Dagen met in grote gebieden gevaar voor extreme natuurbranden komen wereldwijd nu twee keer zo vaak voor vergeleken met ruim 40 jaar geleden. Meer dan de helft van die toename komt door klimaatverandering die door de mens wordt veroorzaakt. Natuurbranden woeden nu vaker tegelijk in meerdere landen. Dat maakt het lastiger om internationaal hulp te bieden bij het blussen.
Een natuurbrand kan op twee manieren worden gemeten: aan de hand van de grootte van het afgebrande gebied, of aan de hoeveelheid koolstof die vrijkomt. Die twee maten laten een heel ander beeld zien.
Wereldwijd is het jaarlijks afgebrande oppervlak sinds de jaren 2000 juist afgenomen, met ongeveer een kwart. Dat komt vooral doordat er in Afrikaanse savannes minder verbrandt: door meer landbouw, meer vee en veranderd landgebruik raakt het grasland versnipperd, waardoor vuur zich minder ver kan verspreiden. Dat klinkt geruststellend, maar savannegras bevat weinig koolstof vergeleken met bos. Voor klimaat en natuur maakt het dus flink uit wélk landschap er brandt.
En daar zit het probleem: terwijl grasbranden afnemen, nemen bosbranden juist sterk toe. In de laatste twee decennia is de oppervlakte bos die wereldwijd door brand verloren gaat sterk gestegen — recente satellietanalyses laten toenames zien die oplopen tot een verdubbeling, met de grootste stijgingen in Siberië, de Verenigde Staten en Canada (afbeelding 1). 2023 en 2024 waren de twee extreemste jaren ooit gemeten voor bosbranden wereldwijd. Bovendien is de intensiteit van extreme natuurbranden de afgelopen decennia verdubbeld. Dit soort branden is moeilijk te blussen en heeft grote impact: dodelijke slachtoffers, materiële schade en slechte luchtkwaliteit tot ver buiten het brandgebied.
Kortom: de daling van het totale afgebrande oppervlak wereldwijd verhult dat juist de meest schadelijke, koolstofrijke bosbranden fors zijn toegenomen. Beide trends kloppen tegelijk — ze gaan alleen over heel verschillende soorten branden.
Afbeelding 1. Afname in bosgebieden wereldwijd in miljoenen hectares door bosbranden (bruin) en andere oorzaken als kap en stormen en overstromingen (geel). Bron: World Resource Insitute.
Naast menselijk handelen bepaalt het weer hoe groot het natuurbrandgevaar is. Droogte, hitte en wind maken vegetatie makkelijker ontvlambaar en helpen een brand zich te verspreiden. Een internationale maat hiervoor is de Fire Weather Index (FWI): hoe hoger de FWI, hoe makkelijker een brand kan ontstaan en uitbreiden.
Onderzoek laat zien dat lokaal extreem brandgevaarlijk weer, de 5 procent dagen per jaar met de hoogste FWI-waarde, wereldwijd gemiddeld met 14 procent is toegenomen sinds 1979 (afbeelding 2). Dit komt in 75 procent van de gevallen (mede) door een afname van de relatieve luchtvochtigheid, en in 40 procent van de gevallen (mede) door opwarming. Beide zijn het gevolg van klimaatverandering, en de FWI zal naar verwachting verder blijven stijgen.
Wereldgemiddeld is het brandgevaar toegenomen, maar dat is niet overal het geval (afbeelding 3). Met name in India en delen van Afrika en Canada is het aantal dagen per jaar met extreem brandgevaarlijk weer (hoge FWI waarde) afgenomen.
Nieuw attributieonderzoek bevestigt dat de wereldgemiddelde toename van extreem brandgevaarlijk weer een duidelijke 'menselijke vingerafdruk' draagt: de stijging is met 99 procent zekerheid te onderscheiden van natuurlijke klimaatschommelingen, en toe te schrijven aan door de mens veroorzaakte klimaatverandering.
Recent is ook gekeken naar het gelijktijdig optreden van grootschalige branden binnen grote, vaak internationale regio's. Het klimaat beïnvloedt hoe vaak grote gebieden tegelijk een hoge FWI hebben. Denk aan het toegenomen aantal en de intensiteit van hittegolven, of grootschalige fenomenen zoals El Niño (ENSO) en de Indian Ocean Dipole (IOD), die droogte en warmte beïnvloeden.
