaan van hagel, (natte) sneeuw, onweer en windstoten. Volgens de radarbeelden zijn de buien vaak geclusterd langs lijnen: sommige plaatsen krijgen de ene bui na de andere terwijl het een eindje verderop de zon schijnt. In de bergen leidt aanvoer van koude lucht uit de poolstreken tot sneeuwval. Tussen de buien door kan het echter opklaren, waarbij het ’s nachts flink kan afkoelen, vooral landinwaarts als dan ook de wind afneemt. Vorst is dan goed mogelijk.

Vooral wanneer de arctische lucht van oorsprong uit het noorden van Scandinavië, Siberië of Rusland komt en grotendeels over land wordt aangevoerd kan het erg koud worden. Bij aanvoer over de Oostzee wordt de kou getemperd. In de meteorologie wordt deze luchtsoort continentaal arctisch genoemd, afgekort met cAL. De continentale variant is droger dan de maritieme. De kans op buien is dan klein en vaak is het schraal, droog en helder weer. Kenmerkend voor de schone arctische lucht is dat we ver kunnen kijken, het zicht is goed tot zeer goed.