De temperatuur is een maat voor warmte of kou.
In Nederland wordt temperatuur uitgedrukt in graden Celsius (°C). In enkele landen, waaronder Engeland en de Verenigde Staten wordt de temperatuur aangegeven in graden Fahrenheit.
Het KNMI kan waarschuwen met een code geel, oranje of rood voor hitte en voor kou. Voor hitte werkt het KNMI hiervoor samen met het RIVM. Bij waarschuwingen voor kou gaat het niet om de gemeten temperatuur, maar om de gevoelstemperatuur. Die maat voor temperatuur houdt rekening met het effect van de wind op de hoeveelheid warmte die een mens verliest.
Ook voor hitte bepaalt het weer hoe de temperatuur voor mensen aanvoelt. Het KNMI werkt daarom aan hittekracht, een maat voor hitte die temperatuur, luchtvochtigheid, zonnestraling en wind combineert.
Door klimaatverandering verandert de temperatuur wereldwijd, ook in Nederland. Sinds het begin van de metingen in 1901 is de gemiddelde temperatuur in De Bilt 0,4 graden per tien jaar toegenomen. In 2100 zal hier, afhankelijk van de uitstoot van broeikasgassen, nog 0,8 tot 4,3 graden bij komen ten opzichte van 1991-2020 volgens de KNMI’23-klimaatscenario’s. De koudste en warmste dagen van het jaar warmen nog meer op, waardoor de kans op hitte toeneemt. Deze gegevens zijn terug te vinden in het klimaatdashboard.
Temperatuur wordt gemeten met een thermometer, een instrument dat in 1593 is uitgevonden door Galileo Galileï.
Het KNMI meet temperatuur volgens internationale richtlijnen op 1,5 meter hoogte boven een open grasveld. De thermometer staat in een wit kastje (meethut) met wanden die de vorm hebben van een open jaloezie. Daardoor heeft de wind vrij spel, zonder dat zon en neerslag de metingen kunnen beïnvloeden. Vroeger stond de thermometer onder een pagode, een grote meethut met een piramidevormig dak.
Het KNMI heeft geen officiële metingen in stedelijke gebieden. Door bebouwing en bestrating is de temperatuur in de stad vaak hoger dan op het platteland. Daarom maakt het KNMI gebruik van burgermetingen om lokale weersinformatie nog gedetailleerder in kaart te brengen. In de KNMI-app worden burgermetingen van temperatuur bijvoorbeeld gecombineerd met metingen van KNMI-stations in een temperatuurkaart.
Uit gemeten temperaturen worden veel andere waarden berekend om het weer en klimaat te beschrijven. Zo meten we op hoeveel dagen de temperatuur boven of onder een bepaalde grens uitkomt. In de zomer categoriseren we dagen als zachte dagen, warme dagen, zomerse dagen, tropische dagen en extreem warme dagen, afhankelijk van de maximumtemperatuur. In de winter kijken we vooral naar vorstdagen, met een minimumtemperatuur onder het vriespunt, en ijsdagen, waarop het de hele dag blijft vriezen.
Langere periodes van hitte of kou noemen we hittegolven en koudegolven. Om te bepalen of er een hittegolf of koudegolf is, zijn er grenzen waaraan voldaan moet worden.
Uit gemeten temperaturen berekent het KNMI het koudegetal, ook wel het Hellmangetal genoemd. Dit is de totale hoeveelheid kou in de koudste periode van het jaar. Tussen april en oktober wordt het warmtegetal berekend, een waarde voor zomerwarmte.