De straling van de zon verwarmt het aardoppervlak en de atmosfeer. Zonnestraling is daarom heel bepalend voor het klimaat op aarde.
Zonnestraling wordt in Nederland gemeten als globale straling, uitgedrukt in Joules per vierkante centimeter of Watt per vierkante meter in een bepaalde periode. Daaruit berekent het KNMI de zonneschijnduur in uren.
Het KNMI geeft geen waarschuwingen voor zonnestraling. Wel wordt een verwachting gemaakt voor de zonkracht, de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. Een teveel aan UV leidt tot verbranding en kan op termijn huidaandoeningen geven. De verwachting is in de KNMI-app en op de website te vinden.
Zonnestraling wordt ook gebruikt om de hittekracht te berekenen, een index die aangeeft hoe zwaar hitte aanvoelt voor het lichaam. Dit is, naast zonnestraling, afhankelijk van luchtvochtigheid, temperatuur en wind. De uiteindelijke impact hangt af van zaken als kledingkeuze, gezondheid en leeftijd.
Het KNMI meet zonnestraling met een pyranometer in de vorm van globale straling. Dit is de som van directe straling, rechtstreeks van de zon, en diffuse straling, afkomstig uit andere richtingen zoals weerkaatsing door wolken.
In 1992 is het KNMI overgegaan op het bepalen van de zonneschijnduur uit metingen van globale straling. Vóór die tijd werd de zonneschijnduur bij het KNMI direct gemeten met een Campbell-Stokes zonneschijnduurmeter. Zonneschijnduur kan pas goed bepaald kan worden als de zon duidelijk boven de horizon staat. De eerste en laatste minuten van de dag tellen daarom niet mee, omdat de zon dan te laag staat.
Mei is wat betreft uren zonneschijn de zonnigste maand in Nederland. In de zomermaanden ontstaan er door de grotere warmte landinwaarts gemakkelijk stapelwolken, waardoor het hartje zomer in het algemeen iets minder zonnig is dan aan het eind van het voorjaar. In het najaar en de winter kan het dagen achtereen grijs zijn.
Gemiddeld ontvangt het binnenland minder zonnestraling dan de kust. Aan de westkust en op de westelijke Waddeneilanden schijnt de zon het meest. Vooral in het voorjaar en in de zomer is het langs de kust zonniger dan in het oosten. Door het relatief koude zeewater ontstaan er bij aanlandige wind minder stapelwolken en meten we meer zonneschijn. Dit noemen we kustopklaring. Hoe harder het waait, hoe breder de strook waarin geen stapelwolken ontstaan.
Zonnestraling hangt indirect af van de windrichting. Noord- en noordoostelijke winden geven gemiddeld de meeste zonnestraling, vooral in de lente en zomer. Wind uit zuid- en zuidwestelijke richtingen gaat juist vaak samen met bewolkt en vochtig weer en dus minder zonnestraling.
Uit de berekende zonneschijnduur worden veel andere waarden berekend om het weer en klimaat te beschrijven. Zo wordt een dag somber genoemd wanneer er zeer weinig tot geen zonneschijn wordt gemeten.
| Categorie |
% dagelijkse zonneschijnduur t.o.v. langst mogelijke zonneschijnduur |
|---|---|
| Somber | 20% of minder |
| Af en toe zon | 20% tot en met 50% |
| Zonnig | 50% tot en met 80% |
| Zeer zonnig | Meer dan 80% |
Bij minder zonneschijn dan gemiddeld noemen we een maand, seizoen of jaar vrij somber, somber of zeer somber. Is de zonneschijnduur juist langer dan gemiddeld, dan noemen we een maand, seizoen of jaar vrij zonnig, zonnig of zeer zonnig. Hiervoor worden de metingen vergeleken met het langjarig gemiddelde (1991-2020).
De hoeveelheid bewolking is door de jaren heen afgenomen, waardoor het met name sinds het begin van deze eeuw steeds zonniger is geworden in Nederland. In het voorjaar zien we een toename in zonuren doordat er steeds vaker sprake is van hoge luchtdruk. Ook is de lucht in Europa sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw steeds schoner geworden. De hoeveelheid door de atmosfeer doorgelaten zonnestraling nam toe met ongeveer 4 procent per tien jaar. Dit droeg bij aan de opwarming in Nederland, met name in de lente en zomer. De veranderingen zijn goed terug te zien in het KNMI-klimaatdashboard.
Volgens de KNMI’23-klimaatscenario’s neemt de gemiddelde zonnestraling iets toe ten opzichte van het langjarig gemiddelde (1991-2020). Dit geldt met name voor het zuiden van het land en de zomer. In de zomer is er volgens de scenario’s vaker sprake van oostenwind, met aanvoer van droge lucht met weinig wolken. In de winter neemt de zonnestraling juist af, door meer westenwinden en meer bewolking.