Lente 2021: (maart, april, mei)

Zeer koud, nat en een normale hoeveelheid zon

Met een gemiddelde temperatuur van 8,1 °C ten opzichte van het langjarig gemiddelde van 9,9 °C was de lente zeer koud. De laatste keer dat de lente zo koud verliep was in 2013, met een gemiddelde temperatuur van 7,4 °C. Alle drie de afzonderlijke maanden waren te koud, al kwam maart met 6,4 °C maar één tiende tekort. April en mei waren allebei zeer koud, met respectievelijk 6,7 °C tegen 9,8 °C normaal en 11,2 °C tegen 13,4 °C normaal. Vooral deze combinatie was uitzonderlijk koud; april en mei 2021 waren met een gezamenlijke gemiddelde temperatuur van 9,0 °C goed voor een vierde plaats.

Maart begon met zonnig en overwegend droog hogedrukweer, al had het noorden ook regelmatig te maken met hardnekkige mist en lage bewolking. Aanvankelijk lagen de temperaturen (ruim) boven normaal maar vanaf de 4e draaide de wind naar noord en werd het kouder, met in de nachten lichte tot matige vorst. Op 6 maart kwam het in de Bilt tot matige vorst, -5,4 °C, en werd in Deelen met -6,8°C de laagste temperatuur van de lente bereikt.

Vanaf 8 maart kregen we te maken met een westelijke stroming waarin actieve storingen voor regen en veel wind zorgden bij temperaturen rond normaal. Op 10 en 11 maart trok er een storm over het land, met aan de kust windstoten tot 120 km/uur. Deze wisselvallige periode duurde tot 16 maart, waarna het weer rustig werd onder invloed van een hogedrukgebied boven de Britse Eilanden. In een noordelijke stroming doken de temperaturen opnieuw onder normaal.

Vanaf de 23e bracht een westelijke stroming licht wisselvallig weer met normale temperaturen en enkele maartse buien. Op 29 maart werd de stroming zuidelijk en het weer zonniger en vooral warmer, met op 29 en 30 maart de eerste warme dagen (20,0°C of hoger) in De Bilt. Op 31 maart werd in De Bilt met 23,8 °C de op een na hoogste temperatuur gemeten in maart sinds 1901.

Het warme einde van maart kende geen voortzetting in april. Blokkerende hogedrukgebieden boven de Atlantische Oceaan zorgden voor een diepe noordelijke stroming waardoor van oorsprong arctische (zeer koude) lucht uit de poolstreken onze omgeving kon bereiken. Vanaf 5 april vielen er talrijke sneeuw- en hagelbuien, in de kustgebieden soms met zware windstoten. De temperaturen lagen (ver) onder normaal en op de 6e bleef het kwik zelfs steken op circa 5 °C. In de nacht en vroege ochtend bleven de hagel en sneeuw plaatselijk even liggen bij temperaturen rond het vriespunt.

Na de passage van een lagedrukgebied op de 9e kregen we opnieuw met koude lucht en winterse buien te maken. Vanaf 13 april werd het geleidelijk droger en minder koud, door het koude zeewater bleven de temperaturen in het noorden achter. In de nacht vroor het licht en vormde zich plaatselijk (dichte) mist. Na de passage van een zwakke storing op 19 en 20 april werd het zonnig en droog maar bleven we in de koude lucht, totdat er 27 april warmere lucht vanaf het Europese continent binnenstroomde en op de 28e in het zuidoosten de enige warme dag van de maand werd geregistreerd. De maand eindigde weer nat en koud, met maxima rond de 10 °C.

Mei kende een koud begin met zonnig en meest droog weer en in de nachten plaatselijk lichte vorst. Van 3 t/m 5 mei bracht een actieve depressie boven de Noordzee nat en onstuimig weer met vooral op 4 mei veel wind. Een noordwestelijke stroming zorgde daarna voor winterse buien en temperaturen ruim onder normaal. Aan de oostflank van een lagedrukgebied bij Ierland voerde een zuidelijke stroming op 9 en 10 mei tijdelijk warme en onstabiele lucht aan waarin zonnige perioden en stevige onweersbuien elkaar afwisselden. Op de 9e werd het in De Bilt met 24,9 °C net geen zomerse dag (25,0°C of hoger), in het zuidoosten lukte dat wel en in Arcen werd met 27,7 °C de hoogste temperatuur van de lente bereikt.

Vanaf 11 mei daalden de temperaturen in een noordwestelijke stroming geleidelijk naar rond of iets onder normaal en vielen er geregeld buien. Van 20 t/m 22 mei kregen we opnieuw te maken met een actieve stormdepressie, met zware windstoten langs de kust. Daarna keerden de noordwestelijke stroming en buien terug en werd het opnieuw nat en somber bij temperaturen onder het langjarig gemiddelde. Tijdens de laatste dagen van de maand stabiliseerde het weer en kwam het bij weinig wind en veel zon nog tot enkele warme dagen.

De lente telde in De Bilt in totaal zestien vorstdagen (minimumtemperatuur onder 0,0 °C), gelijk verdeeld over maart en april, tegen twaalf normaal. Het aantal warme dagen lag met vijf ruim onder het langjarig gemiddelde van zestien. De lente telde geen zomerse dagen, normaal zijn dit er vier.  

De lente was nat met gemiddeld over het land 174 mm neerslag tegen het langjarig gemiddelde van 148 mm. Maart was vrij droog met gemiddeld 44 mm tegen normaal 53 mm, april kende een normale hoeveelheid neerslag (41 mm) en mei was een zeer natte maand met gemiddeld 90 mm tegen 55 mm normaal. De meeste neerslag viel in de periodes 8 t/m 16 maart, 5 t/m 7 april en in de hele maand mei. In delen van het midden en noordwesten van het land was 29 april de natste dag; daar viel met plaatselijk 30-50 mm regen ongeveer de totale maandhoeveelheid in één dag. Van 16 t/m 28 april was het langdurig droog, op de 19e na. De meeste neerslag viel in het midden en noordoosten, met plaatselijk ca. 220 mm. Het droogst was het in het zuidwesten met lokaal slechts ca. 110 mm neerslag. In De Bilt viel 184 mm tegen 159 mm normaal.

Winterse neerslag kwam in alle maanden voor maar het meest opvallend was de sneeuwval op 7 april met in het zuidoosten een kortdurend sneeuwdek van 2-5 cm, in de Limburgse heuvels zelfs meer dan 10 cm. Op 7 mei werd het in Brabant even wit, hetgeen sinds 1935 (17 mei) niet meer zo laat is voorgekomen.

Met over het land gemiddeld 579 uren zon tegen 567 uur normaal was er deze lente een normale hoeveelheid zon. Maart en april waren beide vrij zonnig, met respectievelijk 158 uren tegen 146 uur normaal en 221 uren tegen 196 uur normaal, mei was juist vrij somber met 200 uren zon tegen 225 uur normaal. Het zonnigst was het zoals gebruikelijk in het voorjaar langs de kust met in Vlissingen 662 uren zon. Het somberst was het in het oosten van het land met in Twenthe 508 uren zon. In De Bilt scheen de zon 535 uur tegen 546 uur normaal.

Normaal = het langjarig gemiddelde over het tijdvak 1991-2020

Definitief overzicht, De Bilt, 2 juni 2021 / Yorick de Wijs