Uitleg over

Weerballon of radiosonde

Elke nacht om 00:00 uur (UT) wordt vanaf het waarneemterrein van het KNMI in De Bilt een weerballon opgelaten. Ze registreren gegevens van de bovenlucht.

De met helium gevulde weerballonen vullen de metingen bij het aardoppervlak aan met gegevens van de bovenlucht. De resultaten worden radiografisch naar De Bilt gestuurd. Vandaar dat weerballonnen ook wel radiosondes worden genoemd.

De sonde bereikt doorgaans een hoogte van tussen de 17 en 25 kilometer. Tijdens de vlucht, die één tot twee uur duurt, worden metingen verricht op het gebied van temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. Uit de positie van de sonde worden windrichting en -snelheid berekend.

 

Oplating van een radiosonde in De Bilt
Oplating van een radiosonde in De Bilt ©KNMI/Tineke Dijkstra
De weerballon wordt in de vulhut bij het KNMI gevuld met helium
De weerballon wordt in de vulhut bij het KNMI gevuld met helium ©KNMI/Tineke Dijkstra

Geschiedenis radiosonde

De radiosonde bestaat ruim een halve eeuw, maar begin twintigste eeuw waren er al vlieger- en ballonoplatingen. In de jaren veertig werden internationaal radiosondes gebruikt om kennis op te doen over stromingen en processen in de hogere luchtlagen. In 1947 begon het KNMI in De Bilt met radiosonde-oplatingen, toen nog twee keer per dag.

Vanaf 1957 zijn daar radiosondes met locatiebepaling bijgekomen en van 1985 tot 2002 zijn dagelijks vier ballonnen opgelaten. Daarna is het aantal oplatingen teruggebracht naar twee per etmaal en sinds januari 2013 naar één per etmaal. Sinds 1992 wordt één keer per week een ozonsensor meegestuurd voor het meten van ozon.

Netwerk radiosondes

Radiosondes worden op vrijwel alle nationale meteorologische stations opgelaten. Het gaat om een wereldwijd netwerk van ruim vijfhonderd meetpunten. De gegevens zijn van groot belang voor de weersverawchtingen, niet alleen voor de korte termijn maar ook voor meerdere dagen.

Metingen aan de grond zeggen niet veel over de luchtstromingen op grotere hoogte. Wind op grote hoogte bepaalt echter het weer voor de komende dagen. Met name de luchtvaart profiteert van de gegevens. Met behulp van de metingen van de bovenlucht wordt bekeken of er sprake kan zijn van ijsafzetting. Voorbeelden van metingen met radiosondes zijn te vinden in de verklaring van vliegtuigstrepen.

Sonde gevonden?

Als de radiosonde omhoog gaat, komt hij in steeds ijlere lucht. De (rubber)ballon wordt dus groter en groter en zal vroeger of later klappen. De radiosonde komt dan aan de parachute naar beneden.

Helaas zijn gewone radiosondes slechts éénmaal te gebruiken. Wie zo'n sonde vindt, mag hem houden of kan hem inleveren bij het klein chemisch afval of voor verdere verwerking terugsturen naar het KNMI. Iedere sonde is voorzien van een briefje met adresgegevens en een beschrijving in Duits, Frans en Engels. Dat is nodig omdat de ballonnen afstanden kunnen afleggen van honderden kilometers en in onze buurlanden terecht kunnen komen. 

Ozonsondes zijn wel opnieuw bruikbaar. Het KNMI ontvangt de ozonsondes dan ook graag retour. De gelukkige vinder ontvangt een vinderspremie.

Meer uitleg over

  • Kaart van Nederland met neerslagmetingen ©KNMI

    Neerslagmeting

    De hoeveelheid neerslag wordt gemeten met een regenmeter. Dit is een trechtervormig instrument die de neerslag in een verzamelbak opvangt.
  • KNMI-neerslagstations in Nederland ©KNMI

    Vrijwillige neerslagmeters

    Ons land heeft een netwerk van enkele tientallen automatische weerstations, waar neerslag continu wordt gemeten.
Niet gevonden wat u zocht? Zoek in alle uitleg over