Onderzoekers deelden de wereld op in 14 regio's en telden per regio het jaarlijks aantal dagen waarop de FWI extreem hoog was in minstens 30 procent van het brandbare oppervlak.
Behalve in Zuidoost-Azië is dit aantal dagen overal toegenomen: sinds 1979 gemiddeld met 9 dagen per 10 jaar, meer dan een verdubbeling. De grootste toename is in Latijns-Amerika: van 6 dagen per jaar in de jaren 80 naar 71 dagen per jaar in de laatste 10 jaar, met een piek van 118 dagen in 2023. In Europa is de stijging met 2 dagen per 10 jaar juist ondergemiddeld; het aantal ligt er nu rond de 50 dagen per jaar. Wereldwijd gezien nam het aantal dagen waarop grote gebieden tegelijk kampen met extreem brandgevaarlijk weer toe van gemiddeld 22 per jaar (1979–1993) naar meer dan 60 per jaar in 2023 en 2024, bijna een verdrievoudiging.
Een verklaring voor de afname in Zuidoost-Azië is de toegenomen luchtvochtigheid daar. Tijdens een El Niño-jaar neemt het aantal dagen met extreem brandgevaarlijk weer in equatoriaal Azië echter juist toe, met 43 dagen.
Doordat grootschalig extreem brandgevaarlijk weer vaker voorkomt, worden brandseizoenen langer en overlappen ze steeds meer tussen regio's. Dat bemoeilijkt de inzet van internationaal gedeeld blusmaterieel — zoals blusvliegtuigen — en personeel. Ook zorgt het voor langduriger slechte luchtkwaliteit doordat rook zich honderden tot duizenden kilometers kan verspreiden. In Europa bijvoorbeeld werden in de 25 procent jaren met de meeste dagen van grootschalig extreem brandgevaarlijk weer, 3 keer zoveel inwoners blootgesteld aan luchtvervuiling door fijnstof.
Meer brandgevaarlijk weer betekent niet automatisch meer schade: goed brandbeheer kan een flink deel van het risico opvangen. Studies naar bosbeheer in het westen van de Verenigde Staten laten zien dat het uitdunnen van bos, gecombineerd met gecontroleerde, beheerste branden, de ernst van latere natuurbranden met meer dan 60 procent kan verminderen. Een recente Amerikaanse kosten-batenanalyse becijferde dat zulke preventieve maatregelen het afgebrande oppervlak met 36 procent verminderden en voor 2,8 miljard dollar aan schade voorkwamen: elke dollar besteed aan preventie leverde ongeveer 3,75 dollar aan vermeden schade op.
Bosbeheer kan de ernst van latere bosbranden met meer dan 60 procent verminderen
Maar preventie kent grenzen, juist op het moment dat extreem brandgevaarlijk weer vaker voorkomt. Onderzoek naar de verwoestende Australische bosbranden van 2019–2020 laat zien dat onder zulke extreme weersomstandigheden het risico op verlies van huizen en natuur meer dan verdubbelde, ongeacht hoeveel preventief beheer er had plaatsgevonden. Bovendien vereist het uitvoeren van gecontroleerde branden zelf rustig, specifiek weer en juist dat soort 'preventievensters' wordt door klimaatverandering kleiner en onvoorspelbaarder, met name in het westen van de VS. Preventie blijft dus essentieel om schade te beperken, maar wordt tegelijk lastiger te organiseren precies wanneer ze het hardst nodig is.
Van 18 juni tot en met 29 juni was er in Nederland sprake van een hittegolf. Een uitgestrekt hoge...
01 juli 2026 - KlimaatberichtJuni was met een gemiddelde temperatuur van 19,1 °C in De Bilt bijna drie graden warmer dan het l...
30 juni 2026 - NieuwsberichtTropische nachten waarin de temperatuur niet beneden de 20 graden afkoelt komen steeds vaker voor...
26 juni 2026 - KlimaatberichtAls eerste mondiale weercentrum is het European Centre for Medium-Range Weather Forecasts (ECMWF)...
25 juni 2026 - Nieuwsbericht