Het KNMI berekent elke tien jaar langjarige gemiddelden voor een aantal meteorologische grootheden, voor een groot aantal KNMI-stations in Nederland.
Het meest recente tijdvak waarover klimaatgemiddelden beschikbaar zijn is 1991-2020. De klimaatviewer toont de kaarten, grafieken en tabellen voor het klimaat van nu in Nederland.
De berekeningen vinden plaats over een tijdvak van dertig jaar volgens internationaal afgesproken richtlijnen van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO): WMO Guidelines on the calculation of climate normals (WMO, 2017 edition).
Dit artikel beschrijft de gehanteerde richtlijnen bij het berekenen van de langjarige gemiddelden 1991-2020 voor Nederland:
Er zijn verschillende soorten klimaatgemiddelden, waarvoor de richtlijnen op onderdelen verschillen:
Uitgangspunt voor alle berekeningen vormen de gevalideerde uurlijkse metingen van de KNMI-stations voor AWS en etmaalgegevens van de KNMI-neerslagstations:
Een maandgemiddelde is het gemiddelde van 30 maandwaardes.
Het KNMI berekent aanvullend decadegemiddelde. Dit zijn de langjarige gemiddelden voor een periode van 10 dagen:
Deze decadegemiddelden worden op dezelfde wijze berekend als de maandgemiddelden: het gemiddelde van 30 decadewaardes.
Een seizoensgemiddelde is het gemiddelde (ongewogen naar aantal dagen in de maand) van 3 maandgemiddelden:
Een jaargemiddelde is het ongewogen gemiddelde van 12 maandnormalen (alle maanden tellen even zwaar mee, ongeacht hoeveel dagen er in een maand zitten).
Een langjarig gemiddelde van een telling (aantal dagen met…) wordt berekend door eerst per maand de ratio met de maandlengte te bepalen. De gemiddelde ratio wordt vermenigvuldigd met het aantal dagen per maand om de maandgemiddelde te krijgen. Hierbij telt februari voor 28.25 dagen.
De seizoens- en jaargemiddelden worden zoals gebruikelijk berekend (zie 3-4).
Bij de constructie van een jaar- of seizoensgemiddelde worden eerst maandgemiddelden berekend (zie punt 3 en 4). Hier wordt een tussentijdse afronding toegepast:
Alle eindgetallen in de gemiddelde tabel zijn op 1 decimaal afgerond volgens ‘ties-to-even’ algoritme.
Seizoen- en jaargemiddelden kunnen voor gemiddelden nagerekend worden door de maandgemiddelden bij elkaar op te tellen (ze zijn volgens voorschrift per maand tussentijds afgerond). Voor seizoen- en jaargemiddelden voor tellingen en sommen bestaat de kans dat ze niet exact hetzelfde getal opleveren als de optelsom van de afzonderlijke maandgemiddelden, omdat ze tussentijds niet zijn afgerond.
De uren zonneschijn en het percentage zonneschijn van de tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang zijn eerst per dag berekend, waaruit vervolgens de gemiddelden per maand/seizoen/jaar zijn berekend.
Voor het bepalen van een windroos bestaan geen WMO-voorschriften. Er is uitgegaan van algemene richtlijnen voor tellingen en logische uitgangspunten voor afronding:
De langjarige gemiddelden voor windstoten zijn bepaald voor het tijdvak 1996-2020. Reden voor het niet meenemen van de jaren 1991-1995, is dat de kwaliteit van de registratie van windstoten voor 1996 onvoldoende is.
De langjarige gemiddelden voor het aantal dagen met sneeuwval en mist zijn voor de kortere periode 2003-2020 berekend, in plaats van voor de periode 1991-2020. Sneeuwval en mist worden beide sinds 2003 op een andere manier gemeten: voor die tijd door middel van een visuele waarneming door de waarnemer, na die tijd automatisch op een automatisch weerstation (AWS). Door niet uit te gaan van een dertigjarige periode, maar van de periode 2003-2020, konden toch betekenisvolle klimaatgemiddelden voor sneeuw en mist geproduceerd worden.
Door de omschakeling op een andere methode van meten in 2003, kunnen de langjarig gemidelden voor sneeuwval en mist voor 2003-2020 niet met de vorige langjarig gemiddelden voor sneeuwval en mist zoals berekend voor de periode 1971-2000 vergeleken worden.
Deze klimaatgemiddelden konden over de periode 1991-2020 niet berekend worden omdat de meetreeksen voor hagel en ijsvorming zeer inhomogeen zijn door de overgang van een handmatige (visuele) waarneming naar een automatische meting in 2003. Voor onweer is in 2016 overgegaan op een ander systeem. Deze overgangen maken het niet mogelijk om betekenisvolle langjarig gemiddelden voor hagel, ijsvorming en onweer te produceren.
Potentiële wind wordt berekend voor de stations uit de LH15 (met uitzondering van De Bilt en Deelen) en voor de stations Cabauw, Hoogeveen en Lelystad.
Uit de windmetingen bepalen we ook de potentiële wind: de naar ruwheid en 10 meter hoogte gecorrigeerde windsnelheid. De te gebruiken correcties zijn richtingsafhankelijk en afhankelijk van de ruwheid en de hoogte boven de grond van de windmeter. We gebruiken 'Potentiële wind sigma analyse'. Meer informatie over de berekening van potentiële wind.
Vanwege hoge bomen/te grote ruwheid in de omgeving van de stations Deelen en De Bilt zijn voor deze stations geen normalen voor potentiële wind berekend. Als alternatief voor de klimaatgemiddelden van potentiële wind in De Bilt zou de normaal van Cabauw (348) gebruikt kunnen worden, als alternatief voor Deelen zou de normaal van Hoogeveen (279) gebruikt kunnen worden.
Net zoals voorgaande klimaatgemiddelde zijn voor 1991-2020 de WMO-richtlijnen als uitgangspunt aangehouden. Wel bestaan er minimale verschillen in de rekenscripts doordat er op onderdelen op een andere manier is afgerond en gemiddeld. Reden hiervoor is dat we voorsorteren op een meer geautomatiseerde methode, waarvoor rekenscripts zijn opgeschoond en vereenvoudigd en, nog meer dan voorheen, in lijn zijn gebracht met de WMO-richtlijnen.